Het geheugen van de vakbeweging


Jongeren in de vakbeweging (4)

Vakbondsjongerenwerk in katholieke kring

Over vakbondsactiviteiten gericht op katholieke jongeren is het nodige gepubliceerd. Ook op vakbondshistorie.nl staan een aantal lezenswaardige artikelen. Dit vierde deel van de reeks over jongeren in de vakbeweging is dan ook niet meer dan een korte introductie. Wel is het de aanleiding andere VHV-artikelen over dit onderwerp te bundelen als ‘VHV-Digiboek’.

Van KAJ en VKAJ naar KWJ

Vaandel van de VKAJ

De jongerenwerking van de katholieke vakbeweging komt al in de eerste wereldoorlog, zij het enigszins aarzelend, van de grond, en wordt in die tijd sterk bepaald door het enthousiasme, of gebrek daaraan, waarmee deze taak binnen een bisdom ter hand wordt genomen. Jawel: het meeste rooms-katholieke vakbondsjongerenwerk gaat aanvankelijk uit van de bisdommen, en heeft dan ook een sterk morele en religieuze inslag.

De verhouding tussen de zogenaamde ‘standsorganisaties’ – verenigingen van katholieke werklieden – en de vakorganisaties – onderafdelingen voor arbeiders die hetzelfde beroep uitoefenden – vormen een complex en heden ten dage moeilijk te doorgronden verhaal. Deze complexiteit wordt op de website van het Katholiek Documentatie Centrum van de Radboud Universiteit in klare taal enigszins ‘behapbaar’ gemaakt.
Hier beperken we ons tot de constatering dat een aantal bisdommen vakbondsjongerenwerk vorm gaven via ‘de Jonge Werkman’, andere via de zogenaamde Sint Josephsgezellenverenigingen. Die laatste ontstonden al in 1868 (Amsterdam en Bergen op Zoom).

Pas in 1931, wordt de Katholieke Arbeiders Meisjesvereniging (KAMV) opgericht. Een jaar later wordt de naam KAMV gewijzigd in Katholieke Arbeiders Jeugd Vereniging (KAJV). De katholieke kerk was overigens van mening dat de plaats van de vrouw thuis is, en niet in de fabriek. Daarnaast – in die jaren niet ongebruikelijk – worden jonge mannen en vrouwen apart georganiseerd.

Na de oorlog duurt de scheiding tussen de seksen voort, zij het dat de organisatievorm verandert. De ‘Sint Josephsgezellenverenigingen’ en ‘De Jonge Werkman’ fuseren tot de Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ), de KAJV wordt omgedoopt in Vrouwelijke Katholieke Arbeiders Jeugd (VKAJ).

De vakbondsjongerenorganisaties van diverse signatuur moeten, zeker in de eerste jaren na de oorlog, werken als moreel kompas. In katholieke kring vertaalt zich dat, naast de behartiging van de geestelijke en materiële belangen van jonge arbeiders, ook in de opdracht tot herkerstening van het maatschappelijk leven.

De KAJ groeit van zo’n 26.000 leden in 1946 tot bijna 50.000 in 1963, grosso modo tussen 17 en 23 jaar. Niet allemaal zijn ze vakbondslid, maar dit percentage daalt, misschien tegen de verwachting in, van 36% in 1946 naar amper 6% in 1963.
Het grotere NVV telt in absolute aantallen ongeveer evenveel jonge leden, waarvan echter slechts ongeveer 2500 zijn aangesloten bij de NVV-jongerenorganisatie ‘Jonge Strijd’.
De vrouwelijke tegenhanger van de KAJ, de VKAJ, telt in 1963 zo’n 13.000 leden, waarvan ruim 17% géén vakbondslid is.

In 1965 gaan KAJ en VKAJ op in één organisatie, de KWJ. Dat staat aanvankelijk voor Katholieke Werkende Jongeren, maar nadat de banden met de Rooms-katholieke Kerk verminderen (om niet te zeggen: verdwijnen), wordt het ‘KWJ, beweging van werkende jongeren’. Tekenend voor het veranderde karakter is dat KWJ in de wandeling ook wel stond voor ‘Kritiese Werkende Jongeren’.

Omdat de KWJ er geen centrale ledenadministratie op nahoudt, is weinig bekend over het aantal leden. Wel circuleert er rond 1969 binnen het NKV schatting: 7 tot 16.000. Aanzienlijk kleiner dus dan de beide voorgangers, KAJ en VKAJ[1].

Cultuur- en visieverschillen  tussen KWJ en NVV Jongerencontact

De jaren ’50, dat zijn de jaren van ‘de verzuiling’, van het bisschoppelijk ‘mandement’ dat katholieken verbood lid te zijn van ‘socialistische’ organisaties als het NVV. Nederland was sterk verdeeld langs godsdienstige lijnen.
In de jaren ’60 verandert dat, en ook de vakbondsjongerenorganisaties beginnen elkaar op te zoeken.

Als NVV-Jongerencontact en KWJ gezamenlijk optrekken richting de ‘Dag van de Werkende jongeren’, op 1 november 1969, worden naast samenwerking, ook de verschillen duidelijk voelbaar, waarbij de KWJ de NVV-organisatie ‘links’ inhaalt.

In het VHV-artikel over de actiedag van 1969 beschrijft de (onbekende) auteur het als volgt:
Het NVV Jongerencontact was in die tijd nog druk bezig met zichzelf: weinig middelen, veel vergaderen en betutteling door het bondsbestuur van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), waar het direct onder viel… De KWJ had een redelijk zelfstandige positie verkregen binnen het NKV. Met op zijn hoogtepunt bijna 50 medewerkers was het een sterke organisatie.[2]

Die ‘redelijk zelfstandige positie’ van de KWJ heeft een historische achtergrond in het ‘dualistische’ karakter van de katholieke vakbeweging. Al vanaf het ontstaan zien we aan de ene kant de duidelijk herkenbare vakbondsstructuur en vakbondstaken, maar aan de andere kant de (ook organisatorisch vastgelegde) kerkelijk-religieuze invloed op moreel en missionair gebied. Daarmee was het óók in het belang van de kerk om de katholieke vakbondsjongeren niet al te strak binnen de vakbondsstructuren te positioneren.

De meer ‘missionaire’ doelstelling – zien, oordelen, handelen – maakt dat de KWJ en zijn voorgangers meer op daadwerkelijke activiteiten en minder op vergaderen gericht zijn dan de NVV evenknie. Die twee werelden botsen, en helpen misschien verklaren waarom samen opereren in FNV-verband voor jongerenorganisaties later zo weerbarstig blijkt. Want waar de beide ‘moederorganisaties’ na 1981 zonder al te grote schokken met elkaar integreren, blijkt het van de grond trekken van een gezamenlijke FNV-jongerenorganisatie eerder een lange lijdensweg dan een succesverhaal.
In ‘Toevallig jong’ schetsen de auteurs hoe deze ‘werelden’ ook een verschillende opvatting over vakbond en vakbondswerk weerspiegelen. NVV-Jc staat vol in de traditie van de (strak geleide) moderne vakbeweging, geeft voorrang aan het opereren in één gezamenlijk en solidair (vakverenigings)verband van oudere en jongere arbeiders, daar waar de KWJ de beweging van jongeren als zelfstandige groep voorop stelt, en zich juist sterk afzet tegen de gevestigde vakbewegingsorde. Bloemen en Brug zien bovendien parallellen met het principiële debat over doelen, aard en werkwijze van de vakbeweging, zoals dat begin 20e eeuw plaatsvond tussen het ‘moderne’ NVV van Henri Polak en het ‘syndicalistische’ NAS.

De afstandelijke naamstelling die na vier jaar moeizaam onderhandelen wordt gekozen – Jongerenbeweging verbonden met de FNV – illustreert dit.

Al met al lijkt de jongerenwerking van de katholieke vakbeweging spraakmakender geweest dan die aan socialistisch/algemene of protestants-christelijke kant. Dat geldt voor de KWJ in de jaren ’70, maar óók voor ‘de Kajotters’ van de jaren ’50. Veelzeggend misschien: zowel Kajotters als KWJ beschikken over een apart Wikipedia-artikel, de tijdgenoten van NVV- en CNV niet.

Tijdlijn

Van-totNaam JongerenorganisatieToelichting
1868-1941De Jonge Werkman (1913) en de Sint Josephsgezellenverenigingen (1868) Zie ‘Een schets van de katholieke arbeidersjeugdbewegingen’
1931 (1932)Katholieke Arbeiders Meisjesvereniging (KAMV) opgericht. Een jaar later gewijzigd in Katholieke Arbeiders Jeugd Vereniging (KAJV).Zie ‘Een schets van de katholieke arbeidersjeugdbewegingen’
1945-1965Katholieke Arbeiders Jeugdbeweging (KAJ)‘Kajotters’, voortzetting van  De Jonge Werkman en de Sint Josephsgezellenverenigingen (1868!) en van de Katholieke Arbeiders Meisjesvereniging (KAMV), later Katholieke Arbeiders Jeugd Vereniging (KAJV)

Zie ‘Een schets van de katholieke arbeidersjeugdbewegingen’

 

1946-1965Vrouwelijke Katholieke Arbeiders Jeugd (VKAJ)Zie ‘De Vrouwelijke Katholieke Arbeidersjeugdbeweging’
1965-1982KWJ-Katholieke Werkende JongerenOntstaan als fusie tussen de Katholieke Arbeiders Jeugdbeweging (KAJ) en de Vrouwelijke Katholieke Arbeiders Jeugdbeweging (VKAJ).
Opgeheven na de fusie tussen NVV en NKV, opgevolgd door de ‘Jongerenbeweging verbonden met de FNV’.Zie ‘Katholieke Werkende Jongeren in Nederland’ op de site van het Katholiek Documentatie Centrum

 Literatuur: 

  • Jan Peet – Het uur van de arbeiders­jeugd. De Katholieke Arbeiders Jeugd, de Vrouwelijke Katholieke Arbeidersjeugd en de emancipatie van de werkende jongeren in Nederland, 1944-1969 (Nijmegen 1987)
  • E. Blom, T. van der Velden en J. Cremers – Zien, oordelen, handelen. De voorgeschiedenis en ontwikkeling van de KWJ-bewe­ging van werkende jongeren (Utrecht 1985)
  • Erik Bloemen en Luuk Brug – ‘Toevallig jong- Werkende jongeren na 1945 en de vakbeweging’ – Nijmegen 1982
  • Diverse auteurs – ‘Katholieke arbeidersjeugd, bundeling van artikelen op vakbondshistorie.nl, over de geschiedenis van aan de katholieke vakbeweging verbonden organisaties van werkende jongeren’ (pdf, downloadbaar)

[1] Cijfers en schattingen gebaseerd op ‘Het uur van de arbeidersjeugd’, bijlage 2 (vanaf blz. 333)

[2] https://vakbondshistorie.nl/dossiers/eerste-grote-actie-werkende-jongeren/ – gepubliceerd 2012


Meer over deze artikelenreeks

In ‘Vakbondsjongeren op vakbondshistorie.nl’ meer over de achtergronden van deze serie artikelen, en links naar de andere artikelen en video’s.