Journaliste en publiciste Ank Benko-van Dugteren heeft onlangs in oude familiepapieren een manuscript gevonden van haar grootvader Hein van Dugteren, die van 1936 tot 1951 penningmeester van het NVV is geweest. In dat boek, dat hij zelf de titel ‘Marinebelevenissen’ heeft genoemd, beschrijft hij zijn ervaringen bij de Marine aan het begin van de 20ste eeuw en vertelt hij over het werk voor de bond. In hoofdstuk 15 beschrijft Van Dugteren het verloop van de Tweede Bonbi-expeditie in 1905
Klewangexercitie aan boord van de Koningin Regentes (1902-1919), vermoedelijk tijdens de Boni-expeditie van 1905

Na de avonturen met de Russen volgde een welverdiende rustpauze in de ‘Goedang’, de oude marinekazerne op de werf van Soerabaja. Nadat daar de noodzakelijke reparaties waren uitgevoerd, kreeg het schip Tandjong Priok als voorlopige thuishaven. Hein had intussen met succes het examen Tweede Klas afgelegd. Het leverde hem een maandelijkse gage, inclusief Indische toeslag, van 22 gulden op, wat enige verlichting op zijn zakboekje betekende.
In de haven van Tandjong Priok lag ook een oude clipper. Het was de vroegere Nederlandse clipper Nil Desperandum, een barkschip van 1164 ton, in 1889 gebouwd in Amsterdam en in 1902 verkocht naar Emden. Aan boord een Nederlandse kapitein en een gemengde Nederlands-Duitse bemanning. Het schip lag er al een paar maanden te wachten op een retourlading. Opmerkelijk genoeg maakte het schip weinig indruk op de jongere bemanningsleden van de Koningin-Regentes, maar des te meer op de ouderen.
Uiteindelijk kreeg de Nil Desperandum dan toch lading. De avond voor het vertrek vond een daverend afscheidsfeest plaats. De volgende ochtend werd het schip de haven uitgesleept en zette het de zeilen bij. Het verdween als een prachtig silhouet tussen de duizenden eilanden. Dat was het allerlaatste wat er ooit van het schip is gezien. Ergens op de oceaan is het met man en muis vergaan. Niemand weet waar.
De rust in Tandjong Priok was van korte duur. De landingsdivisies van de verschillende schepen oefenden druk in de kuststrook ten oosten van de haven. Ze maakten lange marsen en oefenden met aanvallen op veronderstelde versterkingen en met het oversteken van Kali’s (rivieren) en Sawa’s.
Er leek iets te broeien, maar wat precies was niet bekend. Totdat er artikelen verschenen in de Java Bode en andere kranten. Buiten Java lagen zogeheten buitenbezittingen, gebieden waar plaatselijke of regionale inlandse regeerders het gezag van het Nederlands Indisch Gouvernement niet wilden erkennen of zich niet wilden aanpassen aan de nieuwe sociale verhoudingen zoals het gouvernement die voorschreef. Althans: zo luidde de officiële versie. Zeer waarschijnlijk zat er meer achter, zoals de hebberigheid van westerse ondernemers die deze gebieden wilden ontsluiten.
De spanning werd heviger toen de Radja van Boni weigerde het Zevenstatenverbond van Midden Celebes te tekenen. Hij weigerde zowel de zogeheten lange als de korte verklaring te accepteren. De lange verklaring had betrekking op een overeenkomst waarbij de vorst zich bereid verklaarde een bepaalde orde op zaken te stellen in zijn gebied en die door ambtenaren van de ‘Kompenie’ te laten controleren. Met het tekenen van de korte verklaring onderwierp hij zich aan het Nederland-Indisch gezag en beloofde alle aanwijzingen te zullen opvolgen.
De weigering van de Radja leidde tot een nieuwe Boni-expeditie in 1905. De marineschepen die voor deze expeditie werden aangewezen – landingen en een blokkade van de kust – werden op de marinewerf van Soerabaja van de nodige uitrusting voorzien. Vanaf het verzamelpunt Makassar begon de tocht naar de Golf van Boni.

Pantserschip Hertog Hendrik (1904-1968) is in de Golf van Boni bij Balangnipa op een rif gelopen en zit muurvast, juli 1905. Opname van de ochtend voor het loskomen; pantserschip Koningin Regentes brengt de ankerketting uit om de Hertog Hendrik vlot te trekken.
De vorst van Boni had zich omringd met een Raad van Rijksgroten: hovelingen en hofdignitarissen, waaronder twee Arabische kooplieden die in werkelijkheid fanatieke moslimleiders waren. Nadat het laatste ultimatum van de ‘Kompenie’ aan de Radja was overhandigd, adviseerden deze Arabieren de vorst zich tegen de Kompenie te verzetten. Een van hen vertelde daarbij dat hij enkele dagen tevoren een visioen had gehad van een Nederlands schip dat de aanval uit zee zou doen en dat vastliep op een klip. Het schip van de divisiecommandant, de Hertog Hendrik, dat als eerste uit Makassar naar de Golf van Boni vertrok, liep inderdaad op een klip die niet op de kaart voorkwam.
Uiteraard stuurde het vastgelopen schip noodseinen uit. De andere schepen, waaronder een paar grote van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM), volgeladen met troepen en materiaal, voeren naar de aangegeven plaats. De Hertog Hendrik lag muurvast. Het voorschip tot aan de brug stak schuin omhoog boven de waterspiegel uit. Je kon onder de steven doorlopen. Alleen het achterschip met roer en schroeven stak nog in voldoende diep water. Uiteraard werd onmiddellijk geprobeerd het schip los te trekken. Tevergeefs. Telkens knapten de trossen als draadjes af. Daarna werd het met ankerkettingen geprobeerd. Drie schepen naast elkaar lagen urenlang op volle toeren te draaien. Het hielp niet.
Toen kreeg de konstabel op het gestrande schip een ingenieuze ingeving. Het schip zat midscheeps het ergst vast. Dus als nu het voorste stuk geschut – een 24 cm kanon in pantsertoren – geladen met een volle lading, zou worden afgevuurd op het moment dat de drie schepen op volle toeren trokken, dan zou dat het schip wellicht ‘opspringen’. En inderdaad kon het op die manier uit zijn benarde positie worden bevrijd.
Er gaan geruchten dat de konstabel voor deze briljante oplossing nooit een woord van dank van zijn meerderen heeft gekregen. De Artillerieofficier zou met de eer zijn gaan strijken. Hoe dan ook: de Hertog Hendrik was er redelijk goed vanaf gekomen. De bodem was weliswaar over een groot deel gegolfd als een reusachtig wasbord, maar er waren geen gaten ontstaan, afgezien van een aantal afgescheurde klinknagels die wel wat water doorlieten. Het schip kon op eigen kracht terugvaren naar het dok voor reparatie.
De andere schepen vervolgden hun weg naar de kust van Boni. De ‘Koningin Regentes’ ging ten anker bij Oedjong Patiro, een kleine kaap ten zuiden van Badjoweh (tegenwoordig Bajawa geheten). De zee is hier zeer ondiep, zodat het schip minstens 2 mijl van het strand kwam te liggen. Een zogeheten Vierdeklasser en een gouvernementsvaartuig, die minder diep lagen, stoomden dichter onder de wal op kustwacht. De bedoeling was om zo de grote Makassarse prauwen (die veel weg hebben van Chinese jonken) de doorgang naar de kust van Boni te verhinderen. Het was bekend dat deze prauwen wapens, munitie en levensmiddelen naar de Bonikust brachten. Overdag zag je ze niet. Ze namen de meest oostelijke koers, uit het zicht van de blokkadeschepen, om ’s nachts te proberen door de blokkade heen te breken. En dat zal een aantal malen ook zeker gelukt zijn.
Op de Nederlandse schepen ging niemand ervan uit dat de bemanning van de prauwen, als ze zouden worden aangehouden, in verzet zouden komen. Volgens de oudere officieren met ervaring van de Atjehkust, zouden ze wel wijzer zijn. “Zo lang ze het er levend vanaf kunnen brengen, zullen ze passief zijn”. Maar niet iedereen dacht er zo over. En ze kregen geen ongelijk.
Op een vroege ochtend verscheen het grote zeil van een Makkassarse prauw aan de horizon. Hij trachtte de landpunt van Oedjong Patiro te ronden. Een paar dagen eerder waren de kleine stomers die onder de wal heen en weer voeren, verplaatst. Waarschijnlijk zorgde die wetenschap ervoor dat de prauw z’n kans waagde. Hoe dan ook: de jongste officier van de Koningin Regentes kreeg opdracht om met de stoomsloep de prauw aan te houden en op te brengen. De stoomsloep werd, zoals gebruikelijk, bemand door twee stokers voor ketel en machine, twee matrozen en een roerganger. Het verzoek van de jonge officier om meer gewapende manschappen werd afgewezen. De sloep vertrok, met de gebruikelijke bewapening. Een zoeklicht werd niet nodig geacht, omdat het toch bijna licht was.
Aan boord van de Koningin Regentes ging het gewone dagelijkse leven door. Maar richting het strand speelde zich een vreemd schouwspel af. De Makassarse prauw dreef blijkbaar naar het strand, terwijl de stoomsloep een halve mijl ervandaan, stuurloos leek rond te drijven. Op de kop stond iemand met vlaggen seinen te geven: “zend onmiddellijk hulp, hebben gewonden”.
En terwijl twee sloepen in de takels hingen om bijstand te verlenen, gelaste de officier die het eerder niet nodig vond om extra versterking mee te geven, dat iedereen zich eerst model moest kleden, de beruchte frokjes moest aantrekken, linten om hoeden te doen, schoenen aan te trekken enz.
Aanvankelijk was iedereen met stomheid geslagen. Maar de stemming sloeg al snel om in grommen van verontwaardiging. Daar waren maats in nood en hier stond een zeveraar de zaak te betuttelen. Gelukkig greep een van de oudere officieren in en voerde de man af. De sloepen werden nu snel gestreken en met een dubbele bemanning aan boord ging het op de in nood verkerende stoomsloep af. Het mocht niet meer baten. Aan boord van de stoomsloep troffen ze twee doden: de jonge officier en een matroos. Beiden neergeschoten door geweervuur vanaf de prauw.
Later werden de details bekend. De stoomsloep had de prauw ingehaald en de djoeramoedi, de schipper, bevel gegeven bij te draaien. Aan dat bevel werd onwillig en treuzelend gehoor gegeven. Daarom was de stoomsloep achteruit gedraaid om de kop van de prauw te benaderen en een tros op de prauw te gooien. Het bevel om die vast te maken negeerde de bemanning van de prauw. De roerganger van de sloep kreeg vervolgens het bevel aan boord van de prauw te klimmen om het zelf te doen. Door de stroming draaide de stoomsloep langszij de prauw. Daarop hadden de manschappen onderdeks kennelijk gewacht, want plotseling kwamen er tussen de matten overal geweerlopen tevoorschijn en werd de stoomsloep onder vuur genomen. Met de twee dodelijke slachtoffers tot gevolg.
De machinist liet onmiddellijk de sloep volle kracht vooruit varen. Daarmee kwam de sloep weliswaar op een flinke afstand van de prauw te liggen, maar raakte ook de sleeptros te water en vervolgens in de schroef. De bemanning van de prauw meende z’n kans schoon te zien om het karwei af te maken. Maar de machinist sprong overboord om de tros uit de schroef te halen en de matroos beschoot de prauw van korte afstand. De prauw raakte stuurloos en dreef naar het strand. Uiteindelijk kon de stoomsloep langzaam naar het schip terugvaren en kon de matroos de benodigde seinen uitsturen. Maar het duurde erg lang voordat die seinen begrepen werden en de beide roeisloepen te water werden gelaten.
’s Middags werden er weer twee gewapende sloepen op de prauw afgestuurd. Die lag intussen op het strand. De bemanning was verdwenen. Er werd nog wel een half dozijn granaten op de prauw afgevuurd, maar dat was meer om aan de militaire eer te voldoen dan dat het verder nut had.
| Terug naar inleiding en inhoudsopgave |