Jongeren in de vakbeweging (3)
Uit de geschiedenis van CNV Jongeren
De titel van dit webartikel, net als die van het bijbehorende VHV-Digiboek, is niet zomaar gekozen. Het is een knipoog naar een eerder artikel, waarin voormalig VHV-bestuurslid Geert Wagenaer terugblikt op de geschiedenis van het CNV Jongerenwerk. De titel van zijn stuk: ‘Uit de geschiedenis van de werkende jeugd CNV.’
Wagenaer kijkt vooral terug naar de geschiedenis van het CNV Jongerenwerk tussen 1910 en 1960. Een belangrijke plaats komt daarin toe aan WJ-CNV. Tussen 1955 en 1980 staat die afkorting voor ‘Werkende Jeugd CNV’, in de jaren daarna voor ‘Werkende Jongeren CNV’.
‘Jeugd’ of ‘jongeren’…tegenwoordig lijkt het een minieme verandering van etiket. Toch is daar vroeger heel wat over afgediscussieerd, en niet alleen bij het CNV.
In 1998 is het tijd voor een nieuwe heroriëntatie. Ook dat moment – gemarkeerd door een ‘high tea’ – beschrijft Geert Wagenaer uitvoerig in zijn artikel.
Anno 2023 staat CNV Jongeren er weliswaar op het eerste zicht stevig bij, maar voor het aantal jongeren dat lid is van de vakbeweging geldt dat niet. Integendeel: hun absolute aantal én hun relatieve aandeel op het totale aantal vakbondsleden loopt gestaag terug. Zie hiervoor een ander artikel in de serie ‘Jongeren in de vakbeweging’.
Dit stuk is vooral een aanloop naar en een aanmoediging tot het lezen van het VHV-Digiboek. Daarin wordt, met de tekst van Geert Wagenaer als kompas, de geschiedenis van het CNV Jongerenwerk verder uitgediept, en geactualiseerd tot 2023.
Ook wordt geprobeerd enkele ‘gaten’ te dichten. Met name de meer ‘activistische’ periode in de geschiedenis van WJ-CNV, tussen 1969 en 1984, komt in het artikel van Geert Wagenaer niet echt aan bod. Jaren die getekend zijn door acties vóór het recht op vorming, later tégen jeugdwerkloosheid en verlaging van minimumjeugdloon en uitkeringen, maar soms ook door interne problemen.
Die jaren worden mede in beeld gebracht via de interviews die ik mocht hebben met enkele vroegere ‘kopstukken’ van WJ-CNV: André Bal en Wyb Kusters. CNV-historicus Piet Hazenbosch heeft een stevige duit in het zakje gedaan met inhoudelijke aanvullingen en correcties. Floor van Gelder en Piet Hazenbosch hebben de tekst bovendien ook in taalkundig opzicht ‘op punt gesteld’.
Allemaal zeer veel dank hiervoor!
In de nu volgende hoofdstukken enkele highlights uit het VHV-Digiboek, bedoeld als ‘smaakmaker’ om verder te lezen. Vooral doen!
Jan Verhagen
mei 2023
De impact van ‘1968’: van jeugdclubs naar actievoeren

Tot midden jaren ’60 borduren de vakbondsjongerenorganisaties voort op traditionele formules. Trefwoorden zijn ‘gezelligheid’, ‘ontspanning’, maar zeker ook ‘vorming’.
Die formule verliest allengs aan kracht, maar de groeiende opstandigheid onder werkende jongeren, al blijft die wat achter bij het radicalisme van de studentenbeweging, helpt bij het herpositioneren van de organisaties. ‘Belangenbehartiging’ op specifieke jongerenissues, vooral in relatie tot het kabinetsbeleid, komt centraal te staan. Dat is te zien in de belangrijkste, soms opvallend actuele ‘werkdoelen’ van WJ-CNV in de jaren ’70: sociale dienstplicht, milieu, versobering, ontwikkelingssamenwerking, onderwijs en vorming, medezeggenschap, werkgelegenheid, jeugdlonen, arbeidssituatie, internationale solidariteit, schoolverlaterswerk en jongerenhuisvesting.
Het verschuiven van de focus naar jongerenbelangen voorziet in een lacune, want vakbonden en vakcentrales zelf hebben daar over het algemeen weinig aandacht voor.
Het leidt op 1 november 1969 tot een grote jongerendemonstratie. Tienduizend· jongeren demonstreren in Den Haag voor het recht op vorming. De voorzitters van de drie vakcentrales komen op bezoek…en worden uitgefloten.
André Bal: “Het ging om het recht op partiële leerplicht, dat al sinds de Eerste Wereldoorlog in de wet stond, maar nooit in de praktijk was gebracht. Al die tijd hebben die verbondsvoorzitters zich daar geen donder van aangetrokken. Terwijl al in de jaren ’60 het probleem op tafel was gelegd bij de vakcentrales. Vandaar dat de leiding van de jongerenorganisaties stelden dat ze dit recht hadden verkwanseld. En vandaar die boze ontvangst van de drie heren.”
Maatschappelijke dienstplicht en jongerenhuisvesting

Wyb Kusters: “Maatschappelijke dienstplicht was een belangrijk item. Dat was goed voor de samenleving, en trok de ongelijkheid recht, dat slechts een klein deel van de jongeren, en dan nog alleen de mannelijke, in die tijd werd opgeroepen voor militaire dienst.
Veel animo voor die maatschappelijke dienstplicht was er buiten WJ-CNV alleen niet. KWJ en NVV-Jongerencontact vonden de ideeën over maatschappelijke dienstplicht maar niks, het onderwerp sloot typisch aan op CNV-ideeën over maatschappelijke verantwoordelijkheid en zo.”
Daarnaast was ‘Jongerenhuisvesting’ een belangrijke speerpunt.
Wyb Kusters: “Jongerenhuisvesting werd in de jaren ’70-’80 echt een issue voor werkende jongerenorganisaties. Dat resulteerde onder meer in een voorstel ‘Bouwwerk voor jongeren’, dat nog aan Den Uyl is gestuurd, die toen minister van Sociale Zaken was. Kern van het voorstel was om jongeren aan het werk te zetten bij het verbouwen van leegstaande panden tot zogenaamde HAT-eenheden: maak er leerling-bouwplaatsen van. Wij vonden dat een heel aardig idee, maar krakers in die jaren vonden het helemaal niks.”
De moeilijke jaren ’70
Na 1970 breken enkele moeizame jaren aan voor WJ-CNV. Het succes van eind 1969 lijkt lastig te bestendigen. Organisatorische en vooral ook financiële problemen domineren het bestaan. Ook al zijn dit de jaren van redelijk riante overheidssubsidies, de kosten van een groeiende organisatie blijken die steevast te overstijgen. Het leidt begin 1972 tot een crisis bij WJ-CNV.
Actievoeren en belangen behartigen wordt midden jaren ’70 vooral weer bij de bonden neergelegd.
Toch heeft een deel van de werkdoelen van WJ-CNV ook in die tijd betrekking op de (materiële en immateriële) werksituatie van jongeren. Thema’s waarvan je zou kunnen zeggen dat het typisch ‘bondstaken’ of taken voor de vakcentrale zijn: medezeggenschap, werkgelegenheid, jeugdlonen, schoolverlaterswerk. Het zijn – misschien niet helemaal toevallig – voor een deel dezelfde onderwerpen waarop bonden en centrales in het verleden steken hebben laten vallen, wat tot de minder vriendelijke ontvangst van de drie toenmalige voorzitters Lanser (CNV), Kloos (NVV) en Mertens (NKV) op 1 november 1969 had geleid.
Aan de weg timmeren in de crisisjaren ’80
Tien jaar na ‘1969’ staan heel andere thema’s dan het recht op vorming in de schijnwerpers van vakbondsjongerenorganisaties. De alarmerende jeugdwerkloosheid – uitschieter was 1983 met een jeugdwerkloosheid van bijna 18 procent – gaat gepaard aan voortdurende aanvallen op het minimumjeugdloon en op de uitkeringen voor jongeren zonder werk.

WJ-CNV is herhaaldelijk nauw betrokken bij acties, neemt ook zelf initiatieven, kortom: lijkt na de moeizame eerste helft van de jaren ’70 weer een en al activiteit.
Al dit actiewerk is in meerdere of mindere mate succesvol. Soms zegt de minister – zoals in 1978 Albeda (kabinet van Agt-Wiegel) – geldmiddelen toe, of neemt ideeën van jongerenorganisaties over.
Eerder al belooft minister Boersma te streven naar een gefaseerde verlaging van de leeftijd waarop het minimumloon voor volwassen moet gelden. Deze belofte en zijn inzet voor werkende jongeren op meer fronten, levert Boersma, als (toen al) oud-minister, op 8 november 1978 uit handen van André Bal een ‘award’ op: de Jongerenprijs WJ-CNV.
André Bal: ” Jaap Boersma wilde op termijn het minimumjeugdloon afschaffen door de leeftijd van het minimumloon voor volwassenen stap voor stap omlaag te brengen. Wij hebben hem toen een soort bemoedigingsprijs daarvoor uitgereikt. Lou de Graaf die later staatssecretaris werd, was juist weer een voorstander van verlaging van het minimumloon, en hij heeft ook het stelsel waarin jongeren recht hadden op een WWV-uitkering om zeep geholpen.”
Ook het jaar 1980 gonst van de vakbondsjongerenacties, met name gericht tegen kabinetsmaatregelen die leiden tot verdere verslechtering van hun inkomenssituatie, zoals de verlaging van het minimumjeugdloon.
Wyb Kusters: “In die tijd heb ik met mensen van de KWJ en van NVV-Jongerencontact, samen met een aantal kaderleden, het Beursgebouw in Amsterdam, zij het zeer kort, bezet.”[1]
Over een van de andere acties, op 16 december 1980: “Ik kan me herinneren dat ik bij de jongerenorganisatie de taak kreeg om samen met de andere vakbondsjongerenorganisaties, en een grote groep kaderleden, het Ministerie van Sociale Zaken te bezetten. Ik dus aan het ‘spioneren’, kijken hoe het daar werkte. We hadden uiteindelijk een groep van een man of tachtig mee, en een pop die Albeda moest voorstellen. Het was zaak op tijd binnen te komen, zodat ze de deuren niet konden sluiten. Dat lukt niet, dus de boel was afgesloten. Albeda is er toen via de parkeergarage uitgegaan, maar een grote groep jongeren kwam vervolgens om zijn auto heen staan. De Telegraaf beweerde toen nog dat we de auto van Albeda hadden beschadigd. Kul!”
De brugfunctie van het bondsjongerenwerk

Net als elders in de vakbeweging doen zich bij WJ-CNV soms spanningen voor met sommige CNV-bonden en de vakcentrale, vooral wanneer zich overlap van taken en activiteiten voordoen.
Zo komen eind jaren ’70 bedrijven vaker op het pad van de jongerenorganisatie, en meestal gaat dat wel goed.
Wyb Kusters: “We maakten elk jaar een werkplan, waarin allerlei activiteiten en thema’s werden beschreven. Bijvoorbeeld in 1978 de teloorgang van KSH in Zaandam. Daar ging een groepje van zo’n tien jongeren van ons dan mee aan de slag. Ze gingen uitzoeken wat er aan de hand was, en of wij misschien een oplossing konden bieden. Dat vonden de bonden over het algemeen prima, geen probleem.
Maar een enkele keer blijkt het wat minder eenvoudig.
Wyb Kusters: We hebben in die tijd ook bij Hoogovens een jongerengroep opgezet. Als provinciaal medewerker begeleidde ik dat. De toenmalige bestuurder van onze Industriebond vond het een geweldig idee. Toen het eenmaal liep, kwam ik een keer zijn net aangetreden opvolger tegen. Die vroeg me ‘wat WJ hier deed’… en ik moest weg. Dat werd dus een probleem voor het bestuur van WJ. De oplossing was uiteindelijk dat de bondsjongerenwerker van WJ-CNV die bij de Industriebond zat, een directe collega van me, het ging doen, en niet de provinciaal medewerker, die ik was. Soms liepen bondsjongerenwerk en districtswerk dus in elkaar over. “
‘Bondsjongerenwerkers’ zijn weliswaar formeel in dienst van WJ-CNV, maar werken ‘in de schoot’ van, en tot op zekere hoogte ook aangestuurd door de bonden.
Ze zijn van niet te onderschatten belang geweest bij het voorkomen en zo nodig oplossen van (sporadische) wrijvingen.
Wyb Kusters: “Maar het betekende wel dat bondsjongerenwerkers vaak heel gespleten moesten opereren. Wie moet ik nu volgen? Mijn echte baas bij de jongerenorganisatie, die me betaalt, of mijn ‘materiële’ baas bij de bond?”
Ook op het onderwerp scholing en onderwijs, waaronder de bemoeienis met het ‘leerlingenstelsel’, bestond overlap. Wyb Kusters: “Niet alleen de beleidsmedewerker had scholing en onderwijs in haar pakket, maar ook een aantal collega’s die in het bondsjongerenwerk zaten.” Toch lijken zich hier weinig problemen voor te doen.
Wat beslist niet vergeten mag worden: WJ-CNV blijkt al die jaren een enorme kweekvijver te zijn voor CNV-vakbondsbestuurders.
Werken bij WJ-CNV is voor velen een leerschool voor de verdere loopbaan. Niet alleen Wyb Kusters en André Bal zijn na hun jaren bij WJ-CNV doorgegaan als vakbondsbestuurder. Ook de huidige (2023) CNV-voorzittter Piet Fortuin is ooit begonnen bij Werkende Jongeren CNV. Het ‘openhouden’ van de verbindingen tussen jongerenorganisatie en bonden is ook daarom een gedeeld belang.
1997: Future Card…op de rand van de afgrond
In 1997 wordt de ‘Future Card’ gelanceerd, een ‘voordeelpas’ voor jongeren, gekoppeld aan een vorm van jongerenlidmaatschap. Het bezorgt het CNV op een gegeven moment rond de 70.000 jonge ‘Future Card-leden’. Maar ook een groot financieel probleem: een faillissement van Future Card kan na enkele jaren slechts met grote inspanningen voorkomen worden.
Wyb Kusters: “De Future Card was een combinatie van voordeelkaart, werkgerichte adviezen en recht op dienstverlening. Onderdeel was een deal over een mobiele telefoon die specifiek gebruik van Future Card diensten mogelijk maakte.
Dat was een succes…en daar zag ook Vodaphone brood in, bracht zelf die telefoon op de markt, en haalde ons 3,4 keer in. Een paar maanden later ging ook KPN er mee aan de haal. Dat, en de kosten van de reclamecampagne, brachten de BV Future Card aan de rand van het faillissement. Met veel pijn en moeite hebben we dat uiteindelijk weten af te wenden.
Daarna zijn we er op een zacht pitje mee verder gegaan. Dat deden we door een herlancering van de Future Card, onder meer op de Megafestatie in Utrecht. De eerste de beste keer leverde ons dat zo’n 65.000 inschrijvingen op. Dat waren dus ook ‘leden’ van de Jongerenorganisatie.”
1998: ‘Werkende Jongeren CNV’ wordt ‘CNV Jongeren’

Rond 2000 lijken de ergste problemen dus voorbij, maar desondanks is twintig jaar later de Future Card van het CNV-jongerentoneel verdwenen.
In de jaren ’90 is ook WJ-CNV ‘zoekende’ naar een bij de veranderende tijden passende koers en profiel. Resultaat: ruim veertig jaar na de oprichting maakt ‘Werkende Jeugd CNV’ in 1998 plaats voor ‘CNV Jongeren’.
Aanvankelijk nog onder de naam ‘De Jongerenorganisatie CNV’ ontstaat een zelfstandige bond, aangesloten bij het CNV. De nieuwe organisatie richt zich niet uitsluitend op werkende jongeren: “CNV Jongeren is een onafhankelijke vakbond voor jonge werknemers in Nederland. We zijn er voor de bijbaners, stagiairs, vakantiewerkers, studenten, net-afgestudeerden, starters en young-professionals.”
Iedereen in de leeftijd van 13 tot 35 jaar kan lid worden. De organisatie bestrijkt daarmee een ‘levensfase’ van ruim 20 jaar. Een aanzienlijk langere periode dan in de jaren ’50 toen de leeftijd voor leden van WJ-CNV strak begrensd was tussen 14 en 25 jaar.
Inhoudelijk profileert CNV Jongeren zich mede op belangenbehartiging van jongeren als groep: “…komen we in politiek Den Haag op voor de belangen van jongeren én maken we directe impact op de werkvloer. Zowel voor het collectief als het individu.”[2]

CNV Jongeren werkt vooral als projectorganisatie. Actueel is bijvoorbeeld het project ‘Mind the gap’, om te voorkomen dat jongeren met een beperking in het ‘gat’ tussen onderwijs en arbeidsmarkt vallen.
Projectgericht werken maakt het mogelijk gedurende een afgebakende periode te focussen op specifieke activiteiten en doelen. Het heeft als keerzijde dat projecten eindig zijn. Sommige actuele thema’s verdwijnen uit beeld, of gaan onder een andere naam verder: vluchtigheid dreigt.
Het functioneren als projectorganisatie lijkt sterk medebepaald door de sinds midden jaren ’90 definitief veranderde manier van subsidiëren. Wyb Kusters: “Tot die tijd hadden we altijd een vorm van ‘lump sum financiering’: de organisatie deed goed werk, het belang van werkende jongerenactiviteiten was onomstreden, en op basis daarvan kreeg je een som geld. Negentig procent van het werk was gesubsidieerd. Je moest wel beschrijven wat voor activiteiten je met dat geld had ondernomen, naar resultaten werd niet gevraagd. Dat is in de loop de jaren veranderd.”
Opvallend is dat CNV Jongeren zich profileert als “enige onafhankelijke jongerenvakbond…die opkomt voor jouw belangen in Den Haag, zodat ook de politiek niet om onze generatie heen kan.”
Een bekende ex-voorzitter is Gerda Verburg. Zij begon bij WJ CNV als bondsjongerenwerker, gestationeerd bij de Hout- en Bouwbond CNV, was van 1986 tot 1990 voorzitter en werd later lid van het CNV bestuur. Vervolgens Tweede Kamerlid voor het CDA en later minister van Landbouw en visserij. Het bekende Kamerlid Pieter Omtzigt was van 1991 tot 1993 lid van het hoofdbestuur van de jongerenorganisatie. Van recenter datum is het voorzitterschap van Groen Links voorman Jesse Klaver (2009-2010). Anno 2023 is Justine Feitsma voorzitter van CNV Jongeren.
Soms is de organisatie spraakmakend. Zoals in 2009, als – dwars tegen de andere bonden in – CNV Jongeren pleit voor verhoging van de AOW-leeftijd en langer doorwerken. De foto van toenmalig voorzitter Jesse Klaver en de krantenkop in Trouw laten aan duidelijkheid weinig te wensen over.
Voorzitters van WJ-CNV/ CNV Jongeren
Hieronder een niet 100% complete ‘lijst van voorzitters’. Correcties, aanvullingen – en jaartallen – zijn welkom. In het bijzonder zijn we benieuwd naar namen van voorzitters uit de periode vóór 1974!
Henk Moes
Jan van Treuren (1974-1978)(eerste fulltime voozitter)
André Bal (1978-1982)
Joop Bleeker
Gerda Verburg (1986-1990)
Evert Jan Hazeleger
Laurette Spoelman (1992-1996)
Bart Schnoor (1996-1997)
Lineke Maat (1997-2000)
Teusjan Vlot (2000-2003)
Antoon Blokland (2003-2006)
Klaas Pieter Derks (2006-2009)
Jesse Klaver (2009-2010)
IJmert Muilwijk (2010-2013)
Michiel Hietkamp (2013 – 2016)
Semik Eski (2016-2020)
Justine Feitsma (2020-heden [= 2023])
Balans en uitdaging
André Bal en Piet Hazenbosch zijn het eens over de grote meerwaarde van jongerenorganisaties als WJ-CNV en de opvolgers daarvan:
Bal: ” De jongerenorganisatie heeft op een aantal terreinen ontzettend goed werk gedaan. Om jonge mensen voor te bereiden op de wereld van het werken, via het schoolverlaterswerk. Daar informeerde je ze over de cao, over de omgang met collega’s, over je vak en zo meer. Duizenden mensen werden op die manier bereikt. Maar de overstap naar het vaak conservatieve bolwerk van een bond, was vaak wel pittig. Er waren vooral hele discussies met het ‘Bijbelvaste deel’ van de oudere vakbondsachterban, vooral in tijden van actie, zoals de tijd van ‘boos op Koos’ bij de overheid. Jongeren baalden daar vaak van. “
Hazenbosch: “Jongerenorganisaties waren er officieel vaak om de vraag te beantwoorden hoe je jonge mensen lid kon maken van de vakbeweging. Die functie werden ze geacht te hebben. In de praktijk bleek dat ze niet zozeer het opstapje waren naar lidmaatschap van een bond, maar het opstapje waren naar werken, en daarin nogal vakbondsachtig werk deden. Ze hadden dus een eigenstandige functie, een waarde ‘in zich’ en waren niet slechts een soort toegangspoort naar vakbondslidmaatschap. Die eigenstandige functie werd vooral zo door de jongeren en jongerenorganisaties zelf gezien en beleefd, en minder binnen de soms nogal conservatieve bonden, met hun gevestigde posities en belangen.”
De balans van bijna 70 jaar naoorlogs jongerenwerk bij het CNV kent dus plussen en minnen. Maar waar het aanvankelijk vooral om te doen was, jongeren winnen en behouden voor de protestants-christelijke vakbeweging, die strijd is weliswaar niet verloren, maar ook bij lange na nog niet gestreden.
Jan Verhagen
mei 2023
Bronnen/ Verder lezen:
- Geert Wagenaer – ‘Uit de geschiedenis van de werkende jeugd CNV’ -vakbondshistorie.nl – april 2012;
- Annie van Wezel – Anneke Westerlaken kijkt terug op 20 jaar CNV – vakbondshistorie.nl – maart 2022;
- ‘CNV Jongeren’ op Wikipedia;
- Piet Hazenbosch – ‘Voor het volk om Christus’ wil’ – Hilversum 2009;
- Paul de Beer en Peter van der Valk – ‘Effectief Vakbondswerk’ – Amsterdam 2020;
- Karst Dijkstra ‘Beweging in Beweging’- CNV Utrecht 1979 – hoofdstuk ‘Jeugdwerk’;
- Interview met André Bal en Piet Hazenbosch (Utrecht, 15 december 2022);
- Interview met Wyb Kusters (Oegstgeest, 15 februari 2023);
- Jan Verhagen – ‘Uit de geschiedenis van CNV Jongeren’ (VHV-Digiboek, 2023)
[1] 21 oktober 1980
[2] https://cnvjongeren.nl/over-ons/

