Het geheugen van de vakbeweging

Afscheidsinterview Jeroen Sprenger

Pionier neemt afscheid van de VHV-redactie

Jeroen Sprenger (1950) is vanaf het begin – eind jaren ’80 – (hoofd)redacteur van de VHV-Nieuwsbrief en de VHV-website. Met het bereiken van zijn 75e jaardag legt hij op 28 maart 2025 zijn vakbondshistorische activiteiten neer. Veelzeggend voor zijn werklust en inzet is dat zijn rol door drie inhoudelijke eindredacteuren en één technische redacteur wordt overgenomen.
Piet Hazenbosch luisterde naar Jeroens verhaal.

Van huis uit

Jeroen Sprenger tijdens een redactievergadering. Druk doende met de actiepunten…

Van huis uit heb ik altijd belangstelling gehad voor de vakbeweging. Mijn vader werkte voor de Volkskrant en was min of meer ‘embedded’ bij de katholieke vakbeweging. Wij hadden een huis in het Utrechtse Oog-in-Al, waar veel vakbondsbestuurders woonden. Die mannen kwamen bij ons over de vloer en mijn vader was bevriend met mensen zoals Jan Mertens (een van de NKV-voorzitters). Ik kreeg de belangstelling voor de arbeiderswereld als het ware met de paplepel ingegoten.

Dat verklaart wellicht mijn belangstelling voor sociale geschiedenis. Het was dan ook logisch dat ik tijdens mijn studie politicologie sociale geschiedenis als bijvak koos.
In het tweede jaar moest er een scriptie worden geschreven. Ik deed dat bij Ger Harmsen. Harmsen beschikte over een lange lijst van mensen, die een rol hadden gespeeld in de geschiedenis van de vakbeweging. Daar stonden ook katholieken tussen.
Het ging om het schrijven van korte biografieën en Harmsen had nooit mensen, die over katholieke bestuurders wilden schrijven. Ik koos voor P.J.S. Serrarens, die o.a. actief was in de internationale christelijke vakbeweging.
De lijst namen zou later uitgroeien tot het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en Arbeidersbeweging in Nederland, afgekort BWSA.
Harmsen vertrok naar de universiteit van Groningen en werd opgevolgd door Jacques Giele, die een echte vernieuwer bleek. Heel veel sociale geschiedenis was tot dan toe voornamelijk organisatiegeschiedenis, vooral gebaseerd op formele documenten zoals notulen en jaarverslagen. Giele gebruikte voor zijn onderzoek andere bronnen, zoals politieverslagen, waardoor er meer zicht ontstond op de mensen achter de formele organisatie.

Arbeidsmigratie

Ik werd lid van de Werkgroep spontane stakingen. In dat kader moesten wij in het Algemeen Handelsblad op zoek naar artikelen over spontane stakingen, oproer en rellen. Zo ontstond er een lange lijst met allerhande sociale acties. Vervolgens moesten die stakingen worden beschreven. Ik koos voor een staking bij het graven van het Noord-Hollands kanaal. Ik maakte die keuze omdat mijn vader en moeder opgegroeid waren in Amsterdam-noord en ik als kind veel in de buurt van dat kanaal gespeeld had. Giele zorgde ervoor dat wij – Vincent Vrooland en ik – voor ons onderzoek vrij toegang kregen tot – wat toen nog heette – het Rijksarchief. Daarnaast doorzochten wij ook provinciale archieven en daar vonden wij verslagen van de rechtszaken die in 1825 tegen de stakers waren gevoerd. Die verslagen waren een soort goudvondst. Ineens kreeg de stakingen een gezicht en konden we de scriptie schrijven. Het resultaat, ‘Dit zijn mijn beren‘, samen met Vincent Vrooland geschreven, is ook via vakbondshistorie.nl te downloaden.

Omslag ‘Dit zijn mijn beren’

We hebben in de scriptie een aantal zaken bloot kunnen leggen over arbeidsmigratie aan het begin van de 19e eeuw. Op basis daarvan kun je eigenlijk ook weer zeggen dat arbeidsmigratie van alle tijden is. Grote projecten, zoals de aanleg van een kanaal, kunnen niet gerealiseerd worden door de mensen die in de omgeving van het project wonen. Er zijn mensen van buitenaf nodig. Dat is een besef waar ze vandaag de dag wat meer doordrongen van moeten zijn. Arbeidsmigratie is gewoon een onderdeel van het arbeidsproces. Dat besef is van belang om langetermijnontwikkelingen te begrijpen. In mijn scriptie gaat het om infrastructurele werken, maar ook in andere sectoren werd en wordt gebruik gemaakt van arbeiders van buitenaf. Vroeger ging het in de landbouw om hannekemaaiers, tegenwoordig om aspergestekers.

Een andere observatie: Nederland heeft altijd mensen over de wereld vervoerd om werk te doen. De slavenhandel is daar een “goed” voorbeeld van, maar ook binnen Nederlands-Indië versjouwden wij mensen van hot naar her. Waar het op aankomt is dat de Nederlandse economie daar niet alleen een aandeel in heeft, maar een van de vele spelers is op het gebied van arbeidsmigratie. Ik vind het dan ook niet erg gepast om daar telkens een hoop ophef over te maken. Oud-VVD-leider Bolkenstein bevorderde als Eurocommissaris de arbeidsmigratie en nog tegen slechte voorwaarden ook, en nu maakt zijn partij er een heel nummer van. Daaruit blijkt dat ‘we’ te weinig weten van sociale geschiedenis en dat blijkt ook uit de politieke keuzes die gemaakt worden. Dat tekort aan kennis speelt helaas ook binnen de vakbeweging. Het is dan ook de taak van de VHV om de mensen, die bij vakorganisaties werken, bewust te maken van hun geschiedenis. De dingen zijn niet zomaar aankomen waaien, daar hebben heel veel mensen hard voor geknokt. Er zit een geschiedenis achter.

Kleinschaligheid

Toen ik gevraagd werd om over te stappen van de FNV naar het Ministerie van Financiën, ben ik actief gebleven binnen de VHV. De vakbeweging is toch een soort liefde die ik niet kan loslaten. Het past ook een beetje in een soort familietraditie. Mijn vader werkte voor een landelijke krant én richtte het parochieblad op, dat hij vervolgens zelf volschreef. Mijn moeder verspreidde de convocaties van haar vader, die actief was binnen de timmerliedenbond. Het is de kleinschaligheid die daaruit naar voren komt, kleinschaligheid die mij aanspreekt.
Ik had tijdens mijn studie en mijn jaren bij de FNV een groot netwerk opgebouwd van mensen. Een netwerk dat ik goed kon gebruiken bij het samenstellen van de VHV-Nieuwsbrief. Ik vind het leuk om in een relatief kleine omgeving actief te kunnen zijn met mensen die op net zo’n manier in het leven staan.

Cohesie door communicatie

Het belang van communicatie binnen een club is bij te dragen aan een zekere cohesie. Je kunt niet zonder, nog los van de vraag of je communicatie succesvol is. Door informatie te verspreiden kunnen mensen – ik zeg het maar voorzichtig – weten van wat voor club zij lid zijn. Dat geldt dus ook voor de clubjes in de regio – die zijn voor de VHV van belang. Het is mooi dat lokale of regionale bijeenkomsten goed bezocht worden, want ook door die vorm van communicatie wordt de cohesie bevorderd. Het gaat om het delen van informatie, ook om de samenhang binnen de club te vergroten.

‘Lessons learned’

Wat vaak voorkomt is dat derden jouw geschiedenis beter kennen dan jijzelf. Als je ergens buiten je eigen club komt dan zeggen anderen ‘het zit bij jullie toch zo-en-zo.’ Het kan zo maar dat je om je oren wordt geslagen met opvattingen waar je last van kan hebben. Je bent vakbondsbestuurder, je zit in een onderhandelingssituatie en dan zegt de werkgever ‘maar toen en toen hebben jullie dat beweerd’. Dat kan natuurlijk niet, dat moet ogenblikkelijk weerlegd kunnen worden. Maar dat weerleggen kan alleen maar succesvol zijn, wanneer je als bestuurder redelijk goed bent geïnformeerd over de recente geschiedenis. Daarom denk ik er wel eens over dat de VHV exitinterviews moet voeren met vertrekkende bestuurders over ‘lessons learned’, waar de volgende generatie mee uit de voeten kan.

“In de geest van de commandant”

Jaap van der Linden

Ik heb het geluk gehad dat Jaap van der Linden – lang voorzitter van de VHV – mij bij de Bouwbond min of meer onder zijn vleugels nam. Hij droeg zijn kennis op mij over. Het belangrijkste wat hij mij leerde: “Handel in de geest van de commandant.” Als je bij de vakbeweging werkt, dan kom je in allerhande overleggen terecht en het is lang niet altijd scherp wat de bond van een bepaald vraagstuk vindt. Daarom moet je handelen in de ‘geest van de commandant’. Nieuwe bestuurders moeten dus leren te handelen in de ‘geest van de commandant’ en daarbij is kennis van de geschiedenis van groot belang.

Stoppen

Ik vind het leuk, maar ik stop er toch mee. Het wordt tijd voor jongeren om de kar te trekken. Mijn moeder was tot haar 75e actief in de parochie, ik word in maart 2025 ook 75. Een gepaste leeftijd om jongeren het werk te laten overnemen. Je moet je realiseren dat mijn generatie – de babyboomers – bijna alle organisaties domineren. Die dominantie is niet goed. Ik probeer ook afstand te houden van de kreet ‘dat deden we vroeger ook al’. Door onze dominantie lijkt het ook alsof wij over de toekomst gaan, maar we moeten juist jongeren een kans geven. En dat lukt eigenlijk alleen maar door zelf aan de kant te gaan
Als ik terugkijk op mijn lange ervaring als redacteur van de VHV-Nieuwsbrief en de website, dan is het belangrijk om jongeren een kans te geven. Bedenk dat een redactie die al jarenlang samenwerkt, een cultuur kan hebben, die dodelijk kan zijn voor nieuwkomers. Sta dus open voor nieuwkomers met nieuwe, andere ideeën. Een andere les: In elke club moeten taken verdeeld worden. Daarbij is het prettig als de mensen, die het werk moeten doen, weten wat zij willen en de dingen oppakken die hen aanspreken. Een derde les: wees niet te beroerd om nieuwe wegen in te slaan en om open te staan voor vernieuwingen. Daarom zijn we rond 2012 afgestapt van de papieren Nieuwsbrief en hebben we een website gebouwd.

Het is – afsluitend – dus van belang dat de redactie openstaat voor nieuwkomers. De redactieleden moeten de thema’s die hen aanspreken, oppakken.
Zij moeten ervoor zorgen dat er aansluiting is met de oorspronkelijke beweging, want verbinding met de vakbeweging is van doorslaggevend belang. Die verbinding moet ook de andere kant op: overtuig de vakbeweging er telkens weer van dat kennis van de geschiedenis voor hun voortbestaan van levensbelang is.

Piet Hazenbosch
4 maart 2025