Het geheugen van de vakbeweging

Terugblik op 17 april 2026

‘Van bedrijvenwerk tot organizing’

Jan Verhagen
April 2026

Er lijkt een nieuwe lichting wetenschappers op komst, vaak verbonden aan het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging (de Burcht) of het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), die de tanende wetenschappelijke belangstelling voor vakbonden, hun geschiedenis en voor arbeidsverhoudingen in het algemeen doen herleven.
Recente in het oog springende voorbeelden: de promotie op 26 maart 2026 van Rosa Kösters met het proefschrift ‘How to Self-Organise’ en de eerste gezamenlijke bijeenkomst van de Burcht en de VHV op 17 april over Democratisering van de werkvloer, waarin het onderzoek van Ewout van den Berg centraal stond. In dit artikel een reflectie op het laatste, de bijeenkomst van 17 april.

Volle bak…

De VHV en de Burcht hebben in 2026 de handen in elkaar geslagen voor een gezamenlijk georganiseerde bijeenkomst, en een mede door de VHV gefinancierde eenmalige heruitgave van het blad ‘Zeggenschap’. De samenwerking leidde in ieder geval tot een stampvolle zaal, een indicatie dat dit ook voor de toekomst kansen biedt.
Het hoofdthema van de ochtend kreeg met name vorm via een gesprek tussen Saskia Boumans, directeur van de Burcht en onderzoeker Ewout van den Berg.
Centraal daarin: de geschiedenis van het bedrijvenwerk bij de vakbeweging. Het onderzoek van Ewout van den Berg maakt deel uit van het onderdeel ‘medezeggenschap’ van het programma van de Burcht voor de periode 2022- 2025, en koerst dus naar verwachting dit jaar af op een afronding.

Van den Bergs onderzoek beperkt zich overigens in hoofdzaak tot de periode tussen 1964 en 1982, dus over de gang van zaken met het bedrijvenwerk in de jaren daarna krijgen we (helaas) niet heel veel te horen. Aan het eind van dit artikel staan enkele verwijzingen en zinsnedes, die daar misschien wat meer licht op werpen.

Terugkijken

Het volledige gesprek met Ewout van den Berg is terug te zien op het YouTube-kanaal van de Burcht.

 

 

 

Over het onderzoeksthema

Ewout van den Berg kreeg als brede onderzoeksopdracht ‘democratisering van de werkvloer’ mee, maar koos ervoor om in te zoomen op het bedrijvenwerk van de vakbeweging.
Van den Berg: “Uitgangspunt was ‘meer zeggenschap voor werkende mensen’. Dan kun je denken aan onderzoek naar werknemerscorporaties, of aan de bevoegdheden van Ondernemingsraden. De vraag is dan steeds: hoe ga je wat wordt vastgelegd in de praktijk afdwingen? Dan praat je al snel over het vergroten van werknemersmacht.
Een eerdere publicatie van de Burcht over de geschiedenis van het bedrijvenwerk1 zette me uiteindelijk op dit spoor. Ik had er nooit zo bij stilgestaan dat kadergroepen in de bedrijven een relatief recent fenomeen zijn in de Nederlandse arbeidsverhoudingen, waarbij de nadruk veel meer ligt op de zelforganisatie van werkende mensen rond tal van verschillende thema’s, om langs die weg de werkvloer te democratiseren. Daarover is best al veel geschreven, maar met veel nadruk op enerzijds de initiatiefnemers, anderzijds de inkadering in veranderende arbeidsverhoudingen, maar vrij weinig over wat die kadergroepen precies deden, en hoe. Terwijl je de ontwikkeling van het bedrijvenwerk het best kunt begrijpen door te kijken naar de strijd die mensen voerden.”
In zijn eigen onderzoek gebruikt van den Berg de fasering die eind jaren ’70 door Ger van Vliet is gebruikt in zijn dissertatie over bedrijvenwerk2.

Het ontstaan van het bedrijvenwerk (1964-1970)

‘Vakbeweging in beweging’ (1964). Stan Poppe schetst hier contouren en motieven voor bedrijvenwerk

Van den Berg begint met een korte schets van de voorzichtige start met het bedrijvenwerk in 1964 bij de Metaalbedrijfsbond NVV. Doel was, naar zijn zeggen, vooral om arbeidsplaatsen te vermenselijken, autoritaire verhoudingen te doorbreken, en op te treden voor werknemersbelangen op de werkplek zelf. Maar ook om een halt toe te roepen aan het toenemend ledenverloop.
Aanvankelijk gebeurde dit door studenten de bedrijven in te sturen. Die constateerden dat de vakbond hier geen positie had.
Centraal daarin staat aanvankelijk de onbezoldigde bedrijfscontactman, als schakel tussen bestuurder en wat op het bedrijf speelde. Die werd vaak gesteund vanuit Bedrijfscontactcommissies, waarvan ook de vakbondsleden in de Ondernemingsraad deel uitmaakten.

De organisatielijnen van de vakbeweging waren tot die tijd vooral regionaal, de zogenaamde A-lijn. Daar kwam als gevolg van de start met bedrijvenwerk dus de B-lijn naast.

Het lijkt verbazingwekkend dat er voor de jaren ’60 nauwelijks sprake was van vakbondsaanwezigheid op de werkplek, hoewel dat zijn wortels mede heeft in de tegenstelling tussen het syndicalistische NAS en het veel centralistischer, sterk top-down opererende NVV. Het laatste richtte zich bovendien al snel op landelijk en sectoraal overleg. Dat werd na de oorlog nog sterker, ook al ging dat niet zonder strijd. Afgezien van de korte naoorlogse periode waarin de EVC zich sterk op bedrijven richtte, was de vakbeweging dus weinig zichtbaar op de werkvloer.

De start van het bedrijvenwerk heeft plaats tegen een veranderende sociaaleconomische achtergrond. Naarmate de naoorlogse wederopbouw van Nederland vorderde, kwam er in de bedrijven, ook voor werkgevers, meer ruimte om buiten de strakke kaders van de, mede door het NVV gedragen, geleide loonpolitiek om te werken. Dat leidde uiteindelijk tot de loonexplosie van de jaren ’60. In die jaren ’60 nam ook het aantal stakingen toe, waaronder enkele ‘wilde’ stakingen, wat de positie van de bonden ondermijnde.
Het bedrijvenwerk moest daar een antwoord op vormen. Niet alleen vergroten van de zeggenschap van de leden, ook een duidelijker vakbondsgezicht in het bedrijf en meer controle over de achterban hoorden tot de doelstellingen. Niet voor niets vindt de eerste pilot in 1964 plaats in vier bedrijven waar eerder ‘wilde’ stakingen hadden plaatsgevonden.
De (onbezoldigd) bedrijfscontactman3 werd al spoedig ondersteund door bezoldigde bedrijvenmedewerkers, die meerdere bedrijven onder hun hoede hadden. Dat leidde soms tot spanningen met vakbondsbestuurders, vergelijkbaar met wat we in recenter jaren zien tussen organizers en bestuurders.
Ook vanuit de werkgevers was sprake van weerstand, na een aanvankelijk welwillende houding.
Ook was er weerstand vanuit Ondernemingsraden, ook al droeg de Metaalbedrijfsbond de visie uit dat bedrijvenwerk en ondernemingsraad geacht werden elkaar te versterken.
Toch werd de vorming van (kritische) kadergroepen vanuit Ondernemingsraden nogal eens als een motie van wantrouwen opgevat.

Het verwerven van een vakbondspositie op de werkplek moest dus op meerdere fronten bevochten worden.

De jaren ’70: stroomversnelling en vervolgens institutionalisering

De havenstaking van 1970 was tekenend voor het ‘controleverlies’ van de bonden op de eigen achterban, en dwong tot haast maken. De studenten- en democratiseringsbeweging van eind jaren ’60 leidde ertoe dat er ook in de vakbeweging een andere wind ging waaien.
Het bedrijvenwerk dwingt een plek af en er komt meer ruimte voor initiatief van onderop. Dat is bijvoorbeeld te zien in de metaalstaking van 1972. De rechter verbiedt die staking, maar via zijn kadergroepen gaat het NVV ‘van onderaf’ verder, wat tot een golf van acties leidt. Ook het aantal bedrijfsbezettingen neemt toe. Het NVV neemt dergelijke initiatieven vaak over en versterkt ze.

Halverwege de jaren ’70 wordt het bedrijvenwerk meer geïnstitutionaliseerd. De Bedrijfscontactcommissies worden uitgebouwd tot Bedrijfsledengroepen (BLG’s). Maar de ondersteuning vanuit de bondsorganisatie vermindert, de bedrijvenmedewerker verdwijnt en de controle van de vakbondsbestuurder op de kadergroepen wordt versterkt.
Eind jaren ’70 worden werknemersinitiatieven niet meer versterkt, met als voorbeeld de verloren havenstaking van 1979. Dat legt allemaal mee de basis voor een beweging ‘terug naar de overlegtafel’, uitmondend in het Akkoord van Wassenaar.

Eenmalige heruitgave ‘Zeggenschap’

Kadergroepen dwongen (mede)zeggenschap op veel diverse manieren af: een rijke praktijk.
In 1974 ontstond het tijdschrift ‘Zeggenschap’ als een soort ‘spin-off’ van de ‘Maatschappij-kritische Vakbeweging’. In dat blad gingen vakbondsleden met elkaar in discussie en deelden hun ervaringen. Het leverde een goed inkijkje in de discussies en de zelfactiviteit in die periode op.
Kadergroepen zijn dan actief op arbeidsvoorwaarden, en hoe je die vertaalt naar meer bedrijfsspecifieke afspraken. Daarnaast ook op arbeidsomstandigheden – bijvoorbeeld door werknemersonderzoek vanuit de BLG. Verder op werkgelegenheid, denk aan de bedrijfsbezettingen in die periode. En tot slot ook op de arbeidsinhoud: wat voor werk doen we, voor wie produceren we eigenlijk? Denk daarbij aan de acties tegen Apartheid, maar ook aan discussies over conversie van militaire naar maatschappelijk nuttige productie.
Allemaal thema’s die ook vandaag de dag nog actueel zijn. Met de eenmalige heruitgave van ‘Zeggenschap’ bieden we iets vergelijkbaars als destijds, maar dan voor 20264.

Workshops en panel

De aanwezigen konden na afloop van het gesprek met Ewout van den Berg kiezen voor deelname aan een van drie korte workshops, waarna de bijeenkomst werd afgesloten met een ‘paneldiscussie’.

In Workshop 1 werd verder ingezoomd op het dagthema: ‘Van bedrijvenwerk tot organizing’.
Hier werd onder meer geconstateerd dat het apart zetten van de individuele dienstverlening eind jaren 90 negatief heeft uitgewerkt. Verder kwam in deze Workshop de spanning tussen organizers en bestuurders ter sprake, spanningen die zich bijvoorbeeld in de Schipholcampagne voordeden, maar die zijn opgelost. Gewezen werd op het belangrijke onderscheid tussen organizing, gericht op het opbouwen van werknemersmacht, en mobilising, gericht op het mobiliseren van mensen voor bijvoorbeeld een demonstratie.

Workshop 2 stond stil bij de spanning tussen bezoldigden en kaderleden in bedrijven. Die kunnen bijvoorbeeld ontstaan wanneer kaderleden wel aanzitten bij formele onderhandelingen, maar buiten informele gesprekken tussen bestuurder en werkgever worden gehouden.

In Workshop 3 kwam de spanning tussen OR en vakbond aan de orde. Geconstateerd werd dat de FNV nog steeds veel voor OR’en doet, al is dat in de loop der jaren wel minder geworden. Investeren in een goede band tussen OR en vakbond blijft belangrijk, met als goed voorbeeld Tatasteel. Dat vraagt wel om een actieve betrokkenheid van FNV’ers uit de OR bij het werk van de kadergroep.
Investeren in de OR is ook nodig om te voorkomen dat de OR gekaapt wordt door ‘gele bonden’, zoals het AVV.

In het panelgesprek daarna zaten aan: Martine Heijthuyzen, voormalig FNV-organizer, Frank Pot, emeritus-hoogleraar, en Robbert Coenmans, adviseur arbeidsvoorwaarden bij de FNV.
Terugblikkend op ‘Zeggenschap’: het blad ontstond mede uit de behoefte tot uitwisselen van meningen ervaringen in een vrijere setting dan die van NVV en later FNV. Een behoefte die er misschien ook nu nog is?
Op de vraag van discussieleider Agnes Jongerius naar de geringe aandacht in de media voor vakbondsnieuws, en hoe dat te veranderen, volgde een gedachtewisseling over wat wel en wat niet aanspreekt…en wat nieuwswaarde heeft. Met cijfers en statistieken trek je geen brede aandacht, met individuele verhalen wel, maar die doen niet steeds recht aan het feit dat juist de vakbeweging gericht is op collectieve oplossingen, ‘samen sterk’.
Vervolgens verschoof de discussie naar het feit dat steeds minder mensen nieuws en meningen via de traditionele media tot zich nemen. Dat is grotendeels verschoven naar socialmedia met als voorbeeld de kracht die (korte) breed-gedeelde actiefilmpjes kunnen hebben.
Soms – niet altijd – hebben die spontane, direct verspreide actie-uitingen méér effect dan zorgvuldig gemonteerde, gelikte video’s.
Het gericht benutten van socialmedia vermindert bovendien je afhankelijkheid van wat een journalist van krant, radio of tv belangrijk en nieuwswaardig vindt.

De ochtend werd afgesloten met een korte ‘gesproken column’ door Tom Barkmeyer (FNV-kaderlid bij DAF), die ook het eerste exemplaar van ‘Zeggenschap-2026’ in ontvangst mocht nemen.

Een persoonlijke kanttekening

De vakbond op de werkvloer, bedrijvenwerk, organizing, medezeggenschap, bedrijfsdemocratisering: complexe onderwerpen, waarover in de ruim 80 naoorlogse jaren heel wat is onderzocht, gepubliceerd en gedebatteerd. En het laatste woord is er nog niet over gesproken. Dat is niet erg: wetenschap en kennis die niet in beweging zijn, en zichzelf niet continu blijven bevragen, verstarren tot dogma’s, mantra’s en lege formules.

Tegelijk moeten we constateren dat deze thema’s allesbehalve een constante zijn binnen beleid, discussie en onderzoek. Te vaak bemerken we kortstondige en niet altijd even diepgaande ‘opflakkeringen’, die even vaak géén vervolg krijgen, laat staan een vertaling naar de dagelijkse vakbondspraktijk.

Bovendien lijkt het erop dat ‘de resultaten uit het verleden’ ook onvoldoende bijdragen aan het lerend vermogen van de vakbeweging, noch van de wetenschap die zich met vakbeweging en arbeidsverhoudingen bezighoudt. Van wezenlijk voortschrijdend inzicht op veel vragen, dilemma’s en strijdpunten van die voorbije 80 jaar lijkt nauwelijks sprake. Integendeel: dezelfde discussies en onopgeloste dilemma’s duiken keer op keer op, en leiden nogal eens tot een herhaling van zetten. Daarbij vaak niet gehinderd (…) door kennis en verwerking van de historie.

Programma 17 april: alles in 1 ochtend

Ook deze bijeenkomst was te kort om hier verandering in te brengen.
Daarom een – herhaald – pleidooi om dit soort onderwerpen niet te persen binnen één dagdeel, maar er de tijd voor te nemen, zodat ‘losse flodders’ de kans krijgen bevraagd te worden, en te groeien tot inzichten.
Verder zou de impact naar de vakbeweging van vandaag groter kunnen zijn, wanneer bijeenkomsten niet binnen het isolement van de wetenschappelijk of vakbondshistorische ‘bubbel’ worden opgezet, maar als coproductie met de ‘echte’ vakbeweging. Zichtbaar gemaakt door het gastheerschap bij hén te leggen.
Een extra, niet te onderschatten voordeel van zo’n aanpak: de mogelijkheid dat het aandeel ‘oud en grijs’ op bijeenkomsten wat kleiner wordt.

Tot slot, maar niet in de laatste plaats: een pleidooi voor vervolgactiviteiten, al dan niet via ‘netwerkvorming’ rond specifieke thema’s. Bij de eenmalige heruitgave van het blad ‘Zeggenschap’ is dit woord al gevallen. Laten we hopen dat het niet bij woorden blijft.

 

Bedrijvenwerk na 1982

In haar proefschrift5 behandelt Rosa Kösters enkele voorbeelden van het bedrijvenwerk van bonden. Concreet is dat het vakbondswerk in de Distributiecentra van Ahold (of de afwezigheid daarvan) in het begin van de jaren ’80 door de pas ontstane Dienstenbond FNV. Daarnaast het van de grond trekken van het bedrijvenwerk in de AH-supermarkten door diezelfde bond op de grens van de jaren ’80 en ’90. Verder komen de wederwaardigheden van werknemers en het bedrijvenwerk van werknemersorganisaties bij Unox/ Unilever over de hele periode van eind jaren ’70 tot halverwege de jaren ’10 van de 21e eeuw aan bod.
Zelf heb ik diverse meer beleidsmatige beschouwingen aan het onderwerp gewijd6. Daarin worden ook verschillen met de insteek van Ewout van den Berg zichtbaar, en worden enkele factoren genoemd die vooral na de eeuwwisseling een vaak neerwaartse invloed op het bedrijvenwerk hebben gehad.

Zo ging dat in 1985: Cursusaanbod Industriebond FNV

Zo ging de eind jaren ’70 versterkte wettelijke positie van medezeggenschapsorganen aanvankelijk gelijk op met extra aandacht vanuit de vakbeweging voor de synergiemogelijkheden daarvan met het bedrijvenwerk. In de jaren ’90 noemde de toenmalige Industriebond FNV dit een strategische coalitie of alliantie, en vertaalde dat in extra ondersteuning richting medezeggenschapsorganen.
De fusie van Industriebond, Voedingsbond, Vervoersbond en Dienstenbond tot FNV Bondgenoten in 1998 en het omstreeks diezelfde tijd afgekondigde einde van de zogenaamde ‘brede vakbeweging’ luidden een periode van neergang in. De ondersteuning van en advisering aan ondernemingsraden vertoont na die tijd steevast afbraakverschijnselen. De grondige vakbondstrainingen, gericht op het kweken van sterk bedrijfskader werden afgebroken respectievelijk omgebouwd tot individuele vaardigheidscursussen. En de eind jaren ’90 vooral op ‘arbeid en inkomen’ gerichte vakbeweging versmalde in later jaren nog sterker tot een ‘cao- en werkgelegenheidsmachine’.
De ondersteuning op arbeidsvoorwaardelijke thema’s werd vaak ook de voornaamste functie van het in enkele sterkere sectoren resterende bedrijvenwerk.
‘Organizing’, activerend vakbondswerk en een herstructurering van de kaderopleiding beoogden daar verandering in te brengen. Issues van mensen collectief oppakken en zichtbaarheid op de werkvloer bevorderen werden weer belangrijke speerpunten, die echter niet zelden blijven steken in spanningen met de bestaande routines van bestuurders en kadergroepen.

Meer op vakbondshistorie.nl – vakbondsverhalen.nl – solidariteit.nl

 


1 Wim Eshuis/ Rosa Kösters (redactie) – ‘De vakbond en de werkvloer, op zoek naar nieuwe relaties’ (Burcht-publicatie nummer 21 – 2020)
2 G.E. van Vliet – ‘Bedrijvenwerk als vorm van belangenbehartiging: een onderzoek naar het funktioneren van het bedrijvenwerk van de industriebonden NVV en CNV.’ (dissertatie, Alphen a/d Rijn 1979)
3 Voor zover bekend waren het in die tijd alleen maar mannen
4 De eenmalige heruitgave is te bestellen via De Burcht
5 R. Kösters- ‘How to Self-Organise? Insights from Workers at Albert Heijn (Ahold) and Unox (Unilever) in the Netherlands, 1960–2020.’ (Leiden 2026). Grote delen van de digitale versie van het proefschrift, waaronder de genoemde casussen, zijn tot eind september 2026 niet downloadbaar. Op welke manier de papieren versie te verkrijgen? Neem daartoe contact op met de auteur.
6 Onder meer ‘Waarom de FNV slecht zichtbaar is op de werkvloer…en waarom dat moet veranderen’ (oktober 2019)
7 Deze website is gelanceerd in januari 2018 en is een gezamenlijk initiatief van de VHV, het IISG en de FNV