Het geheugen van de vakbeweging

NVV-delegatie naar Nederlands-Indië – De aankomst van leiders van de Nederlandse vakbond in Tandjong Priok. Vlnr Kupers, Asih Nategaw, Moltmaker, Agus Salem en Dantz – Bron: Haagsche Courant 8 juni 1931

De Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en de Nederlandse vakbeweging

1 – Geen verzet, weinig begrip en sympathie 

Proloog

Bij alle aandacht die er op 27 december 2024 waarschijnlijk geschonken gaat worden aan de Souvereiniteitsoverdracht in 1949 van Nederland aan de Republik Indonesia Serikat zal er naar ik verwacht weinig gezegd en geschreven worden over de rol die de vakbeweging speelde in het proces dat uiteindelijk tot die uitkomst leidde. Een erg tot de verbeelding sprekende rol is het dan ook niet geweest. Toch was er destijds wel het nodige om te doen, genoeg voor historici, journalisten en opiniemakers om er later hun zegje over te doen. Dat zegje was hier en daar trouwens niet mals, soms welverdiend. Misschien dus toch voldoende reden om bij deze gelegenheid in eigen kring nog eens naar die rol te kijken.

1945-1950 in vogelvlucht

De gang van zaken tussen 1945 en 1950 is bij velen bekend genoeg en wie het allemaal niet of niet goed genoeg meer weet kan gemakkelijk even op Google of bij Delpher kijken: de rede van Koningin Wilhelmina in 1942 over zelfbeschikking voor de kolonie na de oorlog, de onrust en het geweld daarginds na de Japanse bezetting en capitulatie, de Proclamatie van de Republik Indonesia door Soekarno en Hatta in Batavia in augustus 1945, de onderhandelingspogingen met de Indonesische nationalisten, het voortdurende geweld in de kolonie, het akkoord van Linggadjati, de troepenzendingen, de eerste “politionele actie” van zomer 1947, internationale interventie, in de winter van 1948/49 de tweede “politionele actie”, opnieuw internationaal ingrijpen, de Ronde Tafel Conferentie van eind 1949, en de Souvereiniteitsoverdracht tenslotte in Amsterdam en Djakarta op 27 december van dat jaar.

De vakcentrales politiek gebonden

NVV, KAB, CNV en EVC zullen de uitspraak van Hare Majesteit in Londen wel voor kennisgeving hebben aangenomen. Die was het vertrekpunt van de reis van de natie naar een nieuwe relatie met de koloniën en daar kon men in brede kring mee leven. Eens was men het echter na korte tijd al niet meer over het hoe, het wanneer, en hoe snel dan wel, en waar het toch allemaal toe moest leiden. De met de vakorganisaties verwante politieke partijen kregen het daarover met elkaar aan de stok en de vakcentrales onderling dus ook. Met name het eventueel gebruik van geweld in Indië bleek een heel moeilijk probleem. De KVP had in overwegende mate weinig last van remmingen als dat dan toch moest, de protestants-christelijke partijen evenmin, de piepjonge en praktisch voor het eerst regeringsverantwoordelijkheid dragende PvdA juist een heleboel. En de CPN, die had helemaal niets anders dan remmingen waar het om militaire interventie ging: “Indonesia los van Holland-NU!”, en dan verder geen doekjes voor het bloeden.

Het moment van de waarheid kwam met name voor de PvdA toen de nieuwe Rooms-rode regering wilde besluiten om grote aantallen dienstplichtige militairen naar Indonesië te sturen. De communisten wilden uit alle macht, inclusief stakingen, de uitzending van die troepen verhinderen. De PvdA hoopte en geloofde dat er een diplomatieke oplossing gevonden kon worden met de Indonesiërs vóór het helemaal uit de hand zou lopen. En als er dan uiteindelijk echt helemaal niets meer mogelijk was, dan maar in vredesnaam internationale assistentie.

Zo ongeveer keek ook het NVV er tegenaan, maar dat zat nog met een concurrerende vakcentrale die tegelijkertijd toch ook in een fusie geïnteresseerd was. Die tegelijkertijd zijn solidariteit met het Indonesische volk en zijn afkeer van militair ingrijpen wilde doen blijken met forse stakingen. Die daarbij regelmatig en met veel tamtam de kaart van de internationale solidariteit uit zijn mouw trok en deze, op de Bühne, uitdagend onder de neus van het NVV hield.

Mohammed Hatta , eerste minister-president van de Republiek Indonesië
Henk Sneevliet, voorzitter van het NAS
Soekarno, eerste president van de Republiek Indonesië
Asser Baars (voorman van de Indische Sociaal-Democratische Vereeniging)

Kritiek op de vakbeweging in de media

Zo zat de vakbeweging in het drama, aan de rand van het spektakel of in de coulissen, maar ook daar gebeurde in die vier, vijf jaar toch nog genoeg om aanleiding te kunnen geven tot kritiek en commentaar van diegenen die vonden dat ze ook onder dit soort omstandigheden een eigen rol had te vervullen, met of tegen of los van politici en kapitalisten.

Die kritiek, zoals je die in boeken en kranten tegenkomt, heeft vooral het NVV als doelwit, maar is in veel gevallen ook best toepasbaar op de EVC. Voor zover ik kan zien gaat het om een stuk of vijf punten die deels samenhangen:

  1. We zien geen verzet tegen de koloniale verhoudingen van voor 1940 en geen begrip en sympathie voor de vrijheidsstrijd van de nationalisten in de kolonie toen en nu

  2. De bond is een aanhangwagentje van de partij

  3. Veel geschreeuw en weinig wol; slappe knieën als het erop aan komt

  4. Ze spelen voor boodschappenjongen van de regering

  5. Ze zijn niet solidair met de Indonesische arbeidersbeweging

We lopen deze punten van kritiek in het volgende even stuk voor stuk door.

De confessionelen

Een deel van deze kritiek grijpt dus terug op de vooroorlogse periode maar betreft ook wel degelijk de ontwikkelingen tussen 1945 en 1950. Voor zover ik dat kan beoordelen treft hij ook RKWV/KAB en CNV. Die lijken weinig belangstelling voor en ook geen contacten met de “inlandse” vakbeweging in de kolonie gehad te hebben. Er zijn voor de oorlog wel een paar missionarissen en zendelingen geweest die Indonesische (plantage)arbeiders geholpen hebben bij pogingen om een vakbond op te richten. Ze hebben daarmee met de katholieke of de protestants-christelijke bonden in Nederland, dacht ik, echter nooit iets gedaan. Met de koloniale verhoudingen in het algemeen heeft de confessionele vakbeweging volgens mij niet zo vreselijk veel moeite gehad.

De CPN en de vakbondsleiders

De EVC bestond voor de oorlog natuurlijk nog niet. Voor zover het vakbondszaken betrof moest de CPH/CPN in die hoek dus de honneurs waarnemen. Die heeft (althans: alweer, voor zover ik heb kunnen nagaan) niet of nauwelijks blijk gegeven van belangstelling voor concrete arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden en voor de opbouw van werknemersorganisaties van “inlanders” die daar wat aan wilden veranderen, tegen de koloniale verdrukking in. Verhalen over schandelijke toestanden in fabrieken en werkplaatsen in Semarang of op plantages in Oost-Java, die je misschien toch in de krant van zo’n partij zou mogen verwachten, kom je er niet in tegen. Wel wat namen, af en toe.

Jazeker, er waren Indonesiërs die zich in de vroegste jaren van de vakbeweging in de kolonie tot vakbondsleiders ontwikkelden onder de vleugels van Nederlanders als Henk Sneevliet, Piet Bergsma en Asser Baars, en daar kon je wel eens wat over lezen. Maar dat werd dan al gauw weer een beetje ingewikkeld voor de CPH/CPN, want die landgenoten waren inmiddels ontmaskerd als bedriegers, agenten van het een of ander of, erger nog, als Trotskisten. ‘Vroeger hadden ze wel eens wat goede dingen gedaan’ schreef de Tribune dan een doodenkele keer in een ruimhartige bui.

Begrip en sympathie hadden ze voor iemand als Semaun, weliswaar een kwekeling van Sneevliet, maar iemand die gelukkig tijdig het licht gezien had. Helemaal niet, daarentegen, voor een bedrieger en misdadiger als Tan Malaka. Die mocht nog wel in de tijd dat hij, voordat hij zijn ‘eerste openlijke verraad aan de revolutie’ gepleegd had, in de Tribune één van de meest concrete dingen over arbeid en vakbondswerk schrijven die daar gedrukt werden in die jaren. Dat was dan zoiets als: ‘….de omstandigheden waaronder het Indische proletariaat de hun opgedragen klassenstrijd had moeten aanvaarden.’ En dat, terwijl Tan Malaka van de hoed en de rand wist. En schrijven kon hij ook, als hij de kans kreeg.

Wat verbannen PKI-voormannen als Semaun en Musso, die op CPN-vergaderingen spraken over de strijd in hun vaderland, daar vertelden werd ook niet concreter dan dit soort teksten in de krant, afgaande op de verslagen. En dan ook nog doorspekt met leerstellig jargon en onsmakelijke scheldpartijen op anderen. Vooral heel veel gescheld. Voor die “anderen”, Indonesische vakbondsleiders uit de seculier- en religieus-nationalistische hoek, had de CPN voor, en de EVC na 1945, geen goed woord over. Laat staan begrip of sympathie.

Peter Danz, voorzitter van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond
Peter Moltmaker , voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel
Evert Kupers, voorzitter NVV
Tan Malaka, voorzitter PKI

Nationalisten: fascisten of vrijheidsstrijders?

Niet helemaal ter zake in dit verband, maar wel een beetje interessant is, wat de communisten met Sukarno deden in hun publiciteit en propaganda. Geen vakbondsleider natuurlijk, en geen kameraad, maar een man om wie je nu eenmaal niet heen kon. Hij neemt regelmatig een prominente plaats in op belangrijke vakbondscongressen als (co-)voorzitter of inleider, en spreekt dan ook over vakbondsthema’s. Sukarno blijkt voor de Nederlandse communisten niet erger te zijn dan ‘een nationaal-reformistische politikant die zich schuldig maakt aan verraderlijk gedoe.

Er zijn er nogal wat onder die nationalistische vakbondsleiders met wie Sukarno het podium soms deelt die het even hard te verduren hebben van de Nederlanders als hij. Boegbeelden van de onafhankelijkheidsbeweging, net als hij. Verschillenden van hen leggen een strijdbare en soms succesvolle loopbaan af als nationalistisch activist. We vinden ze terug in de periode 1945-49 en na 1950 in hoge partij- en regeringsfuncties. Ze krijgen bij de EVC en de partij wel even andere titels opgeplakt dan Sukarno: fascisten zijn het, al dan niet handlangers van de Japanners, bedriegers, capitulanten, misdadigers, agenten of meelopers van het Nederlandse dan wel het Engelse dan wel het Amerikaanse imperialisme, verraders, complotteurs, onderdrukkers van vrijheidslievende Indonesiërs. Enzovoort.

Nee, daar hebben de vakbondskritische historici en journalisten het goed gezien: in dit deel van de Nederlandse vakbeweging is er maar weinig begrip voor de nationalistische vrijheidsstrijders in Indonesië te vinden.

Het NVV

Het is dan toch verrassend om wat meer daarvan, en zeker ook ongenoegen met de koloniale verhoudingen van voor 1940, te vinden bij het NVV. Onverhoopt voor sommigen, misschien, en de naam “verzet” mag je denk ik alleen met enige bescheidenheid gebruiken, zeker als je daarbij aan iets heroïsch denkt. Maar er moet wat het NVV betreft wel degelijk een eind komen aan de verhouding “moederland”/“wingewest”. Dat is wel duidelijk. Het spreekt zich in 1930 uit voor het “onvoorwaardelijk recht op zelfstandigheid” van alle Oosterse volken, daarbij natuurlijk inbegrepen het Indonesische. Dat is nog even voordat de SDAP zo ver is, als ik me niet vergis. En aan Wilhelmina denken we op dit moment helemaal nog niet als het over Indië gaat.

Gauw klaar dus met het hoofdstuk ”verzet” bij het NVV, dat is in al zijn bescheidenheid principieel en helder. Maar nu toch ook nog wat meer over “begrip” en “sympathie” in deze kringen.

Evert Kupers en de IAO

NVV-voorzitter Kupers voert van 1928 tot 1939 een opmerkelijke kruistocht in de Internationale Arbeidsorganisatie van de nieuw opgerichte Volkenbond tegen iets dat de “Poenale Sanctie” heet: lang lopende contracten met koelies op plantages die in feite neerkomen op dwangarbeid, die voorzien zijn van meedogenloze strafmaatregelen tegen werknemers-contractanten die zich niet aan de voorgeschreven regels houden en die bovendien de werkgever het recht geven om op zijn plantage zowel opsporingsambtenaar, rechter als beul te spelen. Dit instrument bestond in meer kolonies; in Nederlandsch-Indië was er sinds eind 1880’er jaren wel iets aan geschaafd, behalve op Oost-Sumatra waar de “Koelie-ordonnantie” nog steeds in de oude glorie bestond. Afschaffing ervan stond al jaren hoog op de verlanglijstjes van belangrijke Indonesische vakbondscongressen.

Kupers diende in 1928 een resolutie in op de Internationale Arbeidsconferentie van dat jaar die ertoe moest leiden dat het op de agenda van de jaarlijkse Internationale Arbeidsconferentie kwam en uiteindelijk door een internationaal verdrag zou worden uitgebannen. Dat was niet bepaald tot genoegen van de Nederlandse regeringsdelegatie op de Conferentie en evenmin van dat van de werkgevers. Kupers werd beticht van “onvaderlandslievend gedrag”, het schaden van grote belangen van de Nederlandse tabaksindustrie ten voordele van de Amerikaanse, en uitgemaakt voor nestbevuiler en nog zo wat lelijks.

De verhoudingen werden er niet vriendelijker op toen hij niet alleen in publieke debatten in Geneve stevig van zich afbeet maar bovendien het volgende jaar onverdroten doorging met zijn actie nadat de eerste poging op niets was uitgelopen. Vertragingstrucs en lobby’s bij het Internationaal Arbeidsbureau wist hij in volgende jaren, gesteund door de Werknemersgroep in de Conferentie en een deel van de werkgevers- en regeringsgedelegeerden, de baas te worden. Hij kreeg voetje voor voetje meer steun en in 1939 lag er waarachtig een nieuw Verdrag, Conventie 65, dat een eind moest maken aan deze praktijken in koloniale gebieden.

Tijdens zijn campagne had Kupers overigens, in 1929, 1930 en 1938, een Indonesische vakbondsvertegenwoordiger in de Nederlandse werknemersdelegatie opgenomen weten te krijgen, eerst Hadji Agus Salim, later Dr. Sukiman. Beiden waren bekende figuren in de onafhankelijkheidsstrijd en in de inlandse vakbeweging en zouden op hoge politieke functies terecht komen in de eerste jaren van de Republiek.

Van zo’n initiatief durf ik wel te zeggen dat het getuigt van “begrip” en “sympathie” voor de nationalisten in de kolonie.

Semaun, algemeen secretaris van de PKI
Agus Salim, minister van Buitenlandse Zaken van de Republiek Indonesië
Sukiman, minister van Volksgezondheid van de Republiek Indonesië
Muso, algemeen secretaris PKI
Andries Cornelis Dirk de Graeff, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië van 1926-1931

Kupers’ eerste reis naar de Oost

Dat is één voorbeeld van positieve betrokkenheid. Een ander blijk van meer dan gewone belangstelling, misschien zelfs wel sympathie, voor de nationalistische beweging in Indonesië en met name het vakbondselement daarin, is zeker ook de driemans-missie die het NVV in 1931 naar de kolonie stuurde. Kupers maakte die reis samen met Piet Moltmakers, voorzitter van de Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel, en Peter Danz, voorzitter van de Metaalarbeiders. Ze bleven zes maanden weg en bezochten in de archipel ”inlandse” vakbonden op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Ook een aantal “gemengde” en “Europese” bonden die hen wilden spreken, relevante instellingen, bestuurders, overheidsfunctionarissen. Werkgevers ook (we gaan ze niet uit de weg maar nodigen onszelf niet uit), onder andere in de tabak op Sumatra. Daar hadden ze een appeltje te schillen, tenslotte.

Maar ze gaan dus vooral, ze zeggen het keer op keer in Nederland en ook in de kolonie, omdat ze de “inlandse” vakbeweging willen leren kennen en zich, omgekeerd, ook door deze willen laten kennen. Wat ze verder nog tegenkomen is bijvangst.

Bij de Gouverneur-Generaal

De heren werden twee keer ontvangen door gouverneur-generaal De Graeff. Daarvan maakten ze gebruik om gratie te vragen voor de in Bandung opgesloten zittende Sukarno, die ze eerder op hun reis tweemaal in de gevangenis bezocht hadden. Het verzoek werd korte tijd later ingewilligd. Het was zo ongeveer het laatste besluit dat de G-G nam voor het einde van zijn ambtstermijn en Sukarno was voor het eind van het jaar vrij. Een deel van de koloniale pers was geïrriteerd over de belangstelling van de delegatie voor Sukarno. Die was immers ‘geen politieke gevangene maar een gewone misdadiger.’ En: ‘Perioden van onrust volgen altijd op of komen voort uit bezoeken van bemoeizuchtige SDAP’ers of NVV’ers’, werd er ook gebromd.

Ja, dit bezoek wekte gemengde gevoelens. In Nederland werden ze weggehoond door de CPH: stelletje arbeidersaristocraten op een luxe zonvakantie. En in de kolonie was lang niet iedereen gediend van het bezoek van “die Rooien”, keurige heren natuurlijk, leden van de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal, daar niet van, maar toch…, een minder slag hoor! De eigenaar van een bekend hotel in Bandung weigerde hen in zijn etablissement te laten overnachten.

Wat het NVV nog kon doen

Bij terugkeer in Nederland hadden ze een lijstje bij zich met afspraken die ze met Indonesische collega’s gemaakt hadden met het oog op het pleiten, hier te lande, voor de goede zaak van de nationalisten. En er stonden gedane beloften op: als we wat voor jullie kunnen doen, dan proberen we dat voor elkaar te krijgen.

Ik heb wel een enkele aanduiding gevonden van hulp die op Indonesisch verzoek door het NVV verleend is, maar ik heb geen idee wat er in de jaren tot het begin van de oorlog door de bonden daar gevraagd zou kunnen zijn en hoe daarop precies gereageerd is. Zo stellen zij de Indonesiërs voor om twee vooraanstaande ”inheemse” vakbondsmensen naar het NVV-kantoor in Amsterdam te halen om daar verder te worden “ingewijd en opgeleid” in de organisatie van het vakbondswerk zoals dat in Nederland gebeurde.

Op eigen initiatief doet het NVV dan ook wel eens wat ter ondersteuning van de onafhankelijkheidsstrijd in de kolonie. In februari 1932 neemt de politie in Batavia een zending brochures in beslag waarin een door het NVV gemaakte Nederlandse vertaling van Sukarno’s pleitrede voor de Landraad in Bandung, een jaar eerder; het proces waarin hij veroordeeld werd wegens “haatzaaien”. Het pakket was bestemd voor de boekhandel van de Indische Sociaal-Democratische Partij.

Duidelijk is wel dat de gelegde contacten tot 1940 regelmatig zijn bijgehouden.

Een ‘Felisitasi’ bij de Proklamasi

En tenslotte nog een derde puntje in het kader van dit onderwerp, klein maar toch niet helemaal onbetekenend onder de omstandigheden van die tijd. Onmiddellijk na de Souvereiniteitsoverdracht stuurt het NVV Sukarno een vrij uitvoerig telegram met gelukwensen. Het hoeft geen blijk te zijn geweest van sympathie, die tekst van 27 december 1949, maar hij getuigt op zijn minst toch bepaald wel van gewoon fatsoen en zeker ook van respect. Dat is niet niks, na ruim vier jaar oorlog.

Nee, wie beweert dat het NVV geen zier gaf om de koloniale verhoudingen en vóór 1940 geen respect of sympathie had voor de strijd van de nationalisten, die heeft toch echt het een en ander gemist.

Tom Etty

December 2024

Ga naar:

Deel 1 –  Geen verzet, weinig begrip en sympathie 

Deel 2 – “Aanhangwagentje” van de partij

Deel 3 – Boodschappen jongen van de regering

Zie ook:
Dick de Graaf, Koloniale erfenis en de vakbeweging