Het geheugen van de vakbeweging

Ondertekening Soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië op 27 december 1949 in het Paleis op de Dam in Amsterdam. In het midden koningin Juliana, links Mohammed Hatta, rechts Willem Drees.

Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en de Nederlandse vakbeweging

3 – Boodschappenjongen van de regering

Het compliment van Drees

De twijfelachtige reputatie van boodschappenjongen van het Rooms-rode kabinet dankt het NVV niet in de laatste plaats aan premier Willem Drees. In zijn memoires heeft hij in karakteristiek-sobere termen zijn dank betuigd aan het NVV voor de inspanningen die het zich in zijn ogen getroost had om het beleid van zijn regering in het buitenland, met name in landen met havensteden, zo goed als het kon te verkopen om te helpen boycotacties van vakbonden tegen Nederland te voorkomen. Wat dat vriendelijke dienstbetoon overigens precies heeft ingehouden, wie het boodschappenbriefje voor zijn vrienden uit de vakbeweging had opgesteld en welke buitenlandse relaties het NVV dan allemaal aangesproken had, is maar in zeer beperkte mate te achterhalen. Waar had Drees het hier eigenlijk precies over in zijn memoires? Wist hij, hoe wijs en verstandig hij ook was toen hij ze schreef, wel waar hij het op dit punt over had? En waarom is niemand op het idee gekomen om eens na te gaan wat hij nu eigenlijk bedoelde met die korte vage dankbetuiging?

Buitenlandse lobby van het NVV?

In kranten uit die tijd zijn aan potentieel interessante landente achterhalen: de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Australië, Singapore, India, en Pakistan. Met uitzondering van de laatste twee, die genoemd worden in verband met landingsrechten voor de KLM, zou het inderdaad overal om havens kunnen gaan.

Er is één concreet voorbeeld, niet zo’n geweldig voorbeeld trouwens. Dat is de reis van NVV-secretaris Ad Vermeulen, die in december 1948 volgens Nederlandse kranten (waaronder Het Vrije Volk en De Tribune), naar de Verenigde Staten ging. “Vanwege Indonesië, vanwege de politionele acties”, beweerden de kranten. Het NVV wuifde dat onmiddellijk weg en zei dat dat bezoek helemaal niets met Indonesië te maken had. Het was in werkelijkheid de bedoeling dat Vermeulen, die het internationale werk deels van Evert Kupers had overgenomen, met de

Amerikanen zou gaan praten over twee dingen: de Marshallhulp en de agenda van de Internationale Arbeidsconferentie van zomer 1949. In Genève zou dan namelijk het “Economisch- en Prijsbeleid” op de agenda staan. Dat voor dat laatste onderwerp een reis naar Amerika nodig was is wel zeer onwaarschijnlijk, zo dringend was dat niet.

Amerika / Marshallplan

Dat het over het Marshallplan zou kunnen gaan is daarentegen wel denkbaar: het kan een handigheidje van het NVV geweest zijn om te verdonkeremanen dat het wel degelijk over Indonesië zou gaan. Wat was namelijk het punt? De Amerikaanse regering had zijn ongenoegen over het voortduren van de Nederlandse oorlog in Indonesië doen blijken door middel van het dreigement dat gelden uit de kas van het Marshallplan, die deels door Nederland konden worden gebruikt voor wederopbouwprojecten in Indonesië, niet beschikbaar gesteld zouden worden als het met oorlogshandelingen doorging.

New York, waar Vermeulen heenvloog, was op dat moment voor Marshallplan-zaken voor de vakbeweging echter een veel minder voor de hand liggende plek dan Parijs, waar de Amerikaanse bonden met de vakcentrales uit de relevante Europese landen juist een contact- en coördinatiebureau hadden opgezet ten behoeve van de uitvoering van dat plan. Ook voor ILO zaken die je met ze wilde bespreken kon je trouwens beter terecht op de European Offices van de AFL en de CIO in Parijs. Maar goed, Marshallplan, New York – het zou dus kunnen.

Harry Bridges. Voorzitter International Longshore and Warehouseworker’s Union

Aan de andere kant: als het Vermeulen inderdaad te doen was om het bezweren van een boycot-gevaar van Amerikaanse havenarbeidersbonden, dan moeten het NVV en hij geweten hebben dat hij vakbondspolitiek gezien toch waarschijnlijk aan een tamelijk kansloze missie voor Drees begon. Voor scheepstransport naar Indonesië is immers de westkust de plek waar je in Amerika moet zijn. En daar was de International Longshore and Warehouseworker’s Union van de legendarische communist Harry Bridges de baas — en die zou me daar collega en anti-communist Vermeulen van het NVV zien aankomen om zaken mee te doen? In die tijd zou dat een dijenkletser zijn geweest.

Vraagtekens troef. Degenen die op gezag van Drees het NVV als knechtje van de regering hebben afgeschilderd hadden toch wel even dit soort dingen kunnen bedenken en nagaan. Dingen die ook nog eens vrij eenvoudig te vinden zijn. Als je dat doet, dan kom je voor de genoemde landen op de volgende onderwerpen uit.

Groot-Brittannië en Australië

Carl Romme

Groot-Brittannië: wat Drees en Romme in 1948 graag uit de weg wilden hebben was een wapenembargo van de Britse regering voor Indonesië, dat overigens zowel voor Nederland als Indonesië zelf gold. Zo’n embargo was trouwens ook afgekondigd door de Amerikanen. Niets is natuurlijk onmogelijk, maar het lijkt toch wel buitengewoon onwaarschijnlijk dat Britse en Amerikaanse bonden van zins zouden zijn geweest zoiets zwaarwegends te schenden.

Australië dan? Dat had in zijn belangrijkste havens, met tussenpozen, tussen 1945 en 1949 succesvolle boycotacties van havenarbeidersbonden en zeelieden tegen Nederlandse schepen. “Black Armada” heette die campagne, honderden Nederlandse schepen hadden ermee te maken gehad en Nederland had er veel last van. Maar het valt te betwijfelen of het NVV veel gezien zal hebben in een eigen interventie bij de Australische bonden. Met de vakcentrale daar, die overigens zelf geen gemakkelijke relatie met haar havenbonden had, bestond er geen relatie en juist voor die bonden gold wat ook voor de dokwerkersbonden aan de Amerikaanse westkust gold: ze stonden onder onverdacht communistische leiding. Het NVV zou wel wijzer zijn geweest dan voor al dat geld naar Sydney te vliegen om daar uitgelachen of gewoon de deur uitgegooid te worden. Want zo waren die jongens daar wel. Nee, Vermeulen daarheen te sturen was vast geen optie. En de moeite van telefoontjes plegen over dit onderwerp, of brieven of telexen sturen naar deze collega’s ten gerieve van Drees, die moeite konden ze zich gevoeglijk besparen, dat konden ze ook nog wel bedenken.

Flutverhalen

Singapore? Dat ging blijkbaar over marine-faciliteiten. Het NVV had daar helemaal geen kaas van gegeten en ook geen contacten met de plaatselijke bonden die kansrijk konden worden ingezet.

En dat luchthavenpersoneel in India en Pakistan dan? Wat zou het NVV in 1948/49 hebben moeten verzinnen om daar op een geloofwaardige manier binnen te komen, als ze dat al gewild zouden hebben?

Kortom: wat is dit nou voor een flutverhaal, en waarom is deze kritiek op de vakbeweging voor zoete koek geslikt en doorverteld en opgeschreven door – voor een deel toch zeker – serieuze mensen die heus wel iets van politiek, oorlog en vakbonden wisten. Wat moet op dit punt de conclusie zijn, overigens met alle respect voor de eerbiedwaardige staatsman als bron? Tamelijk wrak onderbouwde kritiek op het NVV in deze, daar ziet het naar uit.

Niet solidair met de Indonesische vakbeweging

En nu nog een korte toelichting over het laatste verwijt, een hard verwijt ook, aan het adres van de Nederlandse vakbeweging en vooral dan weer aan het NVV. “Het heeft zich niet solidair getoond met de Indonesische arbeidersklasse.” En dat zou dan danig in tegenstelling staan tot de Australische bonden van havenarbeiders en zeelieden die – met succes – Nederlandse schepen boycotten die vracht naar Nederlandsch-Indië wilden vervoeren. Alweer: dit verhaal valt gemakkelijk op internet te vinden.

Joris Ivens, die van deze acties met Indonesia Calling in 1945 een filmisch monument gemaakt heeft, zegt erover in zijn autobiografie dat het niet alleen de bonden van dokwerkers en zeelieden waren die actie ondernamen, maar dat “de” Chinese, Australische, Maleisische en Indiase zeelui zich erbij aansloten. Hij heeft daarmee individuele arbeiders van die nationaliteiten in Australische havens op het oog en niet zozeer vakbonden in de genoemde landen. De Tribune schreef dat er ook nog bonden uit Sri Lanka en Egypte meededen, maar daar wordt verder niets over gezegd.

Hoe zat dat met die Australiërs?

Bij die Australische acties vallen wel een paar vraagtekens te plaatsen. Kranten in Australië en in de kolonie berichtten toch wat vreemde dingen over de vertegenwoordiging van die Australische bonden op het SOBSI-congres van mei 1947: de bestuurders spreken er zelf niet, maar laten het woord doen door een andere Australiër, een schimmige handelsattaché van Indonesië die gevestigd is in Australië; de Australische vakcentrale laat officieel weten dat ze deze man niet kennen en dat men vooral niet moet denken dat hij namens de ACTU spreekt; het lijkt verder niet te boteren tussen de ACTU en de door communisten geleide havenbonden. De Labourregering van dat moment doet nog een duit in het zakje en vraagt zich af hoe die handelsattaché aan zijn visum is gekomen. Tenslotte is er ook nog eens een roddel dat de twee Australische bondsvoorzitters, aanwezig in Malang, een commercieel plannetje hebben met een of meerdere SOBSI-bestuurders om samen na het congres een bureautje in Singapore te gaan openen waar op de een of andere manier goed geld verdiend kan worden. En dan zou er ook nog kort na het congres een SOBSI-delegatie naar Sydney vertrekken om daar nu ineens weer met de dokwerkersbonden te gaan praten over beëindiging of onderbreking van de boycot. Terwijl die handelsattaché juist gezegd had dat ze zo blij en trots zijn dat ze de Indonesiërs kunnen blijven steunen in hun strijd. Applaus!

Vraagtekens dus, waarvan enkele het epos misschien een beetje minder fraai zouden kunnen maken, maar zelfs dat zal toch helemaal niets kunnen afdoen aan de betekenis van de acties. Zeker is namelijk wel, dat ze veel schade hebben berokkend aan de Nederlandse scheepvaart en dat ze behoorlijk wat indruk op de Nederlandse regering hebben gemaakt. Het is dus geen wonder dat ze diep in het geheugen van de oude Drees waren doorgedrongen en het is terecht dat ze geen voetnoot gebleven zijn in de geschiedschrijving van onze dekolonisatie in Azië.

Dekolonisatie bij de Engelsen

Wonderlijk is wel dat in aansluiting bij dit soort kritiek, die het handelen van de Nederlandse vakbeweging – terecht – in internationaal perspectief plaatst, niet de vraag wordt gesteld hoe de vakbeweging in andere landen dan Australië in diezelfde periode soortgelijke problemen heeft aangepakt. Landen die, anders dan Australië, zelf ook koloniën hadden. Hoe solidair zijn bonden uit die landen geweest met de vakbeweging in hun koloniën die de vrijheid wilde en die niet zonder slag of stoot kregen? Staakten zij wèl tegen het zenden van troepen en wapens door hun regering? Organiseerden zij wèl boycots tegen beleid waar bevriende politieke partijen medeverantwoordelijk voor waren?

Wat is bijvoorbeeld bekend over solidariteitsacties van bijvoorbeeld de Britse vakbonden? De Engelsen hebben bloedige en langdurige dekolonisatie-oorlogen gevoerd in Azië, in Maleisië bijvoorbeeld, of in Afrika, in Kenia – om iets echt grootschalig gruwelijks te noemen. Niet nodig om hier data, jaartallen, moordpartijen, doodseskaders, systematische martelingen, executies en concentratiekampen bij op te sommen, die kan iedereen zo opzoeken. Maar wat nou, wanneer je wilt weten of er toen ook nog solidariteitsacties door de Britse vakbonden zijn gevoerd tegen hun regering, ten behoeve van de voor hun vrijheid vechtende Kenianen tussen 1952 en 1960? Acties die men bij nader inzien als lichtend voorbeeld zou kunnen voorhouden aan de Nederlandse bonden in de eigen dekolonisatieperiode? Vreemd hoor, geen spoor.

Franse dekolonisatie-oorlogen

Ho Chi Min,
politiek leider Communistische Partij Noord-Vietnam

En al evenmin bij de Fransen. Die hebben er ook een paar gehad, dekolonisatie-oorlogen die niet misselijk waren. Vietnam, om maar wat te noemen. Het begon daar gek genoeg ook met een onafhankelijkheidsverklaring die werd voorgelezen door de leider van een verzetsbeweging die alleen geen Soekarno of Hatta heette, maar Ho Chi Minh, vrijwel tegelijk met die twee trouwens. Terwijl het toeval ook nog wil dat in Hanoi waar hij dat deed, net zoals in Batavia, Britse troepen onder leiding van Lord Mountbatten namens de geallieerden de orde handhaafden. Meteen nadat die troepen vertrokken waren begonnen de Fransen te schieten en dat hielden ze vol tot ze negen jaar later in Dien Bien Phu eindelijk werden verslagen door de Vietnamezen. Die toen met neo-kolonisatoren te maken kregen die het zo mogelijk nog veel bonter maakten dan de Fransen. De moeite waard om nog eens allemaal na te lezen – maar iets over solidariteitsacties van Franse vakbonden tegen hun eigen regering ten behoeve van het Vietnamese volk in die jaren zul je daarbij toch echt niet tegenkomen. Wel over Franse vakbonden die pal achter hun regering stonden, een coalitie met de Franse Communistische Partij PCF. Alle bonden stonden pal, ook de grootste, de CGT, die door communisten werd geleid.

Om over het Noord-Afrikaanse Algerije maar te zwijgen. Even kijken in Wikipedia maar weer, mocht dat nodig zijn. Wel weer even goed kijken of er iets in staat over solidariteit van Franse vakbonden met de Algerijnse vrijheidsstrijders en het Algerijnse volk, tegen de Franse regering. Er kan lang worden gezocht naar iets waar de Nederlandse vakbeweging destijds een mooi voorbeeld aan had kunnen hebben. Maar tevergeefs.

Het heeft geen zin, je wordt er alleen maar cynisch van. Het is gewoon niet zo zinvol tussen dit soort rampen vergelijkingen te trekken, zo van: wat was nou erger: Ragawede (Indonesië) of My Lai (Vietnam)? Of: wie is er kampioen solidariteit? Dat blijft hier dus maar achterwege.

Als je dan toch organisaties wilt aanspreken op tekortkomingen, beschamend falen misschien zelfs, en je slaat daarbij aan het vergelijken, dan moet je het toch een beetje anders aanpakken. Ga dan te werk met een wat ruimere blik en wees een beetje preciezer dan tot dusverre gebeurd is bij het beoordelen van de staat van dienst van de Nederlandse vakbeweging waar het ging om solidariteit ten tijde van de “politionele acties” in Indonesië.

Willem Drees
Mohammed Hatta, vice-president Indonesië
Joris Ivens, maker van de documentaire Indonesia Calling
Evert Kupers

Tot slot

Dit waren zo wat kanttekeningen bij wat, naar mijn idee, in grote trekken het beeld is van de bemoeienis van de Nederlandse vakbeweging met onze koloniale oorlog in de Oost. En bij datgene wat daar in de jaren sindsdien door deze en gene over geschreven en gezegd is.

De EVC was er in 1949 wel zo ongeveer klaar mee, had trouwens ook niet zo lang meer te leven. KAB en CNV werden kort voor de soevereiniteitsoverdracht wakker en begonnen toen in allerijl plannen te maken voor de belangenbehartiging na 1950 van Nederlandse werknemers in de Republik Indonesië en – niet te vergeten – op Nieuw-Guinea. Ze stuurden er met het oog daarop mensen heen en maakten ook plannen voor eigen organisaties daar.

Ook het NVV begaf zich een tijdje op dat pad; het was allemaal nog erg onduidelijk hoe het zou lopen en tot 1958 leek het niet uitgesloten dat het Nederlandse bedrijfsleven nog wel een soort doorstart zou kunnen maken. Het NVV bleef bovendien geïnteresseerd in de ontwikkeling van de Indonesische vakbeweging en slaagde er een tijdlang in om oude banden en contacten te handhaven.

Ko Suurhoff bezocht in 1950, niet zo lang voordat hij minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid werd, nog een SOBSI-congres en maakte aansluitend een lezingentrip door het land waarin hij zijn ideeën over vakbondswerk, de maatschappelijke rol van de vakbeweging en de verhouding vakbeweging-politiek met veel geïnteresseerde Indonesische collega’s besprak. Hij was gekomen, zei hij in een interview, om contacten met vakbonden te herstellen die door de eerste “politionele actie” verloren waren gegaan. Het NVV had schriftelijk en telefonisch geprobeerd ze te herstellen, maar daar was nooit op gereageerd. Of hij vaak heeft moeten uitleggen waarom hij zo’n punt maakte van een strikte scheiding politiek-vakbeweging in Indonesië, terwijl hijzelf en andere NVV-bestuurders met dubbele PvdA / NVV-petten op liepen, is niet bekend.

In zijn spreekbeurten voor “verschillende arbeidersorganisaties” had Suurhoff het, desgevraagd, onder meer over het opbouwen van vakbonden, over stakingen, en ook over zwakheden van de Indonesische vakbeweging zoals hij die zag: versnipperd, te verpolitiekt, niet in staat of bereid een goed systeem van contributiebetaling op te zetten en te handhaven. En over de bereidheid van de Nederlandse vakbeweging in de toekomst een handje te helpen, als daar behoefte aan was, zonder bijbedoelingen, zonder inmenging in interne aangelegenheden. Enkele Nederlandstalige kranten op Java schreven smalend: “Suurhoff geeft stakingsles.

En toen kwam 1958 met nationalisaties van Nederlandse ondernemingen en kort daarna ook nog eens de inlijving van Nieuw-Guinea. Daarmee viel het doek over de hoop die sommigen nog steeds koesterden op een soort reconstructie en herleving van oude relaties.

Zoals de activiteiten van het NVV in Indonesië van vóór 1940 een plaats verdienen in het verhaal over de periode 1945-1950, zo hoort dit korte staartje tekst over die eerste paar jaar na de souvereiniteitsoverdracht, daar eigenlijk ook nog bij. Aanknopingspunten genoeg, voor nader onderzoek.

Soekarno
Ko Suurhoff
Ad Vermeulen