Het geheugen van de vakbeweging

Dinsdag vertrok met het motormailschip “Marnix van St. Aldegonde” naar Indië de delegatie van het Ned. Verbond van Vakvereenigingen, bestaande uit den voorzitter van het NVV den heer E. Kupers, lid der Tweede Kamer, en de Verbondsbestuurders P. Danz, voorzitter Alg. Ned. Metaalbewerkersbond en P. Moltmaker, Ned. Ver. Van Spoor- en Tramwegpersoneel, beiden lid der Eerste Kamer. (Bron: Bron: Provinciale Noord-Brabantsche en ’s Hertogenbosche Courant – 22 april 1931)

De Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en de Nederlandse vakbeweging

2 – “Aanhangwagentje” van de partij

De PvdA en Indonesië

Over de Indonesië-politiek van de PvdA in de periode 1945-49 is intussen zoveel geschreven dat met recht kan worden geconcludeerd dat iedere geïnteresseerde weet dat er van een ferme, klare lijn geen sprake was. De voorzitter van het NVV, Evert Kupers, was een vooraanstaand man in de partij, één van de belangrijkste woordvoerders in de Tweede Kamer op sociaaleconomisch terrein, maar ook Indonesië-specialist. Hij is een tijdlang voorzitter geweest van de Koloniale Commissie, zijn mening over dit dossier deed er toe, al moet daarbij worden aangetekend dat de Commissie maar beperkte invloed had binnen de partij. Ook andere NVV’ers zijn in die tijd partijprominenten. Zij delen Kupers’ opvattingen.

Indonesië” was een heel moeilijk thema voor de PvdA. De meningen liepen sterk uiteen. Dit dossier was ook het allerlaatste waarover vlak voor de oprichting van de partij in februari 1946 nog, met veel moeite, overeenstemming werd bereikt. Het onvoorwaardelijk recht op zelfstandigheid van Indonesië, waar NVV en SDAP sinds 1930 steeds voor hadden gestaan, was al in 1944 uit het oude program geschrapt en nu moest er nog meer water bij de wijn. De partij raakte hopeloos verdeeld over de koloniale politiek, zozeer dat het Indonesische Tweede Kamerlid Nico Palar ernstig afried om in het openbaar op een Congres over de problemen te discussiëren, dat zou immers een rampzalige vertoning worden.

Later, na de stemmingen in het parlement over de “politionele acties”, vertrok een flink aantal prominenten (waaronder Kamerleden en partijbestuurders) en “gewone” leden, uit protest tegen het instemmen met het gebruik van geweld. Zo was het toch niet afgesproken? De partij zou toch, als alles verder geprobeerd was en niets gelukt, inzetten op een internationale diplomatieke oplossing? Hoe kon dit nu? Het kon. Het was een prijs die Willem Drees aan premier Louis Beel (KVP) moest betalen.

Het NVV en Indonesië

In de opvattingen van het NVV zat behalve het recht op onafhankelijkheid van Indonesië, ook een aantal kernpunten die je niet als zodanig tegenkwam in het oude Koloniale Program van de SDAP en nu ook niet in het nieuwe Indonesië Program van de PvdA. Zoals de opvatting dat de vakbeweging een onmisbaar instrument is voor het Indonesische volk om zijn onafhankelijkheid mee te bevechten en vorm te geven en dat die dus ook de ruimte moet krijgen. Dat was met de Indonesische collega’s uitvoerig besproken, zoals ook de erkenning dat de opvattingen die men in het NVV had over vakbondswerk, best eens niet allemaal en altijd bruikbaar konden zijn in Indonesië. Ik denk dat een meerderheid in de partijorganen even weinig boodschap had aan dit soort dingen, of zelfs nog minder, als aan dat principiële onverkorte recht op onafhankelijkheid. Het zal de NVV’ers weinig plezier gedaan hebben dat te merken, maar veel lawaai lijken ze er niet over te hebben gemaakt. Er hebben zo pal na de oorlog voor velen belangrijker dingen dichter bij hun bed gelegen.

Hoe Kupers en zijn NVV-collega’s zich precies in de moeizame SDAP / PvdA-discussies over dekolonisatie geweerd hebben tijdens het traject naar de souvereiniteitsoverdracht tussen 1945 en 1950, is niet duidelijk. Zeker lijkt wel dat ze tegen het gebruik van militair geweld waren en tegen de inzet van het leger hebben gestemd. Maar niets valt uit te sluiten.

Kupers’ tweede reis naar de Oost

Nico Vijlbrief , voorzitter ABVA, Eerste Kamerlid voor PvdA

In mei 1947, kort voor de eerste “politionele actie” is Kupers opnieuw naar Indonesië gereisd, nu als afgevaardigde van het Wereldvakverbond (WVV) en samen met NVV bondssecretaris Ko Suurhoff en Nico Vijlbrief, voorzitter van de ABVA, de Ambtenarenbond van het NVV. Op Java spraken zij voorafgaande aan, en tijdens, het eerste congres van de Indonesische vakcentrale, de SOBSI, met hun leiders.

Die vroegen hen met klem of ze druk wilden zetten op de Nederlandse regering om haar beleid, dat regelrecht leek aan te sturen op een militaire interventie, te wijzigen. Kupers: “We doen niet anders, we hebben ze eenmaal en andermaal van de gerechtvaardigdheid van jullie eisen pogen te overtuigen, en de publieke opinie ook, maar het spijt ons zeer collega’s, we komen er niet doorheen. Maar één ding: staken om troepenzendingen naar Indonesië tegen te houden – daar kunnen we helaas niet aan beginnen. (“Helaas”, schijnt hij inderdaad gezegd te hebben). “Als we dat gedaan hadden, dan was het volstrekte chaos in het land geworden. De regering zou ongetwijfeld militairen ingezet hebben om de troepentransportschepen toch te laten afvaren en er zou een koloniale oorlog zijn ontbrand die zowel voor jullie als voor ons nadelig zou zijn. Juist daarom zijn wij nu naar jullie congres gekomen om te overleggen over hoe het nu verder moet.”


De SOBSI vond overigens dat dit overleg met de NVV’ers ging over “
een gezamenlijk programma tegen het imperialisme” en de NVV-delegatie sprak dat niet tegen. Het waren niet helemaal, en misschien ook absoluut geen, praatjes voor de vaak die het NVV hier afstak. Een paar weken eerder had de politie in Amsterdam met scherp geschoten op een grote, door de CPN georganiseerde, demonstratie tegen troepenzendingen naar Indonesië. Daarbij was onder andere een dode gevallen.

Soekarno (nu President van de Republik Indonesia) sprak op dit SOBSI-Congres over het grote belang van vakbondsvrijheden. Hij zei verder dat er geen tegenstellingen gebleken waren tussen de Republikeinse regering en de arbeidersklasse, die een bewust aandeel in de strijd had. Blijkbaar was er goede reden om dit soort dingen te zeggen. Voor de PKI-gezinden onder de aanwezigen was ongetwijfeld in het bijzonder de zinsnede bedoeld dat buitenlandse investeringen noodzakelijk waren voor de wederopbouw van het land. ‘Dat verdient de volle aandacht van de arbeidersklasse’. Maar niet tot het genoegen van het PKI-contingent onder de deelnemers aan het congres.

De EVC

Berend Blokzijl was er ook, de voorzitter van de EVC. Hij hekelde de troepenzendingen en stelde dat deze inzet van het leger door de VS werd gefinancierd. ‘Als dit zo doorgaat, dan zal Nederland al gauw een kolonie van Amerika zijn. Dat de troepen zijn verstuurd alleen om rust en orde te bewaren is onzin – wij weten wel beter.’ Hij riep de Indonesische kameraden op om hun strijdlust niet te verliezen. De Nederlandse arbeidersbeweging sympathiseert niet alleen met jullie maar wil ook samenwerken tot de overwinning is behaald. ‘Jullie Merdeka is onze vrijheid, onze vrijheid is jullie Merdeka’.

Blokzijl zei, dat hij in Nederland een algemene staking zou organiseren, indien de Nederlanders de besprekingen met de Indonesiërs niet op vreedzame wijze wisten te beëindigen. Hij zal de SOBSI-leiders ook wel gezegd hebben dat zijn organisatie wel degelijk eerder had willen staken tegen de troepentransporten, maar dat het NVV ze lelijk had laten zitten. Dat de politieke vrienden van de EVC, de CPN, helaas niet in de regering zaten en dat het anders vast en zeker een stuk beter had uitgepakt.

Ter vergelijking: Frankrijk en Vietnam

Hoewel? Als hij dat gezegd had, dan had hij eigenlijk toch ook moeten uitleggen dat de Franse regering, waar wél communistische ministers in zaten, in Indo-China Ho Chi Minh te pakken genomen had toen die, vlak na Soekarno en Hatta, de onafhankelijkheid van zijn eigen land had geproclameerd. Ongeveer zoals zij dat hadden gedaan. En ook, hoe de Franse regering zeer hardhandig orde op zaken was gaan stellen, en daar ten koste van heel veel slachtoffers nu – in mei 1947, nog steeds mee bezig was.

Hij heeft dat laatste ongetwijfeld niet gezegd en de begripvolle PKI-kameraden in de SOBSI zouden hem denkelijk ook geen vervelende vragen gesteld hebben als hij dat wel gedaan had. Hoe was dat nou toch mogelijk, die slachtpartijen met die communistische ministers in het kabinet? En weten jullie van de EVC, wat de CGT ervan vindt? Wat vinden jullie daarvan?

De EVC, die tot begin 1947 wel steeds herkenbaar was als geestverwant van de CPN, had zich tot dan toe toch ook weer niet helemaal als aanhangwagentje van de partij gedragen. Maar dat werd anders toen in het voorjaar van 1947 de verhoopte fusie met het NVV niet doorging. Van toen af zat er geen licht meer tussen wat de EVC te melden had en wat de CPN zei. Er werd ootmoedig boete gedaan bij de partijleiding voor de “fouten” die men eerder in het beleid gemaakt had op momenten waarop er eens net een beetje te ver uit het wagentje geleund was.

Willem Drees, PvdA, minister-president van 1948-1958
Louis Beel, KVP, minister-president van 1946-1948

De confessionele vakcentrales

Over de KAB en het CNV als aanhangwagentjes, aanhobbelend achter respectievelijk KVP en ARP / CHU, valt niet zoveel te zeggen. Evenmin als over de volgende punten van kritiek op de vakbeweging die in verband met hun activiteiten op weg naar de Souvereiniteitsoverdracht hieronder nog ter sprake zouden kunnen komen. De leden van de bonden van deze vakcentrales hadden namelijk in juli 1947 van hun leiders te horen gekregen dat wat er in Indië gebeurde een politieke kwestie was. Vakorganisaties stonden daarbuiten. Dus collega’s: blijf uit de buurt van onruststokers. Als er wordt opgeroepen tot stakingen, dan doen KAB en CNV daar onder geen enkele omstandigheid aan mee. Onder geen beding dus het werk neerleggen!

Aanhangwagentjes, dus toch?

Louter kijkend naar de feiten die destijds uit de – voor een belangrijk deel interne – debatten zijn komen rollen kan niet anders geconcludeerd worden dan dat zowel het NVV als de EVC “hun” partijleiding gevolgd zijn waar het de houding van de Nederlandse regering tegenover de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd betrof. Gezien de verhoudingen van die tijd zou je ook eigenlijk niet anders verwachten. Het NVV lijkt meer moeite gehad te hebben om zich naar de partijlijn te voegen dan de EVC, waarvan de afwijkingen – beetje voorzichtiger, beetje milder – tot voorjaar 1947 vooral tactisch gemotiveerd lijken. Maar met hoeveel inzet en onverzettelijkheid Kupers en de zijnen hun eigen opvattingen misschien verdedigd hebben tegen de meerderheidsstandpunten in de partij, valt moeilijk te zeggen. Enkele leden van de Indonesië-, later Oost-West Commissie waar Kupers dichtbij stond, hielden het voor gezien toen de Tweede Kamer voor interventie stemde. Dat zegt genoeg. Dat hij toen zelf ook niet opstapte uit de partij lag, denk ik, vooral aan zijn gevoel van verantwoordelijkheid voor de taak waarvoor hij als vakbondsman verkozen was. Het had de bond weinig goed gedaan als de voorzitter van het NVV op dat moment de PvdA de rug had toegekeerd. Als de stemming in de Tweede Kamer was uitgelopen op een nederlaag voor de regering had het er voor de PvdA somber uitgezien; electoraal had zij de wind toch al niet mee.

De neerbuigende “aanhangwagentjes-kritiek” is dus terecht, al zou de beslissing niet anders uitgevallen zijn voor de huidige vakbondsgeneratie als ze destijds met NVV-schoenen in de PvdA gestaan had. Tandenknarsend, dat wel.

Veel geschreeuw en slappe knieën

De PvdA verdeeld

Toen het aankwam op knopen doorhakken bij de besluitvorming in de PvdA over een kabinetsbesluit over het zenden van troepen bleek een meerderheid in de top van de partij-hiërarchie dus voor militair ingrijpen. Dat ging met nogal wat breuk gepaard. Onder de mensen die in 1947 de partij abrupt verlieten was de eerder genoemde Nico Palar, een Indonesische nationalist die al jaren in Nederland woonde, die met Evert Kupers samen een drijvende kracht geweest was in de Koloniale, later Indonesië Commissie en die net als hij lid van de Tweede Kamer was. Palar was, een van de weinigen in de PvdA-top die affiniteit had met de vakbeweging. Voor SDAP en NVV had hij in 1933 een studiereis naar zijn vaderland gemaakt om daar onder andere voor het NVV de vakbeweging te bestuderen en daar een serie van elf artikelen over te schrijven in De Vakbeweging. In 1947 vertrok hij, bitter teleurgesteld, uit Nederland. Al in de jaren voor de Souvereiniteitsoverdracht begon hij aan een diplomatieke carrière waarin hij onder andere ambassadeur voor Indonesië werd bij de Verenigde Naties.

Hoe dan ook: een massale politieke staking tegen dit besluit, waartoe de CPN opriep, dat zag de NVV-leiding niet zitten. Hoe de discussie in het Verbondsbestuur precies gelopen is, is niet bekend, maar die is ongetwijfeld uitgekomen op een duidelijk “nee”. En toen sloeg het uur van de ferme taal en de slappe knieën.

Coen van der Lende in de Markthallen

Coen van der Lende, secretaris van het NVV van 1929 tot 1949

Dat was op zaterdag 2 februari 1946, dus ruim voordat het kabinet Beel/Drees besloot oorlog te gaan voeren, maar de emoties over de dreiging liepen al behoorlijk op. Op een massale bijeenkomst in de Markthallen aan de Kostverlorenkade in Amsterdam sprak onder anderen NVV Verbondssecretaris Coen van der Lende. En die pakte daar voor zo’n 20.000 mensen toch eventjes uit: ‘Als de reactie in dit land tot wapengeweld tegen Indonesië provoceert zal het NVV zijn taak verstaan. Dan mogen onze Indonesische vrienden de verzekering aanvaarden … Dan gaat de arbeid stop en geen macht zal ons tegenhouden!’

Er kan aan worden getwijfeld of dat de tekst was die hij van plan was geweest daar uit te spreken. De positie van het Verbondsbestuur kwam neer op wat twee weken later verklaard werd, namelijk dat het NVV van mening was dat een oplossing alleen door overleg en door overleg alleen bereikt kon worden. Vermoedelijk heeft Van der Lende zich laten meeslepen door de sentimenten die door de zaal gierden. Zeker is in elk geval dat toen de troepen en wapens daadwerkelijk vertrokken naar Indië, het NVV niet staakte. “Helaas”, moest Kupers dus ruim een jaar later op Java beteuterd tegen zijn Indonesische collega’s zeggen. Van der Lende’s dreigement werd hem en het NVV in de maanden daarvoor tot vervelens toe door CPN en EVC nagedragen. Hij zou er ook later nog meermalen aan herinnerd worden. Het NVV heeft voor zover bekend nooit boete gedaan heeft voor deze “fout”.

Wel heeft Kupers, bij diezelfde gelegenheid waarbij Blokzijl aan de SOBSI beloofde dat “wij” in Nederland “een tweede front zouden openen” als de regering naar de wapens zou grijpen, hem scherp gecorrigeerd en gezegd dat er helemaal geen “wij” was waar het NVV bij hoorde. En de aanwezigen gewaarschuwd op dit punt niet al te veel van de spreker te verwachten, gezien de “water-en-melk”-resolutie van de EVC waar deze belofte van Blokzijl op steunde. Een onversneden jij-bak van de NVV-voorzitter dus; ‘Zo, dit wordt dus jullie soort slappe knieën-politiek”, zal hij bedoeld hebben.


Zo’n uitglijder als van Van der Lende kan gebeuren. Niets om trots op te zijn. Maar op dit punt hebben de criticasters natuurlijk volkomen gelijk.

De vrome wens van Ko Suurhoff

Ko Suurhoff, vice-voorzitter van het NVV (1949-1952)

Vlak na dat SOBSI-Congres in mei 1947 vergiste Ko Suurhoff zich trouwens even jammerlijk als Van der Lende dat eerder gedaan had in de Markthallen. Hij sprak op een vakbondsvergadering in Garut (Java) en meende daar de emotionele wens te kunnen uiten dat ‘voor de eerste maal in de geschiedenis de bevrijding van een koloniaal volk zonder geweld tot stand zal worden gebracht.’

Dat was onder de toch al geruime tijd heersende onzekere en vaak gewelddadige omstandigheden in Indonesië al een wonderlijke uitspraak, maar die 23ste mei bleek later vlak voor de eerste “politionele actie” te zijn gedaan. Hij is, voor zover bekend, nooit door iemand aan die even vrome als naïeve wens herinnerd; anders dan verwijzingen naar Van der Lende’s hartekreet, zijn die nergens te vinden.

Tom Etty

December 2024

Ga naar:

Deel 1 –  Geen verzet, weinig begrip en sympathie 

Deel 2 – “Aanhangwagentje” van de partij

Deel 3 – Boodschappen jongen van de regering

Zie ook:
Dick de Graaf, Koloniale erfenis en de vakbeweging