Het geheugen van de vakbeweging

Kantoor van de FWZ aan de Heemraadssingel in Rotterdam


Herinneringen van Kees Marges – 08

Retourtje Rotterdam-Utrecht

Met terechte trots kondigde Jan Schröer, voorzitter van de Vervoersbond NKV, op 17 mei 1974 de eerste federatie van NVV en NKV Vervoersbonden plus de zeeliedenbond FWZ aan. We gingen formeel op 1 juli 1974 van start. Andere bonden zouden volgen, daar was iedereen van overtuigd. Het was de eerste stap op weg naar wat uiteindelijk de ongedeelde FNV had moeten worden. Alhoewel dat niet in de plannen was opgenomen, wel in de hoofden van sommigen. Eerst maar eens proberen of een federatie stand kon houden.

Voor mij en Piet Trommel betekende het een verandering van werkplaats. Van de Heemraadssingel in Rotterdam, het kantoor van de FWZ, naar de Goeman Borgesiuslaan in Utrecht, waar de Vervoersfederatie haar kantoor zou hebben. We kregen een ondersteunende rol van de FWZ bestuursleden. Alhoewel mijn reistijd met het openbaar vervoer aanzienlijk toenam, vond ik deze overplaatsing naar het kantoor van een echte vakbond, zoals ik in mijn gevoel deze verandering toch beoordeelde, een mooi en nieuw avontuur. Het was wennen ineens zoveel collega’s er bij te krijgen, maar het beviel me wel.

Grote hobbels

Kantoor Vervoersbond FNV aan de Utrechtse Goeman Borgesiuslaan: … de overplaatsing naar het kantoor van een echte vakbond betekende een mooi en nieuw avontuur…

Ooit was een eerdere samenwerking van deze drie bonden plus nog twee op religie gebaseerde bonden, zoals de CNV Vervoersbond, mislukt. Dat was een nog lichtere samenwerkingsvorm dan een federatie, maar die hield geen stand. Ook deze federatie van de drie bonden zou nog voor grote hobbels komen te staan, want qua mentaliteit, maatschappijopvatting en werkwijze liepen deze bonden sterk uiteen. De FWZ was een heel andere bond dan de andere twee. Bij sommigen in de FWZ zat toch altijd nog meer dan een vleugje haat in de richting van die rooie NVV, met name bij de ex-bestuurders van de Vereniging van Nederlandse Koopvaardij Officieren VNKO. Deze, als anti-NVV-bond opgericht in 1960, was in 1970 gefuseerd met de NVV-bond Centrale van Koopvaardij Officieren, CKO. Uit die fusie was de VKO ontstaan.

Wat voor de FWZ bestuurders ook nieuw zou zijn, was de betrokkenheid van leden en vooral kaderleden bij de beleidsvoorbereiding en uitvoering daarvan. De enige betrokkenheid van leden was tijdens de Algemene Leden Vergaderingen, eens per jaar. Dan konden de leden, die nauwelijks geïnformeerd waren, het gevoerde en het toekomstige beleid goedkeuren en vaststellen. We hadden wel kernleden. Dat waren leden die extra ‘informatie’ kregen via het Kernbulletin.

Er waren afspraken gemaakt over de verdeling van de functies op bestuurlijk niveau. Jan Schroër werd voorzitter, de secretaris van de Vervoersbond NVV Andries de Bruin werd de Algemeen Secretaris en Aad Rook, de penningmeester van de FWZ werd de penningmeester van de federatie. En met name over die functie bleek onenigheid te zijn en te blijven. Er was nog een andere kaper op de kust voor die functie, bleek mij later. Ook was er afgesproken dat de bonden een groot deel van hun eigen zelfstandigheid behielden inclusief de interne democratie. Maar dat was moeilijk te handhaven, wilde je de Federatie als een goede en effectieve organisatie kunnen leiden. Want dat was toch een van de redenen om federatief te gaan samenwerken. En als er vanaf het begin toch enig wantrouwen bestaat, hoe kun je dan van totaal verschillende vakbondstradities en culturen, stijlen van werken en opvattingen over vakbondsdemocratie een federatieve stijl, cultuur en interne democratie maken? Uiteindelijk klapte het. Na een jaar proberen besloot de FWZ er uit te stappen. Dat werd op 29 april 1975 bekend gemaakt.

Autoregeling

… er waren afspraken gemaakt over de verdeling van de functies op bestuurlijk niveau: Jan Schroër werd voorzitter, de secretaris van de Vervoersbond NVV Andries de Bruin werd de Algemeen Secretaris en Aad Rook, de penningmeester van de FWZ werd de penningmeester…

Bij dat besluit waren wij, medewerkers van de FWZ, nooit betrokken geweest. De FWZ bestuurders waren niet gewend dat zoveel anderen, en niet alleen op bestuurdersniveau, bij de beleidsvorming en vaststelling daarvan betrokken moesten worden. En dat ze over allerlei andere zaken verantwoording af moesten leggen. Ik kreeg de indruk dat ook het verschil in salarissen en andere ‘rechtspositionele voorwaarden’, zoals de autoregeling, punten van herhaalde discussie en toenemende irritatie vormden.

We gingen dus terug naar Rotterdam. Voor mij gaf dat het gevoel alsof ik weer terug mijn hok in moest. Terug naar ons beperkte zicht op wat vakbeweging is, wat het zou moeten zijn en hoe dat mogelijk moest worden gemaakt. Terug naar de eveneens zeer traditionele en conservatieve werkgevers, die geen echte inspraak van vakbonden duldden op besluiten of reorganisaties en fusies. Terug naar een bond die daar nooit doorheen zou kunnen breken, omdat ze daartoe geen macht wilde of kon opbouwen. En terug naar een vakbond met kernleden en vooral geen kaderleden. Kernleden-FWZ-stijl zijn passief, kaderleden actief in de interne verenigingsdemocratie. Ze spelen een rol bij de voorlichting en motivatie van de andere leden. Ze vertegenwoordigen de bond zelfs in bepaalde omstandigheden. En dat was een van die verschillen in stijl en interne democratie die op elkaar hadden moeten worden afgestemd. Dat zou dus nooit zijn gelukt. Dus pakte de FWZ bestuurders hun biezen, ik ook dus, verlieten het gevaarlijke Utrecht en keerden terug naar hun veilige kantoor in Rotterdam, waar ze het zelf voor het zeggen hadden.

De begeleiding van onze leden in de ondernemingsraden ging redelijk goed. Er kwamen steeds meer OR’en en ik kreeg steeds meer verzoeken op de cursussen, die al die nieuwe OR’en waren gaan volgen, de visie van de FWZ op de OR te komen geven. Als bond hadden we daar niet echt een eigen bondsvisie voor ontwikkeld, dus gaf ik de visie van het NVV maar. De OR’en kregen ook steeds meer behoefte aan voor OR-leden relevante informatie. Dus had ik daarvoor een speciaal Info-OR bulletin opgezet. Geproduceerd op een stencil en per post verstuurd naar de waladressen van onze OR-leden. En uiteraard naar de secretariaten van de OR’en, waar permanent een zeevarend OR-lid ‘de wacht’ hield. Hij stuurde het bulletin dan weer verder, soms met de bedrijfspost rechtstreeks en snel naar de schepen. Ik stuurde het bulletin ook per fax naar verschillende zeemanshuizen, zodat het ook leesbaar was voor de zeelieden die daar langs gingen. Al met al had ik een heel communicatienetwerk met OR-leden opgezet, schriftelijk en verbaal. Ze lieten regelmatig blijken dat op prijs te stellen.

Na een tijdje hadden we onze oude plekken en gewoontes terug gevonden. Evenals ons gezapige ritme en gemakkelijke vakbondsleventje. Ik besefte dat als ik niets deed, alles bij het oude zou blijven en we nooit een echte vakbond zouden worden. Sterker, sommige ontwikkelingen werden teruggedraaid. Het informatie bulletin dat ik voor OR-leden had opgetuigd, werd plotseling zonder enig overleg met mij opgeheven, omdat het te veel van mijn tijd zou kosten. Mijn informatie kon makkelijk in het Kernbulletin dat voor alle kernleden en belangstellenden werd gemaakt en verzonden. Dus moest ik het toch schrijven. Ik beschouwde deze manoeuvre van het bestuur als een uitdaging om te proberen iets van mijn visie op vakbondswerk, ook in de koopvaardij, gestalte te geven. Want dat dat een andere visie was, hadden we allemaal in de periode dat we in Utrecht meedraaiden wel kunnen merken.

Saai en nietszeggend

De kern van dat verschil was volgens mij dat wij als vakbond niet alleen moeten ijveren voor betere arbeidsvoorwaarden, zoals in de cao worden vermeld, maar dat we ook een maatschappelijke taak hebben om onze leden te helpen zich er van bewust te worden hoe de samenleving vanuit werknemersperspectief in elkaar zit, met name wie de macht in de ondernemingen in handen hebben en de fundamentele en strategische beslissingen nemen. En dat bewustmaken van de leden, zou moeten beginnen bij de OR-leden, die nog het meest leken op echte kaderleden. Het bestuur en misschien wel de meerderheid van mijn collega’s zagen dat anders. Ik moet erkennen, dat mijn opvatting ook niet overeenkwam met de opvatting van de meeste van onze VKO-leden, de officieren dus. De vraag of ik dan niet tegen de wens van de meerderheid van de leden in wilde gaan, is terecht. Maar dan moeten die leden ook niet steeds klagen, dat de bond niets voor ze doet en dat die reders zulke boeven zijn.

Dus ben ik om te beginnen de discussie aangegaan over onze communicatie met en voorlichting van onze leden. En vooral de OR-leden die we bij verschillende rederijen inmiddels hadden. Ik noemde onze twee bijna identieke maandbladen ‘Journaal’ voor de officieren van de grote vaart van de VKO en ‘Peiling’ van de AVZ, voor de rest van onze zeevarenden, saai en nietszeggend. De bladen mochten vooral geen controversiële onderwerpen bevatten. Alles wat een beetje links klonk of rood kleurde was bij voorbaat controversieel. Verwijzingen naar het NVV werden bijna altijd geschrapt. Dat gold ook voor ons kernbulletin. Alle teksten moesten eerst gescreend worden door onze Algemeen Secretaris en die was afkomstig van de VNKO. Als hij iets veranderde in de teksten die de assistenten van de bestuurders, zoals de plaatsvervangend secretarissen of andere collega’s, hadden ingebracht, dan merkten we dat meestal pas als de tekst in het maandblad of kernbulletin verscheen. Als het al werd opgenomen, wat we pas te weten kwamen als we het blad of het bulletin er op na konden slaan. Ik stelde dat in een discussiestuk aan de orde, maar dat werd genegeerd.

Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat ik zo ongeveer in m’n eentje probeerde een berg te verzetten. En dat me dat toch niet zou lukken. Mij daarbij neerleggen en de rest van mijn vakbondsleven alleen maar ja te mogen knikken tegen mijn meerderen en tegen de reders, met zo nu en dan wat gemopper in de richting van de reders, leek me niet aantrekkelijk en paste ook niet bij mij. Zelfs niet met het vooruitzicht dat ik te zijner tijd zelf ook zo’n mooi baantje met een aantrekkelijk salaris en een mooie auto zou kunnen krijgen. Want als je braaf was, maakte je automatisch promotie. Dus ging ik maar eens op zoek naar een vacature bij een andere bond. Bij Druk en Papier was toen een vacature voor een bestuurder, die, werd me verteld, ook de belangen van de Telegraafwerknemers moest gaan behartigen. Dat leek me wel wat. Of dat echt zo concreet was, vroeg ik me wel af, maar ik solliciteerde toch bij Druk en Papier. Ik was wel zo fatsoenlijk kort daarvoor of na het versturen van mijn sollicitatiebrief, het bestuur van de FWZ te vertellen, dat mijn opvattingen over wat een vakbond zou moeten zijn, zoveel verschilden van de opvattingen van het bestuur, dat ik buiten de FWZ, maar binnen de vakbeweging, ging zoeken naar een functie van bestuurder. Toen ik weliswaar tot de laatste twee doorgedrongen was, maar die ander toch de voorkeur kreeg, verzocht het bestuur van de FWZ mij mijn mondelinge ontslagaankondiging op papier te zetten, wat ik toen per brief van 21 september 1975 heb gedaan. Met mijn motivatie er bij. De penningmeester, die PZ beleid erbij deed, vertelde mij dat ook het bestuur met mij meezocht en mij zou helpen een mooi baantje te krijgen. Later bleek dat ze dat niet werkelijk deden, behalve de kranten nakijken of er iets was, wat zij mij konden aanbieden. Vooral buiten de vakbeweging.

Ongezellig

Ik kreeg nog de kans mijn ontslag toe te lichten bij het onbezoldigd hoofdbestuur. Ik heb daar uiteraard gebruik van gemaakt, maar wist al bij voorbaat dat mijn opvattingen over wat de vakbond voor zeelieden, ook officieren, zou moeten doen, geen weerklank zou vinden. Dat klopte ook, maar ik was wel tevreden dat ik iets had kunnen zeggen over wat ik vond wat een bond zou moeten zijn en maar niet de moeite nam alles in detail ter discussie te stellen. Ik was klaar met de kapiteins en officieren van de koopvaardij. Het werd daarna nog wat ongezellig, omdat ik niet snel genoeg kon vertrekken.

Op een maandagochtend, toen het voltallige bestuur zijn traditionele wekelijkse sportochtend op een sportschool afsloot met een kopje koffie in de kamer van de voorzitter, werd ik naar die kamer geroepen. Ik kreeg een voor mij bekend verhaaltje te horen hoe moeilijk het was iemand, die het zo duidelijk oneens was met het beleid, nog langer aan het werk te laten, tot de opzegtermijn zou aflopen ergens in februari. Ik kreeg toen een half uur om mijn privé spullen te pakken en de sleutel van het gebouw in te leveren. Ik mocht daarna niet meer in het gebouw komen. Ik had er op zichzelf wel begrip voor dat het merkwaardig overkomt, iemand aan het werk te houden, van wie iedereen weet dat hij een deel van het beleid om zeer principiële redenen niet ondersteunt. Maar, om dan zo abrupt iemand waar je toch een aantal jaren goed mee hebt samengewerkt op die manier de deur te wijzen, vond ik tekenend voor de mentaliteit van het toenmalige bestuur. Er werden daarna nog wat verhalen en leugens over mij rondgestuurd, geheel overbodig, want ik was toch al weg. Ik kreeg overigens wel veel steun betuigingen van leden en OR leden.

 

Kees Marges

Februari 2021

Kees Marges, auteur van deze Herinneringen

Dit is het achtste verhaal in de serie van Herinneringen van Kees Marges.
Eerdere verhalen zijn: