‘Het NOG is niet weg geweest, het heeft zijn bestaan ondergronds voortgezet’
Notulen uit een leeg kantoor
Het is mei 1945. De oorlog is voorbij. Het bestuur van het Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) afdeling ‘s-Gravenhage komt bijeen. De notulen van die vergadering bestaan nog. Onlangs overgekomen van het onlangs gesloten AOb kantoor aan de Valkenboskade. Hoe ging de Haagse afdeling om met het recente oorlogsverleden?
Het staat allemaal genoteerd in het grote notulenboek van de afdeling ‘s-Gravenhage. In keurig uitgeschreven handschrift. Genoteerd, vastgesteld en goedgekeurd door de secretaris van de afdeling, Roels. De oorlog is nog geen week voorbij of de voorzitter van de afdeling – E. de Klerk – ‘feliciteert allen van harte met het einde van de oorlog‘. En over de vraag hoe de afdeling tijdens de oorlog heeft gehandeld wil hij ook meteen duidelijk zijn: ‘het NOG is niet weg geweest, maar heeft zijn bestaan ondergronds voortgezet.‘ Dat is een opvallende mededeling, zo kort na de oorlog. Later onderzoek heeft aangetoond dat het optreden van de onderwijsbond helemaal niet zo heldhaftig was. Veel leden keerden zich af van de bond en konden zich er niet in vinden dat de bond door ging met het verstrekken van adviezen en het herhaaldelijk onderhouden van contacten met hoge ambtenaren van het ministerie. Geen aanleiding dus voor grote tevredenheid. Maar mochten er twijfels zijn dan – zo zegt de voorzitter toe – ´zal het hoofdbestuur van het NOG in de eerstvolgende vergadering verantwoording afleggen‘.
Collaborerende leraren

De eerste ledenvergadering van de afdeling in mei 1945 besluit om ‘N.S.B.’ers e.d. van het lidmaatschap van de bond uit te sluiten´. Dat blijkt in het verdere verloop nog een lastige kwestie. Vooral door de letters ‘ e.d. ‘ Want wie vallen daar allemaal onder? En dus vormt de vraag ‘hoe te handelen met collaborerende leraren‘ een steeds terugkerend onderwerp. De wethouder van Den Haag moet als verantwoordelijke hier onderzoek naar doen, maar krijgt per direct een brief van het NOG bestuur waarin staat dat ‘wij er met trots van mogen gewagen, dat in het algemeen ons corps zich tijdens de bezetting voortreffelijk gedragen heeft’. En om alle twijfel weg te nemen voegt het bestuur er aan toe ‘ wij twijfelen er niet aan dat u daarbij ook de houding van de afdeling ‘s-Gravenhage van het NOG zult weten te waarderen.’
Maar intussen dienen zich ook individuele zaken aan. Zo is er een schoolhoofd dat vanwege collaboratie geen lid van het NOG kan worden. De man was in de oorlog lid geworden van het door de bezetter in het leven geroepen ‘Opvoedersgilde’. In reactie op zijn uitsluiting trommelt de man zijn hele team op om voor hem te pleiten. De notulen melden ‘ Het gehele personeel zonder uitzondering acht Van Dam zeker acceptabel.‘ De zaak sleept zich nog tot in 1946 door.
Lot Joodse collega’s
Vrijwel geen woord is terug te vinden in de notulen over het lot van de Joodse collega’s of over collega’s die vanwege hun verzet naar een concentratiekamp zijn afgevoerd. Behalve dan Mej. Anderson die zegt ‘pogingen in het werk te willen stellen om haar salaris gedurende haar gevangenschap in Ravensbrück uitbetaald te krijgen.‘ Het bestuur belooft haar zijn volle medewerking zonder dat in het verder verloop duidelijk wordt wat het daadwerkelijk onderneemt of welk effect die medewerking heeft.
En het afleggen van verantwoording over het handelen van het NOG in oorlogstijd? Dat laat nog ruim een half jaar op zich wachten. Maar dan hoeft het al niet meer, want het NOG fuseert 1 januari 1946 met de Nederlandse Bond van Onderwijzers (NbvO). En door die fusie is het NOG opgeheven en is daarmee is ook het verantwoording afleggen van de baan. De fusie tussen twee noodlijdende bonden was niet alleen financieel noodzakelijk, maar als het gaat om het oorlogsverleden ook een vlucht naar voren.
Wouter van der Schaaf
Mei 2016
Zie ook het uitgebreide artikel over het NOG elders op deze website
