ARBOCONVENANTEN NIEUWE STIJL EN ARBOVISIE 2040 (deel 1)
‘Zero death at work’: van 4000 doden per jaar naar nul
Dit ‘tweeluik’ van webartikelen is een herbewerking van een begin februari 2024 op vakbondshistorie.nl gepubliceerde tekst over ‘Arboconvenanten Nieuwe Stijl’ (‘ANS’).
Ze zijn mede bedoeld als opstapje naar een op de grens van augustus en september 2024 op vakbondshistorie.nl verschenen uitgebreidere pdf-publicatie over dit onderwerp.Waarom deze aandacht voor een bijkans vergeten fenomeen?
Deels om het aan de vergetelheid te ontrukken. Het kabinetsprogramma ‘Arboconvenanten Nieuwe Stijl’ was voor werkgevers en vakbonden tussen 1999 en 2007 dé paraplu voor afspraken – convenanten – in tientallen sectoren, bedoeld om het werk veiliger en gezonder te maken. Uiteindelijk vielen zo’n 3,5 miljoen werknemers binnen de werkingssfeer van die in het kader van ANS gemaakte afspraken.Op zichzelf al genoeg aanleiding voor een terugblik. Daar komt bij dat 25 jaar later de ambitie van sociale partners en de toenmalige Minister van SZW, Karien van Gennip, in dezelfde richting als destijds met ANS lijkt te bewegen.
Het kabinetsbeleid, nu onder de titel Arbovisie2040, krijgt als motto mee: ‘Nul doden op het werk’. En de SER adviseert om dat aan te pakken op een wijze zoals 25 jaar eerder ook bij ANS gebeurd is.
Dan rijst al snel de vraag: wat hebben vakbonden geleerd van 7 jaar Arboconvenanten…of gaan we opnieuw het wiel uitvinden?Tot slot is de upgrade van het eerder verschenen artikel tot een tweeluik ook het gevolg van ‘voortschrijdend inzicht’, ofwel: veranderende ideeën over wat er voor de vakbeweging te leren valt van ANS.
Jan Verhagen
september 2024
Arboconvenanten: actueel…en toch vergeten
Elk jaar overlijden, alleen al in Nederland meer dan 4000 mensen als gevolg van onveilig en ongezond werk. Soms gebeurt dat op het werk zelf, denk aan een arbeidsongeval, maar vaak ook pas na tientallen jaren, als gevolg van blootstelling aan ‘sluipmoordenaars’, zoals kankerverwekkende stoffen.
Dat getal van elk jaar omstreeks 4000 doden, daalt al ruim tien jaar niet. Opgeteld waren er dus in de voorbije 10 jaar 40.000 of meer arbeidsgerelateerde sterfgevallen te betreuren.

In officiële arbopublicaties gebruikt men voor die cijfers vaak het woord ‘stabiel’. Termen als ‘stagnatie’ en ‘onaanvaardbaar’ zouden beter passen.
Hoog tijd voor code rood zou je denken. Maar pas meer dan 15 jaar nadat de FNV in 2005 voor het eerst alarm slaat over het hoge aantal doden door ongezond werk, begint er wat te bewegen.
Toenmalig Minister van Gennip van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondertekent eind 2022 het Zero Death at Work Manifesto van het Europees Verbond van Vakverenigingen. Het daarin vervatte streven naar nul doden door het werk ligt mee aan de basis van de kabinetsnota ‘Arbovisie 2040’. Veelzeggend is het motto: ‘de trend gekeerd’. Dat verraadt – eindelijk – een groeiend besef van urgentie.
25 jaar eerder markeren Arboconvenanten Nieuwe Stijl (ANS) de eerste, en tot nu toe enige keer, dat het streven naar Veilig en Gezond Werk door overheid, werkgevers en vakbonden gezamenlijk werd voorzien van ‘harde’ targets. Ambitieuze streefcijfers om het aantal werknemers, dat te maken heeft met ongezonde en onveilige situaties, structureel omlaag te brengen. Dan praten we over arbeidsrisico’s als te hoge werkdruk en RSI, over te zwaar tillen en blootstelling aan oplosmiddelen
Met dat doel kregen 55 sectoren gedurende 8 jaar te maken met tal van activiteiten en instrumenten, gericht op het terugdringen van in totaal 19 verschillende arbeidsrisico’s.
ANS kreeg na 2007 geen vervolg. Maar wie weet wordt de draad, na een stilte van meer dan 15 jaar, in de tweede helft van de jaren ’20 weer opgepakt?
Want in mei 2023 adviseert de Sociaal-Economische Raad (SER), als het Kabinet op het punt staat ‘Arbovisie2040’ te lanceren, het volgende:
“De SER adviseert om concrete en meetbare doelen te stellen ten aanzien van preventie op nationaal, sectoraal en bedrijfsniveau voor de periode 2023 tot en met 2040, waar alle partijen zich aan committeren. Monitoring van de voortgang is noodzakelijk aan de hand van passende indicatoren per type risico.”[1]
Dat is exact de aanpak die ook Arboconvenanten Nieuwe Stijl heeft gekenmerkt! Toch lijken die Arboconvenanten zo goed als vergeten. De parallellen die in het SER-advies van begin 2023 zichtbaar worden, berusten blijkbaar op toeval, en niet op bewust teruggrijpen op dit eerder toegepast concept.
Als het geciteerde SER-advies wordt omgezet in reëel handelen, wat bij SER-adviezen niet steeds vanzelf spreekt, betekent het niet meer of minder dan het herleven van de strategie die 25 jaar eerder ten grondslag heeft gelegen aan ANS. Dat maakt de aanpak van destijds, en vooral de daaruit te trekken lessen weer hoogst actueel, zeker ook voor de vakbeweging!
Een beknopte tijdlijn van 1998 tot 2023. Een meer uitgebreide versie staat aan het eind van dit artikel
ANS: van deregulering naar ambitie?
Arboconvenanten Nieuwe Stijl leunen op de kabinetsgedachte dat ze een geschikt middel zijn om de verantwoordelijkheid voor goede arbeidsomstandigheden sterker bij sociale partners te leggen. Dat is in lijn met het sinds de jaren ’80 dominante dereguleringsstreven van de overheid.
Tegelijk wil het kabinet – Paars 2 is in augustus 1998 aangetreden – zich in de beste poldertraditie inspannen om betrokkenen te laten wennen aan meer ‘zelfwerkzaamheid’ luidt een periode van ruim acht jaar in, waarin een compleet activiteiten-, onderzoeks-, overleg- en opleidingsbouwwerk wordt opgetrokken om arbeidsomstandigheden in Nederland te verbeteren.
Daarmee markeren Arboconvenanten Nieuwe Stijl de eerste en tot nu toe enige keer dat ambities voor onveilig en ongezond werk op zo grote schaal en in zoveel sectoren zijn gekoppeld aan concrete plannen en activiteiten, en vooral: aan harde reductiedoelstellingen. ANS koerst namelijk op resultaat, in de vorm van een meetbare daling van het aantal werknemers dat wordt blootgesteld aan risico’s als werkdruk, RSI, zwaar fysiek werk en, in minder mate, gevaarlijke stoffen.
Ook de vakbeweging participeert actief, niet alleen in ‘Den Haag’, maar vooral in sectoren en bedrijven. Arboconvenanten prikkelen daarmee ook vakbondsbestuurders om het onderwerp ‘arbo’ een hogere positie in hun agenda te geven. FNV Bondgenoten onderstreept in die jaren het belang via een tot in Den Haag toe toonaangevende website over arboconvenanten.

Een beknopte tijdlijn van 1998 tot 2023. Een uitgebreidere versie aan het eind van dit artikel
Hoe werken Arboconvenanten Nieuwe Stijl?
Hoewel niet alle sectoren op dezelfde manier tewerk gingen, stappen soms in een andere volgorde werden afgehandeld, of soms ook overgeslagen, ging het meestal als volgt in zijn werk:
- De aftrap gebeurt in de vorm van een intentieverklaring, waarin werkgeversorganisaties en vakbonden afspreken dat ze willen komen tot een Arboconvenant voor ‘hun’ sector.
- Met steun van de overheid neemt een Branche Begeleidings Commissie (BBC), waarin alle deelnemende partijen zijn vertegenwoordigd, de organisatie, coördinatie en communicatie voor zijn rekening.
- Via een nulmeting worden aard en omvang van de blootstelling aan de risico’s, die men aan wil pakken onderzocht. Een voorbeeld is de nulmeting fysieke belasting in de kappersbranche (2001);
- Dan volgt het convenant zelf. Partijen spreken in het convenant concrete reductiedoelstellingen af, soms ook de activiteiten en middelen waarmee ze die reductie willen gaan behalen, en de looptijd van het convenant. Die looptijd varieert van 2 tot 6 jaar, gemiddeld komen we uit op 3 tot 3,5 jaar.
- In een sectorbreed Plan van Aanpak worden vervolgens oplossingen en maatregelen geconcretiseerd. De afspraken op het niveau van de sectoren werken door tot op ondernemingsniveau. Van afzonderlijke bedrijven wordt namelijk verwacht dat ze de reductiedoelstellingen vertalen naar de eigen situatie, en ook vastleggen in een eigen plan van aanpak.
- De plannen worden op sectorniveau in hun voortgang gevolgd, waarbij de BBC een centrale rol vervult.
- Aan het eind van het traject wordt dan via een eindmeting onderzocht of de overeengekomen doelstellingen ook daadwerkelijk zijn gehaald, en wordt het convenant geëvalueerd.
Er wordt uitdrukkelijk gestreefd naar het borgen van resultaten in een sector, ook ná afloop van het convenant. Dat kan via afspraken in de cao, maar gebeurt ook via sectorale kenniscentra en het ontwikkelen van branche-instrumenten.
Het kabinet formuleert in 1999 ook landelijke reductiedoelstellingen voor een aantal risico’s Die lijken echter in de jaren daarna stilzwijgend achter de horizon te verdwijnen.
Helaas: al vanaf het prille begin wordt de resultaatgerichte benadering niet consequent gevolgd. Ook het convenant Thuiszorg bevat voor geen van de twee gekozen arbeidsrisico’s – fysieke belasting en werkdruk – een concrete reductiedoelstelling.
Uit een inventarisatie van 36 convenanten, begin 2007, blijkt dat 11 daarvan – dat is ruim 30% – geen reductiedoelstellingen hebben geformuleerd. Daaronder,opvallend genoeg, ook het Arboconvenant voor de Rijksoverheid.
Van focus op arbeidsrisico’s naar focus op verzuim
Op 3 december 1998 ondertekenen kabinet en sociale partners de gemeenschappelijke verklaring waarin de start van Arboconvenanten Nieuwe Stijl wordt aangekondigd. Begin 1999 gaat het ‘beleidsprogramma’, zoals het op het Ministerie heet, echt van start.
In de Verklaring van 3 december 1998 staat welke vijf arbeidsrisico’s in eerste instantie aan de orde komen: tillen, werkdruk, repeterende bewegingen, geluid, gevaarlijke stoffen (met name oplosmiddelen, allergene stoffen en kwarts). Maar flexibiliteit is ingebouwd: “Dit sluit niet uit dat over andere risico’s afspraken gemaakt kunnen worden.”
Daarna gaat het hard: het eerste Arboconvenant, dat voor de Thuiszorg wordt op 3 maart 1999 ondertekend, eind 2002 zijn er al 50. Dat zijn er 30 meer dan waarop het Ministerie van SZW tot dan toe heeft gerekend.
Wanneer we bezien welke risico’s daadwerkelijk in convenantstrajecten zijn meegenomen, is de lijst aanzienlijk langer dan de vijf die aanvankelijk zijn genoemd:

Slechts 19 van de 31 onderwerpen in de tabel zijn ondubbelzinnig te typeren als directe arbeidsrisico’s, die gevaar kunnen opleveren voor veiligheid en gezondheid van werkenden. Daarbij zijn twijfelgevallen als ‘afgeschermd buitenschilderwerk’ en ‘begaanbaarheid terrein’ meegerekend. In totaal zien we in 67 convenanten afspraken, bij elkaar opgeteld over 269 onderwerpen. Maar daarvan zijn er slechts 169 (65%) te typeren als afspraken over een arbeidsrisico.
Risico’s die betrekking hebben op gevaarlijke stoffen – doodsoorzaak nummer één – komen 30 maal voor, 17,8% van het totaal. Juist in een aantal sectoren waar gevaarlijke stoffen een belangrijk risico vormen zijn géén convenanten afgesloten. En voor zover in arboconvenanten reductiedoelstellingen voor gevaarlijke stoffen zijn geformuleerd, lijken die slechts bij uitzondering (blootstelling aan oplosmiddelen in de verfindustrie) gehaald.
Het programma Arboconvenanten nieuwe stijl kent twee fases. In fase één staat het terugdringen van arbeidsrisico’s voorop. Maar in die fase zien we ook al veel afspraken over het terugdringen van verzuim en arbeidsongeschiktheid. In een overzicht van SZW van eind 2000 lezen we dat in 26 van de 38 daar genoemde convenantstrajecten (ruim 2/3) ‘vroegtijdige integratie’ een van de thema’s is.
De jaren ’00 van de 21ste eeuw zijn de jaren waarin de schaduw van Ruud Lubbers – Nederland is ziek – ook over het ‘arbogebeuren’ hangt. Het leidt eind 2002 tot het afkondigen van een ’tweede fase’ door toenmalig Staatssecretaris van SZW, Mark Rutte.
In deze tweede fase komt het terugdringen van verzuimcijfers en WAO-instroom steeds centraler te staan. De achterliggende gedachte is dat dit ‘als vanzelf’ zal gaan leiden tot investeren in betere arbeidsomstandigheden. Zo blijkt het uiteindelijk niet te werken: de aandacht voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden vermindert eerder dan dat hij toeneemt.
De ene sector is de andere niet…
Arboconvenanten lijken nogal ’top-down’: initiatief, richtlijnen en een deel van het geld komen uit ‘Den Haag’.
Maar sectoren worden niet verplicht mee te doen, er is bovendien veel ruimte voor flexibiliteit en maatwerk. Toch komen juist in een aantal hoogrisicosectoren géén arboconvenanten tot stand. Niet in de metalektro, niet in de transportsector, vrijwel niet in de chemische en procesindustrie, en slechts in een handvol overige industriële sectoren – suikerverwerkende industrie, vlees, grafimedia en bakkerijen met hun toeleveringsbedrijven.
Ook in de havens, waar werkgevers met succes de bestaande sectorale overleg- en cao-structuur hebben weten te ondergraven, is het nooit tot een arboconvenant gekomen. Wél zien we diverse convenanten in de Bouw en aanverwante branches.
In een aantal sectoren is het wel geprobeerd, maar niet gelukt: de ICT, de leer- en schoenindustrie, het openbaar (streek)vervoer, verpleeg- en verzorgingstehuizen en de metalektro.
Daarbij speelt de terughoudendheid van werkgevers om harde targets af te spreken een rol.
De metaal, een verhaal apart…
In de ‘grootmetaal’ lukt het, na drie jaar moeizaam overleg, niet om tot afspraken te komen. Eind 2003 lopen de onderhandelingen stuk. FNV Bondgenoten neemt hier geen genoegen mee, en vraagt de Arbeidsinspectie om een sectorbrede inspectie. De resultaten liegen er niet om. Ook in en rond de Tweede Kamer voert de bond actie. Met als resultaat dat er voor de metaal ‘op bevel van de Staatssecretaris’ alsnog een Plan van Aanpak komt, ook al mag het dan formeel geen ‘convenant’ heten.
Het contrast met een andere ‘hoogrisicosector’, de papier- en kartonindustrie, waar nagenoeg geen sectoroverlegstructuur bestond is groot. Daar komt, na het overwinnen van de aanvankelijke koudwatervrees bij werkgevers, soepel een arboconvenant tot stand.
Tijdlijn Arboconvenanten Nieuwe Stijl
Podcast en pdf
De auteur van dit artikel heeft zijn persoonlijke ervaringen met arboconvenanten ‘in geuren en kleuren’ uit de doeken gedaan in een gesprek met voormalig FNV-collega Peter Moossdorff. Het is te beluisteren als VHV-Podcast in de serie ‘Voorwaarts en niet vergeten’.
[1] “Naar een werkend arbostelsel voor iedereen” – blz. 13.


