Het geheugen van de vakbeweging

Depex diepvriesgroente, 1977. Foto: Roel Troost.

Bedrijfsbezettingen in Nederland: een bijna vergeten actiemiddel

‘Verzet = Bezet’ (1972-2000)

“Zeldzaam fenomeen”, dat is de kwalificatie die bedrijfsbezettingen in de statistieken over arbeidsconflicten na 2000 krijgen. Zij vormen een uitzondering binnen de veel grotere categorie van stakingen en demonstraties. Bedrijfsbezettingen na 2000 – meestal rond bedrijfssluitingen of massaontslag – zijn inderdaad spaarzaam.
Door de zeldzaamheid van het gebruik van het actiemiddel ‘bezetting’ na 2000 zouden we bijna vergeten dat het in het laatste kwart van de vorige eeuw relatief vaak werd toegepast. Wat is er veranderd? Wat verklaart dat het aantal bezettingen na 2000, vergeleken met de hoogtijdagen in de 20e eeuw, relatief beperkt is? Heeft dat te maken met de heersende dominantie van het poldermodel en de voorkeur voor overleg?
Over deze vragen buigt Ad Knotter zich in zijn bijdrage Verzet=Bezet (1972-2000). Hij maakte een grondige analyse van het actiemiddel bedrijfsbezetting. Feitelijk en cijfermatig gaat het over de opkomst, bloei en teloorgang van dit actiemiddel. Naast de cijfers besteedt hij daarbij ook bijzondere aandacht aan de emotionele impact bij het toepassen van dit actiemiddel.

Inleiding

In 1997, bij het 25-jarig jubileum van de legendarische bezetting van Enka-Breda in 1972, ondervroeg NRC Handelsblad de inmiddels gepensioneerde vakbondsbestuurder Herman Bode (1925-2007) over het fenomeen bedrijfsbezettingen (NRC Handelsblad 19 augustus 1997). Volgens de krant waren die ‘in Nederland zeldzaam gebleven’, ‘net zoiets als een ijsbeer in de Sahara’, en Bode wist daar weinig tegenin te brengen. Hij herinnerde zich ‘iets soortgelijks uit 1970 [moet zijn 1969] bij Werkspoor’ en ‘later nog een bij Ford Amsterdam [in 1981]’, maar veel verder kwam hij niet.
In werkelijkheid was er tussen 1972 en 1997 175 keer een bedrijf bezet. De vraag waarom Bode en NRC Handelsblad zo kort van memorie waren, is moeilijk te beantwoorden. Feit is dat de bedrijfsbezetting als actievorm ten tijde van het NRC-interview niet meer tot het gangbare repertoire van de vakbeweging en actievoerende arbeiders behoorde. In de jaren 1990 kwam het verschijnsel nog enkele keren per jaar voor, maar na twee bezettingen in 1998 en 2000 leek het in Nederland uitgestorven.
De vergeetachtigheid van Bode en NRC Handelsblad paste in het vertoog over het zogenaamde poldermodel, dat in de jaren 1990 zijn grootste populariteit beleefde. Daarin werden grote spanningen en acties in de geschiedenis van de Nederlandse arbeidsverhoudingen ontkend, of op zijn minst veronachtzaamd. De bedrijfsbezettingen waren een uitingsvorm van de strijdbaarheid in arbeidsconflicten, die de Nederlandse arbeidsverhoudingen (evenzeer) kenmerkte.

Dankzij de database die Sjaak van der Velden heeft aangelegd over Stakingen in Nederland tussen 1372 en 2019 kon ik alle bezettingen na die van Enka-Breda opsporen en dateren. Met behulp van deze informatie kon vervolgens op datum naar krantenartikelen worden gezocht in de digitale krantensite Delpher. Daardoor konden de gegevens van Sjaak van der Velden worden verrijkt met informatie over aspecten als de aard van het bedrijf, de aanleiding, het doel, de deelnemers, de duur, het verloop en het resultaat van de bezetting.

Wat is een bedrijfsbezetting?

Een bedrijfsbezetting is een tijdelijke overname van het beheer van de productiemiddelen (gebouwen, terreinen, machines en overige inventaris) door alle of een deel van de werknemers van een bedrijf. De tijdelijkheid kenmerkt de bezetting als actiemiddel om iets af te dwingen. Er zijn maar weinig voorbeelden van een bezet bedrijf dat in eigen beheer werd voortgezet.
Om controle te houden over het gebouw en de productiemiddelen, verblijven de bezetters, of een ploeg namens hen, dag en nacht op het bedrijf, bewaken de toegang, en laten de directie en andere managers niet toe.
Het actiemiddel ‘bezetting’ werd in deze periode niet alleen in het bedrijfsleven toegepast, maar ook bij andere instellingen, bijvoorbeeld op universiteiten tijdens de democratiserings- en andere studentenacties aan het eind van de jaren 1960 en het begin van de jaren 1970. Zij waren weliswaar onderdeel van het algemene actieklimaat in deze jaren, maar toch van heel andere orde dan bedrijfsbezettingen waarbij het beheer van de productiemiddelen werd overgenomen. Bezettingen van onderwijs-, onderzoeks-, cultuur-, media-, welzijns-, gezondheidsinstellingen en woningbouwverenigingen zijn in mijn telling niet tot bedrijfsbezettingen gerekend.

Aan bezetting verwante actiemiddelen

Ook sommige andere actiemiddelen hebben bepaalde kenmerken van een bezetting en het is soms moeilijk om tot een scherpe afbakening te komen. Om een helder beeld te krijgen is het zinvol die apart te benoemen.

  • Een sit-in of sit-down strike is een actievorm waarbij stakers wel op de terreinen of in de gebouwen verblijven, maar er is geen sprake van het overnemen van het beheer van een bedrijf.
  • Ook poortblokkades en poortbewakingen, die gepaard gingen met ‘bezettingen’ van alleen de toegangspoort, hebben enige gelijkenis met bedrijfsbezettingen, maar zijn het in feite niet. Bij stakingen werd dit middel nogal eens toegepast om werkwilligen te weren.
    In het databestand dat ik voor dit onderzoek heb gebruikt, werden enkele poortbewakingsacties als ‘bezetting’ aangemerkt, terwijl ze zich louter tot blokkades beperkten.
    Ik telde 16 gevallen, meestal om te voorkomen dat het bedrijf door schuldeisers zou worden leeggehaald. Deze zijn in de becijferingen hieronder niet meegeteld.
  • Zeldzaam in Nederland is de séquestration de patron, die in de Franse actiecultuur met enige regelmaat werd (en wordt) toegepast: het vasthouden en ‘gijzelen’ van de directie om toezeggingen af te dwingen. In de bezettingsdatabase vond ik vier gevallen van séquestration de patron tijdens kortdurende bezettingsacties.

Verantwoording van de cijfers

Deze en andere bezettingsacties van minder dan een (werk)dag heb ik niet tot bedrijfsbezettingen in bovengenoemde zin gerekend. In het totale bestand ging het om 27 gevallen. Bezettingen waarvan de duur onbekend was heb ik het voordeel van de twijfel gegeven en zijn wel meegeteld (16 gevallen). Als een bedrijf twee keer werd bezet (dat kwam tien keer voor) zijn beide gevallen apart geteld. Bezettingen van verschillende bedrijven in één concern zijn eveneens als aparte bezettingen opgenomen.

 

Het begon in Breda: bezettingsgolf tot en met 1982, kalme uitloop daarna

ENKA, Breda, 1972. Foto: Joh. de Haas.
ENKA, Breda, 1972. Vrouwelijke bezetters. Foto: Johan van Gurp.

Na de in inleiding genoemde bovengenoemde afbakeningen telde ik in de periode 1972-2000 in totaal 177 bedrijfsbezettingen in Nederland. Het succesvolle voorbeeld van Enka-Breda in 1972 werd in de jaren daarop gevolgd door een klimmende reeks nieuwe bezettingen, in eerste instantie vooral in Noord-Brabant. In de periode 1971-1974 vonden zes van de tien bezettingen daar plaats, vrijwel altijd met steun van het NKV.
Het viel in 1974 ook (voormalige) NKV-krant de Volkskrant op: “De victorie van de bedrijfsbezetting is in Brabant begonnen. In deze provincie met haar eertijds zo volgzame bevolking, waar opstand van werknemers allerminst gebruikelijk was, is een belangrijke doorbraak ontstaan. […] De neiging tot bezetten groeit natuurlijk met de successen in de bewustwording van de mensen.” (De Volkskrant 27 april 1974).

Door het succes groeide het vertrouwen in de mogelijkheid van een goede afloop. In 1975 nam het aantal bezettingen toe tot 15, om in 1981 en 1982 een hoogtepunt te bereiken van respectievelijk 17 en 14. In 1983 viel het aantal sterk terug tot 6. Dit niveau zou in de jaren 1980 en 1990 nauwelijks meer worden gehaald: per jaar waren het er nu tussen 3 en 6. Er was dus sprake van een ware bezettingsgolf tussen 1972 en 1982 en een kalmere uitloop daarna. Om die reden zullen in de navolgende analyse twee perioden worden onderscheiden: 1972-1982 (114 bezettingen) en 1983-2000 (63 bezettingen). De daling van het aantal bezettingen na 1982 liep parallel aan een teruggang van het aantal stakingen en gestaakte dagen in de jaren 1980. Ook het ledental van de vakbonden daalde in die periode sterk. Omdat vakbonden hun ledenbasis vooral in de industrie vonden, hing dit wereldwijde fenomeen (mede) samen met het proces van de-industrialisering in het rijke Westen. Bedrijfsbezettingen boden daar tevergeefs weerstand aan.

Het relatieve succes van de bezettingen

Voor zover na te gaan, werden 103 bezettingen met succes beëindigd, dat is 58 procent, maar de de-industrialisering kon alleen op korte termijn worden tegengehouden. Op langere termijn ging de werkgelegenheid in industriële bedrijfstakken waarin veel werd bezet toch verloren. Ook al werd er na een bezetting voor bepaalde bedrijven een gunstige oplossing gevonden, na verloop van enkele jaren werden de meeste alsnog gesloten of sterk ingekrompen.
Een markant voorbeeld is kunstzijdefabriek Enka-Breda. Nadat die in 1972 onder druk van de bezetting was opengebleven, werd de fabriek in 1982 gesloten. Tegen het tweede sluitingsplan werd wel actiegevoerd, maar een nieuwe bezetting werd niet overwogen, zo verklaarde toenmalig bezettingsleider van de Unie BLHP (Bond van Leidinggevend en Hoger Personeel) Ger van Os:
“Zo’n bedrijfsbezetting is geen Haarlemmerolie, hè? Da’s geen middel dat je te pas en te onpas gebruikt. Ik zou best weer bereid zijn tot een bezetting, maar het zal geen effect meer sorteren. De tijden zijn veranderd. Enka kan de bezetters nu rustig in de fabriek laten zitten, al zouden ze doodbloeden.“ (Geciteerd in De Volkskrant van 29 januari 1981: ‘Weekbladen: Haagse Post’).

Bezettingen per provincie en bedrijfstak

Uitsplitsing van het aantal bezettingen per provincie laat zien dat het aandeel van Noord-Brabant in de perioden vóór en na 1982 onverminderd hoog bleef op bijna 24 procent (tabel 1). In de periode 1972-1982 volgden Noord- en Zuid-Holland met 18 en 15 procent, en daarachter de provincies Groningen, Overijssel en Limburg met 8-10 procent. Na 1982 concentreerde de bezettingsbeweging zich sterker op de beide Hollandse provincies, met in totaal 50 procent. In die periode was het een grotendeels Randstedelijke aangelegenheid geworden, met een sterke Brabantse vertakking. Opvallend is het vrijwel wegvallen van Groningen, toch een provincie met een rijke actietraditie, en de relatieve toename in Gelderland, zonder zo’n traditie. Het geeft aan dat het bezettingsmiddel nieuwe groepen in beweging bracht.

Tabel 1. Percentages bedrijfsbezettingen per provincie, 1972-1982 en 1983-2000.

 

PeriodeGrFrDrOvGldUtrNHZHZeeNBLimN
1972-19829,65,30,010,56,12,618,414,90,023,77,9114
1982-20001,63,20,04,811,13,223,822,20,023,86,363

Uitsplitsing naar bedrijfstak laat zien dat het aandeel van de dienstensector in de periode 1983-2000 aanzienlijk toenam van (afgerond) 24 tot 43 procent. Daaruit kan worden afgeleid dat bezettingen in deze tweede periode minder een reactie waren op de de-industrialisering dan in de eerste. Het was een breder toegepast strijdmiddel geworden.

Tabel 2. Percentages bezettingen per bedrijfstak, 1972-1982 en 1983-2000.

 

PeriodeMetaalConfectieVoedingGrafische industrieOverige industrieDienstenN
1972-198224,37,017,46,121,723,5114
1982-200020,61,615,97,911,142,963

In de industrie veranderde er weinig in het aandeel van de metaal, de voeding en de grafische bedrijven, maar in de confectie werd er na 1982 nauwelijks meer bezet. In die bedrijfstak was het de-industrialisatieproces in de jaren 1980 voltooid, anders gezegd: het grootste deel van de confectie-industrie had toen al het loodje gelegd.
In de metaalindustrie was de neergang van scheepsbouw medebepalend voor het aantal bezettingen, naast die van andere spraakmakende metaalbedrijven, zoals de Koninklijke Nederlandsche Grofsmederij in Zoeterwoude van 6 april tot 2 mei 1978, en de Ford automobielfabriek in Amsterdam van 27 tot 29 april en van 25 juni tot 8 juli 1981.

 

 

Koninklijke Scholten Honig (KSH), Koog a/d Zaan, 1978. Foto: Henk Nieuwenhuis.
Koninklijke Scholten Honig (KSH), Koog a/d Zaan, 1978. Foto: Henk Nieuwenhuis.
Koninklijke Scholten Honig (KSH), Nijmegen, 1978. Foto: Henk Nieuwenhuis. Slapende bezetters.

De scheepsbouw en de confectie-industrie waren object van de industriepolitiek van de overheid, vandaar dat bezettingsacties in die bedrijfstakken vaak waren gericht op het verwerven van overheidssteun in de vorm van deelnemingen of kredieten. Dat gold ook voor bezettingen van bedrijven in andere conglomeraten, zoals die van acht vestigingen van het voedingsconcern Koninklijke Scholten Honig tussen 3 en 8 maart 1978 en van de Storkfabrieken in Hengelo op 2 en 3 mei 1977 en 28 maart 1983 als onderdeel van de Verenigde Machine Fabrieken (VMF).
Na het RSV-debacle was de bereidheid van de overheid om met gerichte steun industriepolitiek te bedrijven verdwenen. Parallel daaraan daalde ook het aantal bezettingen waarbij steun van de overheid werd gevraagd van 34 in de periode 1972-1982 tot 4 in de periode 1983-2000.

‘Ik ben niet zo’n huisvrouwtje’: bedrijfsbezettingen als vrouwenstrijd

Bron: Leeuwarder courant 12-12-1980 (Bron: Delpher)

In de confectie-industrie was het merendeel van de werknemers vrouw. Toch bestond het organiserende actiecomité bij bezettingen vaak uit mannen. Daardoor werd de actieve deelname van vrouwen versluierd.
De 70 dagen durende bezetting van uniformfabriek Douma en Wolf in het Friese Haulerwijk werd wel door vrouwen geleid en uitgevoerd. Voor de bezettende vrouwen gingen de gezinstaken door. Actieleidster Klaske Nuwold uit Haulerwijk, 32 jaar, deed mee aan de bezetting ‘als de kinderen op school zijn’. ’s Nachts kon zij er niet bij zijn, omdat haar man als chauffeur dan vaak onderweg was. Over getrouwde bezetsters werd gemeld dat ze in de fabriek, tijdens de bezettingsactie, dagelijks kookten voor hun gezin. Kinderen kwamen tussen de middag een boterham eten bij het bezette bedrijf. Ondanks deze dubbele belasting was Nuwold zeer gemotiveerd voor haar werk: ‘Ik kan heel moeilijk in huis zijn […]. Ik ben niet zo’n huisvrouwtje […]. En dan natuurlijk de afwisseling hier. En het geld. Je gaat er ook naar leven’ (Geciteerd in Leeuwarder Courant, 12 december 1980).

Ook in andere bezette bedrijven met veel vrouwelijke werknemers (ik telde er 15) speelden die soms een verborgen, soms een leidende rol. Veel aandacht trok de bezetting van het Philipsbedrijf USFA (Ultra Sonar Fohar Apparaten) in Helmond van 12 maart tot 12 april 1974 door 23 vrouwen en 3 mannen. De bezetting was gericht tegen de verplaatsing van het bedrijf naar het nabijgelegen Eindhoven en sommigen vonden dat de vrouwen op die afstand wel konden pendelen. De bezetting werd mede om die reden niet gesteund door de Industriebond NVV, wel door het NKV, dat, zoals eerder bleek, het bezettingsmiddel in Brabant was gaan omarmen. Ook in dit geval speelde de dubbele belasting van de vrouwen een rol: ‘De bezetsters strijden bij USFA voor de belangen van de werkende vrouw. Als ze verplicht naar Eindhoven moeten scheelt hen dat net zoveel tijd, dat ze hun tweede taak, die van huisvrouw, niet meer kunnen uitoefenen’ (Het Vrije Volk, 5 april 1974). De bezetting moest na 31 dagen zonder resultaat worden beëindigd.

 

USFA-bezetting 1974 (Bron: Nationaal Archief)
KWJ solidair met USFA (Bron: IISG)

Succesvoller was de bezetting van biscuit- en crackerfabriek Patria in Amsterdam op 15 en 16 november 1978. Het personeel bestond voor het grootste deel uit vrouwen, zowel jongeren als van middelbare leeftijd: “Het zijn niet alleen mannen die een matras op de grond van de kantine hebben uitgespreid, integendeel. De vrouwen zijn duidelijk in de meerderheid en onder hen een aantal van ‘respectabele leeftijd’” (Het Parool, 16 november 1978). Alleen vrouwen met kinderen sliepen thuis. Na een dag en een nacht bezetten trok moederbedrijf Meneba het sluitingsplan in, volgens de Voedingsbond uit angst dat de actie met ‘solidariteitsbezettingen’ zou overslaan naar andere Meneba-vestigingen.

‘Geheel solidair met de actie’: bezettingen en arbeidsmigranten

Arbeidsmigranten kwamen nogal eens terecht in marginale bedrijven met slechte werkomstandigheden en arbeidsvoorwaarden. In verschillende gevallen kwamen ze daartegen in verzet, zowel met stakingen als met bezettingen. In juni 1975 bezetten tien Turkse arbeiders gedurende drie dagen hun ‘werkplaats’ in Amsterdam, waar zij onder abominabele omstandigheden waren tewerkgesteld om schrijfmachine-onderdelen voor IBM in elkaar te zetten. Een ander voorbeeld is de bezetting van het transportbedrijf Stolk Chartering in Berkel en Rodenrijs door 24 Turkse chauffeurs tegen hun schijnzelfstandigheid in september 1986.

Depex diepvriesgroente, 1977. Foto: Roel Troost.

In bedrijven met normalere arbeidsomstandigheden deden ‘gastarbeiders’ in het algemeen actief mee met de bezettingsacties. Bij de bezetting van Metaalwarenfabriek Tilburg in februari 1973 (de eerste na de Enka-bezetting) waren de 50 buitenlanders (van de 190), met name Turkse mannen en Belgische vrouwen, ‘geheel solidair met de actie’. Bij de bezetting van Dam Chips in Hoofddorp (augustus 1975) deed het actiecomité er alles aan om de 160 buitenlandse arbeiders (Marokkaanse mannen en Turkse vrouwen) bij de acties te betrekken.
Aan de bezetting van groenteverwerkingsbedrijf Depex in Broekhuizenvorst (mei tot augustus 1977) deden alle 70 werknemers mee, onder wie 24 Turken. Bij de bezetting van de Grofsmederij in Zoeterwoude in 1978 waren de Turken en Marokkanen solidair, zo’n 15 procent van het productiepersoneel. Op de bezette NSM-werf in Amsterdam (maart 1981) waren de 120 Turkse arbeiders actief betrokken. Leuzen en toespraken werden in het Turks vertaald.

Bij Ford-Amsterdam werkten 500 Turken, 150 Spanjaarden, en onder meer ook Italianen en Marokkanen. De bezettingen in april en juni 1981 gingen dus ook om hun werkgelegenheid. OR-voorzitter Ben Elverding zei daarover: “Sommigen vragen zich af waarom we ons zo druk maken om de werkgelegenheid van gastarbeiders. Tachtig procent van het fabriekspersoneel is buitenlands. Zo ervaren we dat niet. […] Het zijn voor ons collega’s” (Algemeen Dagblad 9 juli 1981).

 

Ford, Amsterdam, 1981. Foto: Michel Pellanders.
Ford, Amsterdam, 1981. Foto: Ab Koers.

Na de bezetting van de Demka in Utrecht (maart 1983) werd het argument dat Demka geen overheidssteun zou behoeven, omdat er in meerderheid buitenlanders werkten, bestreden: “We hebben samen opgebouwd en we willen samen verder gaan”, zei een Turkse werknemer (De Waarheid, 8 september 1983). In het actiecomité zaten ook Turkse arbeiders.

Een emotionele zaak: ‘Er werden vooral veel tranen geplengd’

De aankondiging van de sluiting van Enka-Breda in april 1972 riep ‘verbijstering en verontwaardiging’ op. Volgens bedrijfsarts Adriaan Kesteloo (1915-2010) kon een ‘dreigende bedrijfssluiting leiden tot emotionele crises’ (De Volkskrant, 17 december 1974). ‘Velen huilden na het besluit over de sluiting van Enka-Breda’, zei hij; ‘Ik heb van mijn leven niet zoveel tranen gezien als bij Enka’. Andersom waren er na het bekend worden van de intrekking van het sluitingsplan ‘orgieën van vreugde en tranen van ontroering’; ‘ontroerde mannen en vrouwen vielen elkaar in de armen […]; er werden vooral veel tranen geplengd’ (NRC Handelsblad, 23 september 1972).

 

Quick sportschoenenfabriek, Hengelo, 1986. Foto: Jan Lankveld.
Quick sportschoenenfabriek, Hengelo, 1986. Foto: Jan Lankveld. Productie gaat door tijdens de bezetting.

Het voorbeeld geeft aan dat zowel de aanleiding als de afloop van een bezetting met diepgevoelde emoties gepaard konden gaan. Na de aankondiging van de sluiting van patatfabriek Dam-Chips in Hoofddorp (augustus 1975) waren de daar werkzame Turkse vrouwen ‘zeer geëmotioneerd’. De werknemers van scheepswerf Boot waren ‘teleurgesteld’ en ‘gegriefd’ over het uitblijven van overheidssteun en besloten daarom ‘spontaan’ het bedrijf te bezetten. Nadat bekend werd dat er geen steun zou komen, ‘was de verslagenheid groot en er heerste de hele dag een bijzonder trieste sfeer op het bedrijf’. De personeelsleden ‘toonden zich verdrietig en teleurgesteld. “Ik ben er kapot van”, zei één van hen’ (Leeuwarder Courant, 2 oktober 1976).
Het besluit dat de aangekondigde ontslagen bij de Noord-Nederlandse Machinefabriek (Noordned) in Winschoten, ondanks de bezetting (1976), toch doorgingen, werd in januari 1977 bekendgemaakt op ‘een zeer emotionele vergadering in de bedrijfskantine’. Een getergd personeelslid vloog de directeur aan. Tijdens de bijeenkomst ‘verlieten sommige werknemers met tranen in de ogen de kantine’. Bij de bezetting van het Nijmeegse computerbedrijf Tealtronic (7-12 januari 1977) was er ‘heilige, niet meer te beteugelen verontwaardiging’, omdat er regeringssteun was ingetrokken: ‘De boosheid over de ingreep van de minister is nauwelijks meer in superlatieven uit te drukken. “Verbijsterend en onaanvaardbaar”, die woorden geven maar matig weer wat er echt leeft. Dat is vooral diepe teleurstelling’ (NRC Handelsblad, 8 januari 1977).

 

Tealtronic, Nijmegen, 1977. Foto: Han Singels.
Tealtronic, Nijmegen, 1977. Foto: Eddy Posthuma de Boer.

De reactie op de bekendmaking dat de bezette biscuitfabriek Patria (1978) voorlopig open zou blijven was ‘emotioneel. De tranen waren niet van de lucht’. De bezetting van Douma en Wolf (1980) maakte ‘veel emoties los, vooral onder de vele vrouwen die erbij betrokken zijn’ (Leeuwarder Courant, 24 december 1980). Het besluit geen steun te verlenen leidde tot ‘grote verslagenheid en woede’. Het personeel van confectiebedrijf Union in Groningen (1980) toonde zich ‘boos en teleurgesteld’ over het uitblijven van steun. Een bezetter: ‘Ik ben er kapot van. Tweeëndertig jaar heb ik hier gewerkt. […] Het is om tranen in de ogen te krijgen’ (Nieuwsblad van het Noorden, 5 december 1980).
De gemoedstoestand van de bezetters van Ford werd gekarakteriseerd met ‘frustratie, bitterheid, wanhoop’ (De Telegraaf, 1 juli 1981). Toen zij een door hun werkgever aangespannen kort geding wonnen, was er een ‘uitbarsting van vreugde’.
Na de aankondiging van de sluiting van het Utrechtse staalbedrijf Demka in 1983, was ‘de stemming op het bedrijf zeer verbitterd’. De directeur werd ‘bijna gemolesteerd. […] Een aantal personeelsleden kon zijn woede en teleurstelling niet onderdrukken en overlaadde de directeur met vloeken en verwijten’. Toen bleek dat Damen Shipyards de scheepswerf Wilton-Fijenoord in 1984 alleen wilde overnemen als er 1000 man zouden worden ontslagen, volgde een ‘woede-uitbarsting’ van het personeel. Een overgrote meerderheid, ‘sommigen met tranen in de ogen’, besloot vervolgens tot bezetting. Dat de in 1991 bezette Amsterdamse sigarettenfabriek BATCO toch dicht moest ‘lokte heftige emoties uit bij het aanwezige personeel, met tranen in hun ogen’ (Algemeen Dagblad, 30 april 1991).

 

BATCO, Amsterdam, 1991. Foto: Rob Huibers. Productie-directeur P.Scheffers meldt zich vergeefs aan de poort.
BATCO, Amsterdam, 1991. Foto: Chris Pennarts.

Conclusie: ‘Wanhopig, maar niet hopeloos’

‘De zaak is wanhopig, maar niet hopeloos. Anders zouden we niet aan deze actie zijn begonnen’, zei OR-lid Scheepers bij het begin van de bezettingsactie van Ford-Amsterdam in 1981 (De Volkskrant, 26 juni 1981). In het algemeen speelde de inschatting van de kansen op succes een belangrijke rol in het besluit om tot bedrijfsbezetting over te gaan. Bedrijfsbezettingen werden gevoed door een combinatie van woede en hoop, maar de strijdbaarheid van de bezetters had ook een eigen dynamiek. Na de mislukking van de Ford-bezetting zei hetzelfde OR-lid Scheepers: ‘Door er zo tegen aan te gaan hebben de mensen bij Ford niet alleen gevochten voor hun werk, ze hebben ook hun eer en menselijke waardigheid behouden’ (De Waarheid, 19 november 1981). De deelneemsters aan de eveneens mislukte bezetting van confectieatelier Douma en Wolf verklaarden tijdens de actie: ‘Is alles straks toch voor niets geweest […] dan kunnen we tenminste zeggen dat we ons best hebben gedaan. Dan zijn we strijdend ten onder gegaan’ (Het Vrije Volk, 9 januari 1981).

 

Philips, Eindhoven, 1980. Foto: Piet den Blanken.
Philips, Eindhoven, 1980. Delegatie Limburg. Foto: Henk Nieuwenhuis.

De bezettingsgolf tussen 1972 en 1982 kan moeilijk los worden gezien van het maatschappelijk klimaat van strijdbaarheid en verzet dat na ‘mei 1968’ in Frankrijk ook Nederland had bereikt. Het strijdmiddel bedrijfsbezetting was in de meidagen in Frankrijk als het ware herontdekt en kreeg in de jaren daarna een vervolg. Hoewel er in Nederland eerder enkele kortdurende bedrijfsbezettingen waren geweest (met name van Wilton-Fijenoord in Schiedam in 1965 en Werkspoor in Utrecht in 1969), werd daarmee een nieuw type actie aan het bestaande repertoire van actievoerende arbeiders toegevoegd.

Al meteen bij de Enka-bezetting was duidelijk dat het daarbij niet ging om de realisatie van maatschappijhervormende idealen als arbeiderszelfbestuur of meer zeggenschap in het bedrijf, maar om heel praktische doeleinden, namelijk de instandhouding van het bedrijf en het behoud van de werkgelegenheid. In Nederland was 80 procent van de bedrijfsbezettingen daarop gericht. Dat de Enka-bezetting zoveel navolging vond was in de eerste plaats een reactie op de massaontslagen en bedrijfssluitingen, die in de jaren 1970 en 1980 vooral de industrie troffen. Hoewel er in tal van bedrijven specifieke oorzaken en aanleidingen zijn aan te wijzen, en er ook, en in toenemende mate, in de dienstensector werd bezet, waren de bezettingsacties in macro-perspectief vooral een begeleidingsverschijnsel van de de-industrialisering.

De woede en verontwaardiging over de aantasting van de werkgelegenheid, die een belangrijke drijfveer vormden voor de bedrijfsbezettingen in de jaren 1970 en 1980, kunnen worden beschouwd als een specifiek bij dit tijdperk van de-industrialisering horend ‘emotioneel regime’.
De de-industrialisering vernietigde niet alleen industriële werkgelegenheid op grote schaal, maar ook een bepaald type productiesysteem en arbeidsrelatie die als Fordistisch kunnen worden gekarakteriseerd. Ingrediënten daarvan waren massafabricage, gecombineerd met vast, veelal levenslang werk voor voornamelijk mannelijke kostwinners. De bedrijfsbezettingen waren niet alleen een reactie op de ontslagen, maar ook op de teloorgang van dit soort werkzekerheid. Het was met name dit element dat de sterke emoties van de bezetters opriep. We kunnen spreken van een specifiek emotioneel regime dat in het tegenwoordige neoliberale arbeidsbestel, waarin flexibiliteit en mobiliteit tot norm zijn verheven, niet meer leidend is in de gevoelens over de opheffing van bedrijven en het ontslag van werknemers. In de tijd zelf was een verzekerde, vaste baan zozeer de norm, dat het verlies ervan mensen tot in hun ziel raakte. De berichten daarover in de door mij geraadpleegde kranten leggen daar getuigenis van af.

Ad Knotter
November 2025

Auteur: Ad Knotter is fellow van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Hij bestudeert de naoorlogse geschiedenis van de vakbeweging en dan met name de actiegeschiedenis

Beeldredactie: Kier Schuringa.
Getoonde foto’s zijn afkomstig van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, behoudens afbeeldingen met afzonderlijke bronvermelding


Meer lezen of kijken: