Dubbelportret
Wiel Friedrichs (1937-2025) en Piet Göbbels (1950-2025)
Mat Janssen
februari 2026
In de ochtend van 22 november werd ik overvallen door het bericht, dat die nacht – op 88-jarige leeftijd – in zijn Maastrichtse appartement Wiel Friedrichs was overleden. De melding kwam van Truce Orbons, de partner van Piet Göbbels: Piet en Truce wonen in hetzelfde complex als Wiel en zijn vrouw Leny.
Drie dagen later, 25 november, opnieuw Truce aan de lijn. Nu met de mededeling, dat die ochtend haar Piet in haar armen is ingeslapen.
Hoewel Wiel en Piet in vele opzichten van elkaar verschilden, heb ik bewust voor een ‘dubbelportretje’ gekozen. De ene (Piet) kwam in dienst van de vakbeweging, toen de ander (Wiel) deze dienst verliet. Jarenlang ook woonden ze in hetzelfde appartementencomplex in Maastricht.
In 2007 werd bij Piet de ziekte van Parkinson geconstateerd. Langzaam maar zeker kreeg deze ziekte steeds meer grip op zijn leven. Wiel van zijn kant ging op een bepaald moment, op een vaste middag in de week, Piet gezelschap houden. Truce kon dan enkele uren haar zinnen verzetten als vrijwilligster in het nabijgelegen Bonnefantenmuseum.
Jarenlang bleef hij dit doen. Ook toen het spreken Piet steeds slechter afging, bleef Wiel hem trouw. Wiel in de pratende rol, Piet als geïnteresseerde luisteraar.
Wiel leerde ik kennen, toen ik in 1965 als 21-jarige in dienst kwam bij de toenmalige KWJ in Limburg. Wiel had toen net de Limburgse KAJ/KWJ1 verlaten om landelijk penningmeester van deze jongerenorganisatie te worden. In die jaren ontwikkelt Wiel een specialiteit: het genereren van zoveel mogelijk subsidies om de werkorganisatie van de ‘jongerenclub’ op peil te houden.
In 1972 werd ik zelf districtsbestuurder bij het NKV2 in Limburg en wie kwam ik op het hoofdkantoor aan het Utrechtse Oorsprongpark opnieuw tegen? Wiel, nu als beleidsmedewerker op onder meer de terreinen onderwijs/welzijn bij datzelfde NKV.
In 1975 – de federatievorming van NVV en NKV stond op stapel – keerden Wiel en Leny met hun kinderen Jolanda, Angelique, Mathon en Mildred terug naar hun geliefde Limburg. Wiel wordt de eerste voorzitter van de nieuwgevormde FNV in Limburg. Hij blijft in die functie actief tot hij in 1993 om gezondheidsredenen de dienst moet verlaten. Maar ook na die tijd blijft hij zich vol overgave inzetten, voor de belangen van de ex-mijnwerkers en rond actuele vraagstukken, die samenhangen met de herstructurering van Zuid-Limburg.

Piet verschijnt in 1980 in mijn vizier als hij begeleider wordt van de Vakbondsschool in Heerlen. Hij valt daar al snel op en wordt gevraagd de coördinatie van de leden- en kaderscholing in de gehele regio op zich te nemen. Er staat weliswaar een vergoeding tegenover, maar zijn werk moet toch in belangrijke mate als vrijwilligerswerk gezien worden.
In 1993 – als Wiel Friedrichs de dienst verlaat – wordt Piet gevraagd het bestuurdersteam van de vakcentrale in Limburg te komen versterken. Naast ledenscholing gaat Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid tot zijn werkterrein behoren. Uit de portefeuille van Wiel neemt Piet ook het Euregionale vakbondswerk over. In de Limburgse situatie gaat het daarbij om de samenwerking met de Duitse DGB, het Frans- en Nederlandstalige ACV en ABVV in België en ook nog een Duitstalige club van het ACV in de zogeheten Oostkantons (Eupen-Malmedy).
Wiel Friedrichs: voortrekkersrol
Wiel Friedrichs gaat in 1975 deel uitmaken van het Limburgs FNV-team. Hij moet in die eerste jaren na het samengaan van NKV en NVV veel tijd en energie steken in het wegwerken van oud zeer tussen beide vakcentrales en hun aangesloten bonden.
Met name in de mijnindustrie waren de verhoudingen behoorlijk vertroebeld en dit werkte door in de vakcentrales. En dat in een periode, dat de herstructurering van Limburg en de positie van de ex-mijnwerkers alle aandacht vroegen.
In zijn functie van voorzitter van de FNV in Limburg speelde Wiel in dat herstructureringsverhaal een voortrekkersrol. Wiel zorgt er altijd voor, dat hij over ‘informatie uit eerste hand’ beschikt. Daarvoor houdt hij er een uitgebreid politiek netwerk (provinciaal en landelijk) op na en maakt hij jarenlang deel uit van de Raad van Commissarissen van de Ontwikkelingsmaatschappij LIOF. Ook is hij jarenlang beeldbepalend in de Sociaal Economische Adviesraad (SEAR), zeg maar de provinciale SER, en bij het regelmatig overleg van deze SEAR met Gedeputeerde Staten.
Wiel kruist even makkelijk de degens met Limburgse werkgevers als met het College van Gedeputeerde Staten. Toenmalig Commissaris van de Koningin, Sjeng Kremers, beet hem in zo’n overleg eens toe: “Friedrichs, je bent dan wel doorgedrongen tot de cockpit, maar de stuurknuppel blijft in mijn handen.”
In latere interviews sprak diezelfde Kremers overigens vaak lovende woorden over de tomeloze inzet van Wiel voor de provincie Limburg en voor de mensen die hem daar het meest aan het hart lagen: de ex-mijnwerkers. Enige overdrijving af en toe was hem overigens niet vreemd. Dan werden in de hitte van de discussie tienduizenden al snel miljoenen en enige miljoenen werden zomaar tientallen miljoenen.
Binnen het team, maar ook door bondscollega’s werden wel eens harde noten gekraakt over wat men zag als drammerigheid en eigengereidheid. “Achteraf terecht”, zei Wiel daarover toen ik hem in 2008 interviewde voor een ‘portret’ in het boekje ‘Het gezicht van de vakbeweging in Zuid-Limburg’.
Maar wat toen en nu recht overeind blijft staan is, dat de invloed van de vakbeweging op het Limburgse herstructureringsproces in belangrijke mate op het conto van Wiel geschreven moet worden.
Het uitdelen van klappen deed hij even makkelijk naar links als naar rechts. In het zoëven aangehaalde boekje ‘Het gezicht van de vakbeweging in Zuid-Limburg’ gaf ik daarvan aan de hand van enkele krantencitaten een paar voorbeelden. “De macht in de PvdA is in handen van een stelletje intellectuelen, die veel boeken hebben gevreten, maar nauwelijks een arbeider kennen.” Of deze: “Kotsen kan ik van een aantal katholieke principes. De kerk heeft het nooit over de échte problemen van de mensen”. En tenslotte moet ook het CDA het ontgelden: “Het CDA was, is en blijft volstrekt onbetrouwbaar”.

Eind 1986 betaalt hij voor de eerste keer de tol voor zijn tomeloze inzet en een ongezonde levenswijze. Geest en lichaam willen niet meer. Overgewicht, stress en hyperventilatie doen hem in de ziektewet belanden. Hij vecht zich terug en vindt opnieuw de inspiratie en enthousiasme om door te gaan.
Maar in 1992 steken de gezondheidsproblemen opnieuw de kop op en aan het einde van dat jaar valt het doek. Wiel stopt ermee. Vele slopende vakbondsjaren hebben hun tol geëist.
‘Einde van een tijdperk’ kopt de regionale krant ‘De Limburger’, in een hoofdredactioneel commentaar op de voorpagina, als het nieuws bekend wordt.
Toch kan ‘de oude vos’ het niet nalaten om ook na zijn pensionering nog zeer regelmatig van zich te laten horen. Ik durf hier afsluitend dan ook best te stellen, dat Wiel zich – tot zijn laatste snik – met de Limburgse zaak is blijven bemoeien!
Piet Göbbels:
Piet – geboren in Geleen gaat na de Middelbare School Sociale en Politieke Wetenschappen in Amsterdam studeren. Daar woont hij samen met Truce Orbons uit Sittard. Na hun studie keren ze terug naar Limburg, trouwen en wonen sindsdien in Maastricht.
Zijn eerste job is die van cursusleider en – ontwikkelaar aan de Volkshogeschool in Maastricht. In 1980 maakt hij als vrijwilliger zijn entree binnen de vakbeweging als begeleider van de Vakbondsschool in Heerlen. Vrij snel daarna neemt hij de coördinatie van de leden- en kaderscholing in het gehele district Limburg op zich. Weliswaar met een vergoeding, maar nog steeds als vrijwilliger.
In 1993, toen Wiel Friedrichs de dienst van de FNV verliet, kwam er een plekje vrij in het Limburgse bestuurdersteam. Voor zowel ‘Amsterdam’, in de persoon van Jan van Hoof, als voor het Limburgse team was Piet de juiste man om dat team te komen versterken.
“Gelukkig zonder sollicitatieprocedure”, grapte hijzelf daarover later eens. “Dat mag je wel zeggen, we betreuren het achteraf nog steeds”, was mijn antwoord. Om zo’n ‘dubbele grap’ konden we dan samen hartelijk lachen.
Naast ledenscholing en taken in de verenigingsorganisatie gaan Sociale Zekerheid en het Euregionale vakbondswerk een belangrijk onderdeel van zijn takenpakket vormen. Na een paar jaar komt daar Arbeidsmarktbeleid bij. Ook als in 2000 de regio’s Limburg en Oost-Brabant worden samengevoegd, blijft dit laatste een belangrijk onderdeel van zijn takenpakket.
Piet had niet alleen sterke inhoudelijke kanten, ook organisatorisch stond hij zijn mannetje. Een mooi voorbeeld daarvan was een grote euregionale werkgelegenheidsmanifestatie in Maastricht in de jaren ’90, waaraan meer als 15.000 werknemers uit de grensregio’s Nederlands en Belgisch Limburg, Aken en Luik deelnamen. Spin in het ingewikkelde organisatorische web van deze manifestatie was ‘onze Piet’, die in die jaren deel uitmaakte van het presidium van de Interregionale Vakbondsraad Maas-Rijn.

Ik herinner me, dat Piet zich vooral zorgen maakte over het mogelijk (wan)gedrag van de Belgische deelnemers. Hij had een paar jaar eerder na afloop van een betoging in Hasselt, langs de route zomaar auto’s met de wielen omhoog zien staan! Het was een hele opluchting, dat hem dit in ‘zijn Maastricht’ bespaard bleef.
‘Bruggen slaan’ was een andere kwaliteit. Zo slaagde hij er samen met o.a. burgemeester Gert Leers in, om na een langdurige staking bij de Sphinxfabrieken in 2003 partijen weer aan tafel te krijgen en zo een oplossing voor het slepende conflict te bewerkstelligen.
Vele jaren had Piet ook zitting in het bestuur van de (Limburgse Immigratie Stichting). Een Stichting, die zich ten tijde van de Mijnindustrie bekommerde om de positie van de ‘gastarbeiders’ en nadien actief was in de asielproblematiek. Behaalde succesjes op dit lastige terrein deden hem veel deugd.
Een succes werd ook de viering van ‘100 Jaar Vakbeweging in Maastricht’, in een bomvol ‘Theater aan het Vrijthof’, waarvoor hij samen met ‘kunstemaeker’ Ger Bertholet tekende. Trots was hij ook op de prachtige jubileumbrochure, die bij die gelegenheid verscheen.
Bij de totstandkoming van de FNV werd in Limburg naar landelijk voorbeeld een Adviescommissie VML (Vakbeweging, Maatschappij en Levensbeschouwing) opgericht. Piet maakte van meet af aan deel uit van deze commissie. Een commissie, die zeer divers was in haar samenstelling, waarin scherpe discussies niet geschuwd werden, maar waar ook samen gelachen kon worden. Dat kon in deze commissie juist mooi samengaan, omdat nagenoeg alle commissieleden de overtuiging waren toegedaan dat geloof en levensovertuiging een prima inspiratiebron voor vakbondshandelen kunnen zijn, maar hierin géén scheidslijn dienen te vormen. Aan het telkens uitdragen van dat besef droeg Piet zeker zijn steentje bij.
Op alle plekken binnen de vakbeweging waarbij Piet betrokken was, bleek telkens weer zijn positieve instelling. Dat gold ook voor zijn eigen situatie, toen de ziekte van Parkinson hem steeds meer beperkingen op ging leggen en hem uiteindelijk aan de rolstoel kluisterde. Het glas bleef voor Piet nog lang half vol. Letterlijk en figuurlijk.
Vanaf het eerste moment, dat we collega’s werden, kwamen we ook wel eens privé bij elkaar over de vloer en we zijn dat tot het laatste blijven doen. Een gesprek voeren was helaas niet meer mogelijk, omdat hij zijn stem niet meer kon gebruiken. Maar die kleine twinkeling in zijn ogen als we binnenkwamen was meer dan voldoende om te weten dat hij ons bezoek op prijs stelde.
Wat nu nog rest zijn vele fijne herinneringen. Herinneringen, die wij, mijn partner Jacqueline en ik, nog vaak met Truce, de geliefde van Piet, hopen op te halen.
Wiel en Piet. Het waren twee totaal verschillende persoonlijkheden. Maar in één opzicht waren ze hetzelfde: beiden hebben zich gedurende een lange periode met hart en ziel ingezet voor de vakbeweging en voor de ‘Limburgse zaak’.
Mat Janssen (oud-collega van Wiel en Piet)
Lees ook:
- Mat Janssen en Piet Göbbels: Ontwikkeling arbeidersbeweging in Zuid-Limburg (2010)
- Mat Janssen: Portret van Piet Göbbels in Het Gezicht van de Vakbeweging in Zuid-Limburg (II)
- Mat Janssen: Portret van Wiel Friedrichs in ‘Het gezicht van de vakbeweging in Zuid-Limburg’
- Kees van Kortenhof: ‘2015 wordt het jaar van de Mijnen’ – FNV-bestuurder Wiel Friedrichs bouwt aan Nationaal Mijnmuseum (2014)
- Kees van Kortenhof: Nationalisatie mijnwerkerspensioenen had lijdensweg kunnen voorkomen (2015)
1 KWJ staat (in die jaren) voor Katholieke Werkende Jongeren. De organisatie is in 1965 ontstaan door het samengaan van Vrouwelijk Katholieke Arbeidersjeugd (VKAJ) en Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ).
2 Nederlands Katholiek Vakverbond, in 1976 samengegaan met het NVV, waardoor de FNV ontstond


