Jongeren in de vakbeweging (1)
Bondsjongerenorganisaties door de jaren heen
Ook bij een oppervlakkige beschouwing blijkt de vakbeweging in Nederland (en daarbuiten) reeds vele tientallen jaren te worstelen met onvoldoende toestroom van jongeren. Al in de jaren ’80 van de 20e eeuw is de geringe aantrekkingskracht op jongeren een issue.[1]
De dreigende impact daarvan – geen jonge leden betekent: geen toekomst – heeft zich sinds die tijd vertaald in vele initiatieven om jongeren aan boord van de vakbeweging te krijgen en te houden.
Maar ook vóór 1980, toen jongeren nog wel in groten getale lid waren van de vakbond, kun je van ‘worstelen’ spreken. Vaak gaat het over de rol, de taken en de autonomie van vakbondsjongerenorganisaties, wat zich vertaalt in, soms felle, gevechten over organisatie, positie en macht.
In deze reeks ook speciale aandacht voor de naoorlogse jongerenorganisaties en jongereninitiatieven van de grote vakcentrales CNV, FNV, VCP (en hun voorlopers).
Het overzichtelijk in kaart brengen van vakbondsjongerenorganisaties is niet eenvoudig. Illustratief is de onduidelijkheid bij de FNV in de periode 1989-2010: welke jongerenorganisaties bestaan er, onder welke naam, en tot wanneer? Maar ook in 2022 wordt niet duidelijk of Alina Bijl sinds 2021 voorzitter is van FNV Jong, dan wel van FNV Young & United. Of van alle twee. Een journalist van Trouw weet het, eind 2021, ook niet meer en spreekt over ‘FNV Young’[2]
Bij de vroegere katholieke vakbeweging ligt de complexiteit onder meer in de ‘dubbelstructuur’ van vak- en (diocesane) standsorganisaties, vooral voor de oorlog. De vakorganisatie is bedoeld voor de directe belangenbehartiging, de standsorganisatie, met een belangrijke positie voor de geestelijkheid, beoogt ‘het scheppen van een nieuwe (corporatistische, JV) rechtsorde, waarin de arbeider als een volwaardig individu kan meedraaien’[3]. Een bijzonderheid in katholieke kring is ook de gescheiden organisatie van jonge mannen en vrouwen tot 1965.
De focus van de komende artikelen over vakbondsjongerenorganisaties ligt op de activiteiten van de vakcentrales, maar laat onverlet dat ook afzonderlijke bonden over eigen jongerenwerk, jongerenwerkers en jongerenorganen beschikken. Zo is Young & United, tegenwoordig onderdeel van de in 2015 ontstane ‘fusie-FNV’, van origine een initiatief van FNV Bondgenoten. Op sectorniveau werkt FNV Havens anno 2022 weer aan een eigen jongerenorganisatie: FNV (Haven) Youngsters. Verder is ‘Probeer de bond‘ onderdeel van CNV Vakmensen. En VCP Young Professionals lijkt een losse bundeling van diverse bij de VCP aangesloten sectorale (politie) of bedrijfsjongerenorganisaties (Rabobank).
Meermalen is ook sprake van een spanningsveld tussen sectoroverstijgende, aan de vakcentrales gelieerde jongerenorganisaties en de eigen jongerenactiviteiten van afzonderlijke bonden, hoewel die laatste misschien wel blij waren dat ze dit werk grotendeels aan de centrales konden overlaten.
Verleden tijd? De luxe van veel jonge vakbondsleden…
Nog in 1959 verkeert het NVV in een zeer comfortabele situatie: 55.000 leden zijn 21 jaar of jonger[4]. Ruim 11% van de in totaal 477.000 NVV-leden. De Katholieke Arbeiders Jeugd is in die jaren ook goed voor rond de 50.000 leden[5].
Kijk je naar leden jonger dan 25, dan kom je in 1964/65 bij het NVV op ruim 100.000 mensen. Ofwel: bijna 20% van de 526.000. En 2021? Het CBS telt 13.000 FNV-leden jonger dan 25 op een totaal van 915.000. Nog geen 1,5%…
Gaat het de andere vakcentrales beter? Niet echt. In het artikel over ‘de cijfers’ in deze reeks, zien we dat het CNV zo’n 3000 leden ‘onder de 25’ heeft, op een totaal van 225.000. Ook minder dan 1,5%. Bij de VCP lijken de aantallen te stabiliseren. Andere centrales zouden zelfs wel eens jaloers kunnen worden van 8000 leden, jonger dan 25 jaar op een totaal van 163.000. Dat is bijna 5%, en bovendien in aantal meer dan verdubbeld sinds 2014.
De statistieken van nu zijn niet 1-op-1 vergelijkbaar met die van de jaren ’50 en ’60. Fusies, zoals NKV en NVV in 1981, de groei en de andere samenstelling van de werkende bevolking, het speelt allemaal een rol bij het duiden en interpreteren van cijfers en percentages. Deels wordt dat in het artikel over ‘de cijfers’ uit de doeken gedaan, in een van de volgende artikelen zoomen we hier verder op in.
Kramp…
Spanningen tussen ‘oud’ en ‘jong’: het hoort er bij. Toch krijg je het gevoel dat de vakbeweging hier vrij krampachtig mee omgaat. Zeker in de naoorlogse jaren tot (grofweg) 1980, dus ruim voor het dalende aantal jonge leden de ‘alarmfase’ bereikt.
Bij de leiding van de vakbonden bestaat, vooral in de eerste tientallen jaren na de oorlog, de vrees dat een zelfstandig opererende jongerenorganisatie te zeer van de centrale koers zou kunnen afwijken, zich zou onttrekken aan hun controle, helemaal wanneer die jongerenorganisatie zich al te zeer met ‘vakbondszaken’ in de zin van ‘belangenbehartiging’ bezig zou gaan houden.
Het meest uitgesproken is dit merkbaar bij het naoorlogse NVV. In de woorden van Bloemen en Brug in ‘Toevallig jong’[7]: “…was het streven van het NVV erop gericht de werkende jeugd te doordringen van westerse beschaving (als tegenpool van het communisme – de koude oorlog woedt volop – JV) en idealen van de arbeidersbeweging. Voorkomen moest worden dat het jeugdwerk de ontevredenheid aanwakkerde. Daarom werd het bespreken van de sociale positie van jongeren steeds meer vermeden.[8]”
‘Jonge Strijd’, de jongerenorganisatie van het naoorlogse NVV moet zich daarom vooral beperken tot vormings- en culturele activiteiten, onder het toeziend oog van de ouderen. “Voorkomen moest worden dat dergelijke (jongeren-JV)organisaties zich verzelfstandigden en zich krities (…, JV) gingen opstellen tegen de organisaties en de maatschappij der volwassenen.[9]“
In de jaren ’60 verandert dat. NVV-Jongerencontact, en aan katholieke zijde de KWJ, staan op voor de belangen van werkende jongeren, met leuzen als ‘Jeugdloon is diefstal’ en acties tegen de in die jaren sterk groeiende jeugdwerkloosheid.
Ook de CNV-Jongeren doen dan mee: “Wat al eerder bij de KWJ gebeurde, vond nu plaats bij het NVV Jongerencontact en de CNV-jongeren. Van jeugdbeweging met de nadruk op gezelligheid, cultuur en geloof, gingen zij over naar de rol van belangenbehartiger.[10]“
De groei naar meer zelfstandigheid én toenemend radicalisme leidt regelmatig tot spanningen met de moederorganisaties NVV en NKV. Maar ook tussen vakbondsjongerenorganisaties onderling, met name tussen de sterk ‘vanuit de basis’ opererende KWJ en het veel ‘bravere’, centraal aangestuurde NVV-Jongerencontact.
Dat wordt kritiek in de tijd dat NKV en NVV zich opmaken voor het samengaan tot FNV.
Na meer dan 5 jaar onderhandelen, ruzie zoeken, bemiddelen, ziet in 1982 dan toch een FNV-jongerentak het licht: de ‘Jongerenbeweging verbonden met de FNV’…om amper 7 (moeizame) jaar later, in september 1989, weer te worden opgeheven.
Op 17 maart 1990 wordt toch weer een nieuwe organisatie, “FNV-Jongeren” opgericht. Onduidelijk is tot wanneer die bestaan heeft, vanaf 2006 spreken we over het jongerennetwerk ‘FNV Jong’.
Waarom aparte vakbondsjongerenorganisaties?
Daarvoor zijn in de loop der jaren heel verschillende redenen te noemen. Opvallend is dat tot eind jaren ’50 de vakbondsjongerenorganisaties vooral bedoeld lijken om tegenwicht te bieden tegen het ‘moreel verval’ en de ’toenemende losbandigheid’ van de jonge generaties. De vakbondsjongerenorganisatie moet werken als moreel kompas, daar komt het op neer.
De volwassenenorganisaties blijken onvoldoende toegerust voor die rol, vindt men, de specifiek hiertoe geschoolde ‘jongerenleiders’ kunnen hun werk beter uitoefenen in een aparte organisatie. Onder streng toezicht van de moederorganisatie, dat wel.
Belangenbehartiging gericht op jongeren is daaraan ondergeschikt.
In de jaren ’60 wordt het roer rigoureus omgegooid. Ook bij het NVV komt belangenbehartiging, met voorop de strijd rond het jeugdloon, centraal te staan. Voornaamste reden voor een aparte jongerenorganisatie is nu de – waarschijnlijk terechte – veronderstelling dat in het grote verband van de volwassenenbonden, de specifieke belangen van (werkende) jongeren zouden ondersneeuwen.
Vanaf de jaren ’80 komen weer andere motieven bovendrijven. Niet de noodzaak tegenwicht te bieden aan moreel verval, zoals in de jaren ’40 en ’50, niet de extra impuls aan belangenbehartiging, zoals in de jaren ’60 en ’70, leidt tot afzonderlijke vakbondsjongerenorganisaties. De keuze voor ‘apart organiseren’ wordt nu in de eerste plaats ingegeven door het streven om aansluiting te vinden bij de geïndividualiseerde perceptie op belangen en belangenbehartiging die jongeren in het bijzonder zouden kenmerken.
Doel is om de verbinding te herstellen met de leefwereld van jongeren, en om enige afstand te kunnen nemen van het vergrijsde, geïnstitutionaliseerde en collectivistische imago van vakcentrales en bonden.
- In volgende artikelen in deze serie zoomen we verder in op de veelheid aan vakbondsjongerenorganisaties na de Tweede Wereldoorlog
- Een (meer compleet) van voetnoten voorziene versie van dit artikel is als pdf te downloaden.
Jan Verhagen
februari 2022 – update oktober 2023
Voetnoten bij het webartikel:
[1] Vgl. een artikel in de NRC van 4 oktober 1982
[2] ‘Vakbeweging moet nieuwe wegen zoeken om jongeren te bereiken’ – Trouw 5 november 2021
[3] Jeroen Sprenger – ‘De geschiedenis van de rooms-katholieke arbeidersbeweging 1888-1914’, (pdf, blz.2)
[4] 55.000 ‘jeugdigen’ op 477.000 leden. Bron: Bloemen/ Brug – ‘Toevallig Jong’ (SUN 1982) – blz. 51
[5] Bert Breij – ‘Twee miljoen leden’ – uitg. VHV2008 – blz. 143
[bij de update in oktober 2023 is voetnoot 6 komen te vervallen]
[7] Wie de geschiedenis van ‘Jonge Strijd’ en ‘NVV-Jongerencontact’ in geuren en kleuren wil herbeleven, leze dit boekje van Erik Bloemen en Luuk Brug (‘Toevallig Jong’ – Nijmegen 1982). Het lijkt er op dat ik het laatste exemplaar via het Antiquariaat van de ‘Canon Sociaal Werk Nederland’ heb bemachtigd, maar wellicht is het via bibliotheek of IISG nog verkrijgbaar.
[8] ‘Toevallig Jong’- blz.18
[9] ‘Toevallig Jong – blz.21
[10] “Eerste grote actie werkende jongeren”, webartikel op vakbondshistorie.nl
