Het geheugen van de vakbeweging

De ‘brede vakbeweging’: een vakbondshistorische terugblik

 Behoud koopkracht, bestaanszekerheid, milieu, vrede en veiligheid, gelijke kansen, onderwijs, gezondheidszorg.  Alleen voor leden of voor iedereen.
Waarmee moet de vakbeweging zich bezig houden?  Een actueel vraagstuk. Maar ook in het verleden deed dit dilemma zich voor.
Dit artikel is een bewerking van een op 21 mei 2022 door de auteur op een VHV-vriendenbijeenkomst gehouden inleiding

Minder eenvoudig dan het lijkt

Jan Verhagen

Mijn persoonlijk vakbondshistorisch beeld van de brede vakbeweging was tot niet zo lang geleden overzichtelijk:
De brede vakbeweging, die komt van de grond in de radicale jaren ’70. Dat is een vakbeweging die zich actief met heel veel brede maatschappelijke onderwerpen bemoeit. Totdat Hans Pont voorzitter van de FNV wordt. Hij versmalt de vakbeweging tot een ‘brood en boter-bond’, die zich terugtrekt op de kernactiviteit arbeid en inkomen, vastgelegd in de nota FNV 2000. Er is weliswaar verzet, maar begin 21e eeuw is het toch wel zo’n beetje voorbij met de brede vakbeweging. Punt.

Dat beeld is te simpel, blijkt tijdens het voorbereiden van deze bijeenkomst. En deels ook onjuist.

Er blijken vele, soms tegenstrijdige definities te bestaan van ‘de brede vakbeweging’.
Paul de Beer maakt dit woud aan omschrijvingen in zijn inleiding enigszins overzichtelijk door ze in twee ‘groepen’ te verdelen:

  • ‘brede vakbeweging’ in de betekenis van een brede (‘de vakbond voor alle werkenden’) of smalle (‘alleen voor leden’) achterbanperceptie.
  • en ‘breed’ in de zin van het aantal en soort onderwerpen (thema’s) waarmee de vakbeweging zich actief bezighoudt.

Ik haal mijn werkdefinitie uit de tweede groep. De brede vakbeweging is dan een vakbeweging die zich structureel en actief bemoeit met een groot scala aan maatschappelijke onderwerpen, die buiten de directe sfeer van arbeid en inkomen vallen. Dus met onderwerpen als volkshuisvesting, consumentenzaken, kernenergie, milieu, bewapening, oorlog en vrede.
Dit in contrast met de ‘smalle’ vakbeweging, die zich, in de woorden van de al eerder genoemde Hans Pont, concentreert op alles waar je ‘arbeid’ voor kunt zetten: arbeidsvoorwaarden, arbeidstijden, arbeidsomstandigheden, arbeids(=werk)gelegenheid enz.

Brede vakbeweging of brede FNV?

De term ‘brede vakbeweging’ is in wezen onjuist. Want het is vooral een FNV etiket: daar bedacht, daar gebruikt, daar vooral leidend tot discussie.
‘Brede FNV’ is dus een betere aanduiding, waarbij de basis voor die brede FNV al bij voorgangers NVV en NKV te vinden is.
Dat neemt niet weg dat óók het CNV tot de eeuwwisseling, en zeker in de jaren ’70 en ’80 een ‘brede’ opvatting van de eigen taak heeft. Ook het CNV participeert in de alternatieve consumentenbond Konsumenten Kontakt, en heeft in de jaren ’80 uitgesproken standpunten over de milieuproblematiek.
Toch trekt het CNV ook in die jaren een strakkere grens dan de FNV, zoals blijkt uit een op vakbondshistorie.nl in 2016 gepubliceerd interview met Bartho Pronk, van 1974 tot 1989 medewerker Internationale Zaken van het CNV. Hij stelt: “Met de vredesbeweging hebben we ons als CNV niet ingelaten. Dat vonden wij een te politieke kwestie voor een vakbond. We wisten dat de ene helft van je leden voor en de andere helft van de beweging tegen zou zijn. Er was ook geen drang bij de bonden om daar een rol in te spelen. Bij Chili lag dat anders omdat het daarom de onderdrukking van werknemersrechten ging. Dat gold ook voor Zuid Afrika.”


Anders ligt het bij de vakbonden van middelbaar en hoger personeel, tegenwoordig verenigd in de Vakcentrale voor Professionals.
Daar beperkt men zich consequent tot de thema’s arbeid en inkomen. Met soms een uitzondering die de regel moet bevestigen, zoals een interview met Niels van Woensel, voorzitter van de Gezamenlijke Officieren Verenigingen & Middelbaar en Hoger Burgerpersoneel bij Defensie, onder de overduidelijke titel ‘Aanval van Rusland vraagt om daadkracht voor lange termijn’. Daar lezen we: “Van Woensel noemt het een teken van daadkracht dat Duitsland 100 miljard gaat investeren in zijn strijdkrachten en de komende jaren aan de 2% NAVO-norm te zullen voldoen. Volgens hem zou de Nederlandse regering zou er goed aan doen om een vergelijkbare stap te zetten en daarmee een van onze meest betrouwbare bondgenoten te volgen.”

In dit verhaal beperk ik mij hoofdzakelijk tot de wederwaardigheden bij de FNV en een van zijn twee ‘samenstellende delen’, het NVV.

1945 tot eind jaren ’60: brede maatschappelijke steunpilaar

De eerste 15 jaar na de oorlog zijn de jaren van wederopbouw, van verzuiling en van anticommunisme. Van brede maatschappelijke bewegingen, zoals in de jaren ’70 en ’80, is weinig sprake, uitzonderingen als de protesten tegen de Sovjetinval in Hongarije, dan wel door CPN of EVC georganiseerde acties tegen de koloniale oorlog in Indonesië daargelaten.
De vakbeweging in Nederland blijkt over het algemeen een stabiele, weinig activistische steunpilaar van bestaande maatschappelijke verhoudingen. Een brede taakopvatting spreekt vanzelf, en dat gaat, zeker bij het NVV, ver.
Zo participeert de vakcentrale in 1948 aan het Instituut Steun Wettig Gezag, dat onder meer staat voor de vorming van een (para)militaire eenheid als de Nationale Reserve. De oprichting daarvan heeft overigens van doen met het feit dat een groot deel van het Nederlandse leger zich eind jaren ’40 als koloniale oorlogsmacht in Indonesië bevindt.
Tijdens de oorlog in Korea kiest het NVV een actieve opstelling vóór bewapening en vóór de oorlog. Het organiseert – zeldzaam voor de vakbeweging van die jaren – zelfs meetings.

Opmerkelijk, maar consequent: CNV en KAB doen niet mee, want de meetings zijn ‘politieke demonstraties waaraan de vakbeweging vanwege haar specifieke taak niet kon deelnemen’, lezen we in ‘Naar Groter eenheid’ op bladzijde 228 [1].
Ook begeeft het NVV zich indirect op het thema ‘milieu’, maar dan in een heel andere richting dan Henri Polak in de beginjaren van het NVV. Waar Polak de lucht- en watervervuiling door de uitstoot van fabrieken fel hekelt, schetst de later NVV-voorzitter André Kloos in ‘De Vakbeweging’, destijds het kaderblad van het NVV, bijna lyrisch de snelle industriële ontwikkeling. Kritische kanttekeningen komen slechts van mensen als Inspecteur van de Volksgezondheid Schuursma in 1952: “Verontreiniging van de lucht wordt vaak beschouwd als een noodzakelijk kwaad. Maar zij kan ook worden ondervonden als ernstige hinder en zij kan dan ook onaanvaardbare schade toebrengen. [2]
Het NVV heeft daar tot begin jaren ’70 géén oog voor. Alles wat werkgelegenheid genereert, is bijna per definitie goed.

De jaren ’70 en ’80: brede, maatschappijkritische actie

Eind jaren ’60 ontstaat er een niet te negeren maatschappijkritische beweging. Niet alleen ‘1968’, maar al 1966 ‘Provo’. Ook ontkerkelijking en ontzuiling, met inbegrip van de ‘rode familie’ zetten in ras tempo door.
Woningnood, vrouwenbeweging, verzet tegen de milieurisico’s van kernenergie, tegen de oorlog in Vietnam en tegen de wapenwedloop in zijn algemeenheid zijn dominante onderwerpen in het nieuws, en brengen duizenden tot soms honderdduizenden mensen op de been.
De vakbeweging gaat, zij het soms aarzelend, mee. In de schoot van de drie vakcentrales vormt zich in 1971 de Werkgroep voor een Maatschappijkritische Vakbeweging. Vanuit het sterk centralistische NVV met argusogen bekeken, het NKV is welwillender.

Ook CNVers maken deel uit van de groep. Want ook het CNV gaat het – zij het in gematigde vorm – mee in een meer maatschappijkritische richting: “De taak van de vakbeweging – zo meent toenmalig voorzitter Jan Lanser in zijn Nieuwjaarstoespraak begin 1971 – ‘heeft te maken met het beleid op korte en op lange termijn. Dat betekent dat de vakbeweging gelijktijdig actief moet zijn voor directe belangenbehartiging en voor verandering van de maatschappij. [3]
Bij de Industriebond NVV lanceren ze antikapitalistische manifesten als ‘Fijn is anders’ en ‘Breien met een rooie draad’, het NKV hekelt het kapitalisme scherp in ‘Visie NKV’.

Ergens in die jaren ’70 ontstaat het etiket ‘brede vakbeweging’, en dat vertaalt zich in een groot aantal vakbondsinitiatieven buiten de sfeer van arbeid en inkomen.
Als in 1972 het rapport van de Club van Rome verschijnt, gaan NVV [4] en CNV zich actief met milieu en milieubeweging bezighouden. Ook inhoudelijk en met standpunten die misschien vandaag de dag tot meer weerstand zouden leiden dan toen.
Neem het CNV in een brochure over milieu in de agrarische sector over vervuilende bedrijven en het spanningsveld tussen werkgelegenheid en milieu.” Bij deze afweging zullen in sommige gevallen milieu- en gezondheidsaspecten zwaarder kunnen wegen dan het werkgelegenheidsaspect. De uiterste consequentie is dan, dat een bedrijf dicht moet terwille van het milieu. In deze situatie zal de bond zich sterk maken voor een verantwoorde sociale regeling voor de werknemers die hierdoor hun baan verliezen.” [5]
De Industriebond FNV spreekt zich in 1985 in soortgelijke bewoordingen uit.
De problematiek van oorlog en vrede ligt, ook bij de FNV, iets ingewikkelder. Beleidsnota’s over vrede en ontwapening komen niet zonder slag of stoot tot stand. Wim Kok ziet zich genoodzaakt op een anti-kernwapendemonstratie in 1981 op persoonlijke titel te spreken, omdat het FNV-beleid zover nog niet was.

In de praktijk – ik was toen ondernemingsraadlid bij Fokker – is het draagvlak voor dit brede vakbondsbeleid wisselend. ‘Milieu’ is niet zo’n punt. De OR wil dit onderwerp actief onderdeel maken van zijn takenpakket. En vooral de directie heeft het moeilijk met de ‘M’, die de commissie Veiligheid, Gezondheid en Welzijn (VGW) aan zijn naam wil toevoegen. Overleg met de Milieufunctionaris van de onderneming komt maar moeizaam van de grond. Als de OR eigenmachtig contact legt met een dijkgraaf die watervervuiling door Fokker heeft aangekaart is het directiehuis te klein, maar de OR kruipt niet in zijn schulp.

Bewapening is lastiger. Fokker is een defensiebedrijf, dat onder meer de F16-straaljager produceert. Defensieopdrachten vormen in zekere zin de kurk waarop de conjunctuur- en concurrentiegevoelige onderneming drijft. Die bieden een gegarandeerde en solide winstmarge, waarmee een deel van de verliezen op andere producten wordt gecompenseerd. Dat gegeven maakt passages over ‘conversie’ van wapenindustrie naar civiele productie in de FNV-beleidsnota ook een tikje naïef.
Als een groep maatschappijkritische kaderleden midden jaren ’80 met pamfletten een actie tegen mogelijke kernbewapening op de F16 begint, keren veel werknemers zich dan ook tegen de vakbondsactivisten.

Tweede helft jaren ’80: verzakelijking, maar géén versmalling

In de crisisjaren ’80 maken Thatcher, Reagan en Lubbers politiek de neoliberale dienst uit, en bemoeien zich intensief met loon- en werkgelegenheidspolitiek en met de vakbeweging.

De FNV kiest voor een minder maatschappijkritische en meer zakelijke koers, blijkt al uit het akkoord van Wassenaar (1982).
Dan wordt in 1986 Hans Pont voorzitter van de FNV. Hij wordt ten tonele gevoerd als wegbereider van de ‘versmalling’, naar verluidt óók tot kennelijk ongenoegen van onder meer de latere FNV voorzitter Stekelenburg: “…geschrokken van de mate waarin Pont afstand nam van de brede, maatschappijgerichte vakbeweging. En een ‘als onze leden maar brood op de plank krijgen’-houding vertoonde“.
Als we kijken naar wat onder het voorzitterschap van Pont bij de FNV aan beleid wordt geproduceerd, zien we als voornaamste ‘product’ de nota FNV2000 (1987). Daarin aandacht voor:

  • doelgroepenbeleid (jongeren, vrouwen, deeltijdwerkers, uitkeringsgerechtigden, …)
  • herkenbaarheid en bereikbaarheid: versterken van vakbondsaanwezigheid in de directe woon- en werksituatie
  • meer focus op vakbondswerk in de commerciële dienstensector, zoals bij banken, verzekeraars, ICT-bedrijven
  • sterker accent op individuele dienstverlening

Maar het prijsgeven van de brede vakbeweging, en het ’terugtrekken’ op de kernactiviteit Arbeid en Inkomen worden in FNV2000 niet genoemd.
Tot begin jaren ’90 opereren zowel bij FNV als CNV de meeste bonden ‘breed’, ook al is de betrokkenheid bij de vredesbeweging na 1987 voorbij.

Wat Pont wel heeft aangekaart is de onbalans tussen wat hij omschrijft als de drie kerntaken van de vakbeweging. In het trio individuele belangenbehartiging, collectieve belangenbehartiging en maatschappelijke taken, is de balans naar zijn mening veel te ver doorgeschoten naar de laatste.
Vooral het opwaarderen van individuele dienstverlening heeft de aandacht van Pont, en bezorgt hem de naam de bond om te willen bouwen tot ‘sociale ANWB’.

De praktijk: tot eind jaren ’80 is bij de Industriebond FNV het behartigen van individuele belangen problematisch. Vanuit de bedrijven komen vragen en kwesties van individuele leden via kaderleden op het toch al overvolle bordje van bestuurders…en blijven daar maar al te vaak onbeantwoord liggen. Tot frustratie van alle betrokkenen.
Eind jaren ’80 professionaliseert de individuele belangenbehartiging. De vakbondsbestuurder fungeert niet langer als overbelaste vraagbaak voor vragen en problemen van leden. De hand van Pont lijkt herkenbaar, en wij, kaderleden, waren hierover meer dan tevreden.

Van 1990 tot 2010: terug naar ‘Arbeid en inkomen’

‘Versmalling’ is iets voor ná 1990, wanneer Hans Pont al jaren weg is als voorzitter, en een voorstander van de brede vakbeweging, Johan Stekelenburg, aan het roer van de FNV staat.
In 1989 vallen het Oostblok en de Sovjet-Unie uiteen. De wereld lijkt te kiezen voor de liberale democratie. Kritisch denken over maatschappelijke verhoudingen lijkt passé. In plaats daarvan is er een opbloei van kortetermijndenken en individualisme. Het ‘ik’ staat centraal en het ‘wij’ verliest aan betekenis.

Het ’terug naar de kernactiviteiten’ arbeid en inkomen wordt bij de FNV serieus voorbereid vanaf 1991.
In dat jaar verschijnt de ook qua titel veelzeggende nota ‘Minder, beter’, gevolgd door een uitvoeringsplan: ‘En nu concreet… Meerjaren Prioriteiten Kader’.
Bezuinigen lijkt het voornaamste motief voor versmalling, hoewel er ook een meer inhoudelijk verhaal is: anderen, lees: sociale bewegingen, hebben meer verstand van dit soort onderwerpen, dus de vakbeweging moet zich daarmee niet inlaten.

Er is verzet tegen deze koerswijziging, dat ook de kranten haalt.
“Zeven plaatselijke FNV-afdelingen hebben al aangekondigd dat het “oorlog” wordt als de aanbevelingen van de werkgroep worden overgenomen door het FNV-bestuur. De zeven
(Arnhem, Delft, Eindhoven, Groningen, Leiden en Utrecht) vrezen dat met de aanbevelingen het einde van de FNV als brede maatschappelijke organisatie wordt ingeluid. “De doelstelling “maatschappijhervorming’ kan uit de statuten worden geschrapt. Slechts financiële argumenten blijken ten grondslag te liggen aan het besluit om zoiets wezenlijks als het concept van de brede vakbeweging af te schaffen”, aldus de verontruste afdelingen.” (NRC 23 september 1991)

In 1997 vindt ‘Minder beter’ zijn voorlopig eindpunt in een nieuwe FNV Grondslag. Ook die roept verzet op.
Onder andere van Cees Vrins, voorzitter van AbvaKabo FNV. Hij schrijft in de NRC van 22 oktober 1996: ” In de grondslag wordt een pleidooi gehouden voor een minder brede vakbeweging. De FNV zal zich buiten de directe sfeer van de arbeidsverhoudingen selectiever opstellen en wil zich concentreren op ‘kerntaken’…Uiteraard zijn er werkgebieden die de primaire aandacht moeten hebben, maar een maatschappelijke emancipatiebeweging met onze idealen zal altijd een brede visie en een brede taakopvatting moeten hebben…Zo moet er een actieve bemoeienis blijven met het streven naar een milieuvriendelijke ontwikkeling, ontwikkelingssamenwerking, eerbiediging van mensenrechten en de strijd tegen discriminatie. Opvallend is in dit kader dat het thema ‘vrede en ontwapening’ in de ontwerpgrondslag ontbreekt. De FNV zou voorstander moeten zijn van preventieve maatregelen, wapenbeheersing en vreedzame conflictoplossingen als basis voor een duurzame wereldvrede.”

Het resultaat van het debat is dat de vakbeweging zichzelf in de nieuwe Grondslag blijft zien als emancipatiebeweging, die zich sterk maakt voor eerbiediging van mensenrechten en strijd tegen discriminatie. Ook ‘milieu’ blijft vol overeind. Toch is het een compromisgrondslag geworden, waarin op de ene plek ‘milieu boven economie’ staat, en een alinea verder het omgekeerde wordt beweerd.

Het resultaat in de praktijk: na de eeuwwisseling lijkt bij de FNV en aangesloten bonden zelfs het kernthema ‘arbeid en inkomen’ bij tijd en wijle verder te versmallen tot ‘cao en sociaal plan’. Wat breder is – denk aan arbeidsomstandigheden – belandt vaak in de vrijblijvende ‘goede doelen’ hoofdstukken van de cao-boekjes, waarna niemand er nog naar kijkt.
In de praktijk verdwijnt ook het thema milieu naar de achtergrond. Wat daarbij meespeelt is, dat we er als vakbeweging onvoldoende in geslaagd zijn ‘handen en voeten’ te geven aan onze milieu-inzet. Enerzijds blijven we hangen in ‘doe het licht uit als je naar huis gaat’, anderzijds combineren we, ook in het trainen van kaderleden, ingewikkelde milieutheoretische verhalen met een juridisch-bureaucratische benadering van milieuplannen en milieuverslagen. Op die ene milieuspecialist in ons midden na, konden we daar niet mee uit de voeten.
Bij ‘arbo’ (veilig en gezond werk) speelt iets vergelijkbaars, maar onder het motto ‘haal arbo terug naar de werkvloer’ weet FNV Bondgenoten het onderwerp redelijk succesvol te ‘ontstoffen en ontregelen’. Maar ‘milieu’ sneuvelt, wellicht op de vakbondsactiviteiten in de SER na.
Eén, zeer prijzenswaardige poging in 2010 van FNV-vakcentrale, AbvaKabo en Bondgenoten om het onderwerp te revitaliseren, resulteert in een zogenaamd ‘inspiratieboek’ ter vergroening van de werkplek. Het initiatief krijgt geen vervolg, en is snel weer vergeten.

2013: Klimaatcrisis – terug naar breed?

Na 2010 wordt het klimaatprobleem acuut. Iedereen moet er wat mee, ook de vakbeweging, wat knap lastig is voor organisaties die al ruim 20 jaar vooral ‘brood en boterbond’ zijn.
Kleurend binnen de eigen lijntjes, focust de vakbeweging zich op de implicaties van klimaatbeleid op arbeid en inkomen. Werkgelegenheid, eerlijke verdeling van lasten en verzet tegen een nieuwe precaire klimaatsector zijn de speerpunten. Binnen het begrip ‘Just Transition’ ligt het accent bijna volledig op het woord ‘Just’ – rechtvaardig. Inhoud, tempo en richting van de transitie zelf, dat is werk voor anderen.
In de praktijk is de vakbeweging hierdoor gedwongen tot ‘damage control’ van wat met name overheid en werkgevers in de steigers hebben gezet.

Bij Tata Steel in IJmuiden doen ze het anders. Nadat in 2019 de Centrale Ondernemingsraad, samen met Ondernemingsraden van een aantal andere industriële bedrijven, nog de hakken in het zand heeft gezet tegen een CO2-taks, onder het motto ‘onze bedrijven doen al zoveel’, ontstaat er in 2020 een andere dynamiek. Het besef dringt door dat de inhoud niet aan anderen kan worden overgelaten: niet alleen leidt dat vaak tot ’too little too late’, vroeg of laat krijg je voor werknemers zeer nadelige besluiten te slikken.

Bestuurder en kadergroep, inclusief leden van de COR, gaan aan de slag. De kennis, die ze zelf bij de start niet hebben, organiseren ze via collega’s en anderen naar zich toe. Het omzetten van die kennis in een werknemersplan is zaak van de werknemers zelf: draagvlak verzekerd.
Het resultaat is ‘Groen Staal’ een werknemersplan dat klimaatinhoudelijk verder gaat dan eerdere directieplannen, kwalitatief beter is, eenvoudiger te realiseren en dat ook in sociaal opzicht uitstekend scoort.

Bij Tata Steel zien we een vakbond aan het werk die de klimaatproblematiek in de breedte terug naar de basis brengt, offensief zelf aan de slag gaat, en op unieke wijze samenwerking met anderen combineert met eigen kracht en initiatief.

Vlak voor de VHV-bijeenkomst op 21 mei 2021 kreeg ik een mail van een zeer bij het klimaat betrokken kaderlid. Hij schrijft: “het maken van eigen werknemersplannen…was vroeger vanzelfsprekend. Tata pakt dat weer op… Als je eigen plannen maakt vanuit algemeen werknemersperspectief wordt je vanzelf breed. Niet alleen qua ideeën, maar ook in het aansprekend zijn… “

Daar valt eigenlijk niets aan toe te voegen…

Jan Verhagen
juni 2022

Klik hier voor de pdf-versie van dit artikel

Over de auteur:

Jan Verhagen is sinds 2017 lid van de webredactie van de VHV. Van 1995 tot 1998 was hij opleider bij de Industriebond FNV, daarna beleidsmedewerker bij FNV Bondgenoten (1998-2015) en bij de ‘fusie-FNV’ (2015-2016). Voor die tijd was hij ruim 20 jaar vakbondskaderlid, waarvan 14 jaar bij Fokker. Een groot deel van zijn vakbondsleven heeft hij zich beziggehouden met Veilig en Gezond Werk (‘VGW’/’arbo’), regelmatig met inbegrip van de ‘M’ van Milieu. 

Voetnoten:

[1] Hueting, de Jong Edz., Neij  – ‘Naar groter eenheid’ (Amsterdam 1983)

[2] geciteerd in: Ed Buijsman – De ontwikkeling van de stedelijke luchtkwaliteit in Nederland – Tijdschrift Lucht, augustus 2008

[3] Piet Hazenbosch: ‘Voor het volk om Christus’ wil’, Hilversum 2009, blz. 370.

[4] Het NKV was binnen de latere FNV (vanaf 1976) een van de ‘dragers’ van het brede vakbewegingsconcept, echter over concrete informatie hoe dit in de katholieke vakcentrale in de jaren voorafgaand aan federatie en fusie vorm kreeg, beschik ik niet.

[5] Industrie- en Voedingsbond CNV: ‘Milieu en vakbondsbeleid’ (Samen sterk voor een schonere manier van produceren in de agrarische sector), blz. 21