Het geheugen van de vakbeweging


Vakbondswerk in de onderneming

Bedrijvenwerk bij Howson Algraphy

Dit artikel is de weerslag van een aantal gesprekken met toenmalig vakbondskaderlid en Howson-werknemer Hans Hubregtse. De highlights uit de gesprekken zijn als video te zien op het YouTubekanaal van de VHV, in de afspeellijst Bedrijvenwerk Howson (Soest)

De fabriek staat er al lang niet meer, en ook de gebouwen van destijds zijn gesloopt. Toch leeft Howson Algraphy voort in de vakbondshistorie. Al was het maar omdat een daar werkzaam vakbondskaderlid, Willem Agenant, het aandurft om zich in 1983 kandidaat te stellen voor het voorzitterschap van de Industriebond FNV, als opvolger van Arie Groenevelt. Ongehoord in die tijd, er waren toen nog geen commissies om onwelgevallige kandidaten tegen te houden, wat in 2021 wel het geval is. Hij is overigens geen voorzitter geworden. Net zo min als Johan Stekelenburg, die in die tijd ook een gooi wil doen naar het voorzitterschap van de Industriebond.

Howson Algraphy was in meer opzichten een boeiend ‘vakbondsbedrijf’: een middelgrote – rond de 220 werknemers – metaalonderneming met een sterke Bedrijfsledengroep (BLG) én een sterke Ondernemingsraad (OR). Die twee zaten elkaar niet in de haren, evenmin overlapten ze elkaar, zoals tegenwoordig vaak gebeurt, nu ‘kaderlid’ en ‘OR-lid’ zo’n beetje synoniem van elkaar zijn geworden.
Bij Howson Algraphy werkten BLG en OR eendrachtig samen, benutten elkaars sterke kanten, en voerden geen grensgevechten over welke onderwerpen bij wie thuishoorden. Wat hier vooral telt is dat de OR beschikt over een aantal wettelijke faciliteiten en rechten die voor de BLG niet zijn weggelegd. En anderzijds kan de BLG met zijn krantje, ‘De Knuppel’ rekenen op bondsfaciliteiten en op het hitteschild van een vakbondsbestuurder, en durft meer ‘unverfroren’ zaken aan de kaak te stellen.

Howson Algraphy in Soest

 

Productiehal bij Howson Algraphy Soest

Midden jaren ’70 strijkt Howson in Soest neer: een productiebedrijf van offsetplaten en chemicaliën voor de grafische industrie, inclusief kantoor en verkoopafdeling. In de jaren ’80 dreigt sluiting: eigenaar Vickers-Rolls Royce heeft net in Leeds een nieuwe, grotere en modernere fabriek neergezet, waardoor Soest overbodig wordt, vrezen de werknemers. Dat leidt onder meer tot door de Industriebond FNV gesteunde stakingsacties, en de sluiting gaat niet door.
In 1989 wordt het bedrijf verkocht aan chemiereus DuPont de Nemours, dat het in 1997 weer overdoet aan het Belgische Agfa. Maar dan is de vestiging in Soest al een paar jaar gesloten. De Howson-vestiging in Leeds bestond nog wel, maar staat inmiddels ook op de nominatie voor sluiting, aldus een bericht van eigenaar Agfa in juni 2020.

Start van het bedrijvenwerk bij Howson Algraphy

Het bedrijvenwerk, zoals dat in die tijd heet, gaat bij Howson betrekkelijk laat van start: in 1980. De toenmalige vakbondsbestuurder van de Industriebond FNV ziet er wel wat in, en er zijn kaderleden die er ook wel aanwillen. Er valt het een en ander te winnen, inclusief het verhogen van de begin jaren ’80 amper 10% hoge organisatiegraad.

Ook al is Howson is Soest niet heel groot, ‘werknemersissues’ zijn er zat. Om er een paar uit die eerste helft van de jaren ’80 te noemen:

  • intimidatie, met name door een van de chefs op de kwaliteitsafdeling
  • een eenzijdig door de directie opgelegde veiligheidsregeling, waarbij de OR volledig wordt gepasseerd
  • tekortkomingen op het gebied van veilig en gezond werk
  • een eenzijdig door de directie opgelegde afschaffing van het premievrij pensioen, neerkomend op een loondaling van soms enkele honderden guldens per maand
  • en de toekomstonzekerheid: blijft deze fabriek open, of verkast eigenaar Vickers-Rolls Royce alles naar Leeds?

OR en BLG trekken gezamenlijk op

Met al die problemen kun je je geen gesteggel over gebiedsafbakening tussen OR en BLG, wat in die jaren nogal eens gebeurt, permitteren. Dus trekken ze vanaf het begin gezamenlijk op.

Het start met een OR-cursus, begin 1980, waar voorzitter en secretaris van de BLG volwaardig aan meedoen. In 1979 is de nieuwe Wet op de Ondernemingsraden van kracht geworden, die de OR aanzienlijk meer bevoegdheden geeft dan voorheen, en de OR duidelijk positioneert als vertegenwoordiging van de werknemersbelangen in het bedrijf. Vanaf het begin beseffen kaderleden in en buiten de OR van Howson, dat die nieuwe positie via een gezamenlijke aanpak van OR en BLG het best zal kunnen renderen.

Besloten wordt allereerst de eenzijdige afschaffing van het premievrij pensioen op te pakken: een onderwerp dat de mensen zeer raakt.

Druk op de ketel…samen met de achterban

De OR beseft al snel dat uitsluitend de juridische weg bewandelen niet zoveel zal opleveren, en besluit druk op de ketel te zetten door het organiseren van een personeelsvergadering in de kantine. Een overweldigend succes. Niet alleen de opkomst was massaal, niet alleen voelde de OR zich gesteund in zijn streven, maar vooral: werknemers realiseren zich op dat moment de kracht van gezamenlijk optreden. In eerste instantie gaat de directie niet overstag, maar omdat bond en OR vasthoudend zijn in hun koers van niet slechts voor maar vooral samen met werknemers opereren wordt het resultaat enige tijd later toch geboekt.

Een jaar of wat eerder heeft de OR wat dit betreft hard leergeld betaald. Het goedbedoelde streven van een OR-lid om via een gesprek met de directeur in zijn eentje een eind te maken aan de breed gevoelde intimidatie door een leidinggevende, eindigt met zijn eigen ontslag.

Als enige tijd later de dreiging van sluiting van het bedrijf acuut wordt, is het de Industriebond FNV die het voortouw neemt, resulterend in stakingsacties in november 1984.

De collega’s denken en doen mee

Overleg van kaderleden met een productieploeg bij Howson

Ook in andere opzichten opereren OR en BLG bij Howson inspirerend. De communicatie met de achterban verloopt niet uitsluitend via bulletins of BLG-krant. Regelmatig organiseren vakbondskaderleden kleinschalige kantinegesprekken met hun collega’s om te horen wat er leeft, en te bespreken wat daaraan gedaan zou kunnen worden. Ook middelen als enquêtes en interviews worden ingezet om de afstand tussen OR- en BLG-leden enerzijds en ‘achterban’ anderzijds klein te houden.

De kaderleden bij Howson benutten met hun aanpak ook een van de kansen die de grondlegger van het bedrijvenwerk in de metaal, Stan Poppe, vijftien jaar eerder zag: een vakbond die niet alleen als cao- en reorganisatiemachine functioneert, maar het hele terrein van de kwaliteit van de arbeid bestrijkt, en ook tussen de cao-rondes door weet in te spelen op wat leeft op de werkvloer.

Zelf aan de bak

Een nog jonge Henk Wijninga als vakbondsbestuurder bij Howson

Wat ook duidelijk wordt: ook al belijdt de Industriebond in de jaren ’80 het bedrijvenwerk, in de praktijk moeten, na het opdoeken van de aparte ‘bedrijvenwerkers’, de kaderleden vooral zelf aan de bak om vakbondswerk op de werkvloer overeind te trekken. De vakbondsbestuurders bij Howson zijn daar ‘te druk’ voor. Bovendien zijn ze niet gewend aan ‘opbouwwerk’, en hebben soms ook moeite met de mondigheid van kaderleden.

Zo krijgt de BLG bij Howson al snel ruzie met zijn toenmalige vakbondsbestuurder over een sociaal plan dat deze, zonder afstemming met de kadergroep, met de directie had gesloten. Dat plan wordt weggestemd, ook de bestuurder moet het veld ruimen. Daarna wordt Henk Wijninga aangesteld als bestuurder, en daar heeft de BLG tot en met 1986 goed mee samengewerkt.

Tot slot, en niet onbelangrijk voor de vakbeweging anno 2021: de organisatiegraad, die begin jaren ’80 bij Howson Algraphy amper 10% was, steeg in de 10 jaar daarna naar 40%.

 Jan Verhagen
januari 2021

Meer over de geschiedenis van het  ‘bedrijvenwerk’ van de vakbonden is te lezen op de website  ‘vakbondsverhalen’