In 1990 viert de Sociaal-Economische Raad zijn 40-jarig bestaan in de Ridderzaal. Ter gelegenheid daarvan beschouwt FNV-voorzitter Johan Stekelenburg de positie en de toekomst van de SER tegenover de critici in politiek en werkgeverskring. Hieronder de hoofdlijnen van zijn betoog.
Johan Stekelenburg, FNV-voorzitter
o De waarde van de SER is aanzienlijk, hoewel er ook in FNV-kring flink over wordt gediscussieerd. Verwijten uit de kring van politici dat de SER te krachtig is, zijn een brevet van onvermogen en een poging om de eigen politieke verantwoordelijkheid te benadrukken. Politiek doet er verstandig aan de adviezen van de SER serieus te nemen, zeker als ze unaniem zijn.
o De SER is een platform voor behartiging van belangen van werkgevers en werknemers, maar wel in het perspectief van het algemeen belang en van respectering van fundamentele waarden en normen, zoals die onder meer in de Grndwet zijn opgenomen.
o De vakbeweging bokst daarbij op tegen de conserverende visie van werkgevers, die geen positie durven te kiezen in maatschappelijke veranderingen. Binnen hun kring overheerst een gedachte dat elke centrale sturing funest is.
o De SER heeft ook een integrerende functie om draagvlak te bevorderen voor de grote maatschappelijke ontwikkelingen.
De SER moet blijven, maar moet wel meer bijdragen aan het aanpakken van nieuwe kwesties en uitdagingen. Hij moet daarvoor een toekomstvisie ontwikkelen. Er liggen hier tien uitdagingen:
o Er dient in de jaren negentig een beter evenwicht te komen in de verdeling van de verantwoordelijkheden, taken en middelen tussen de overheid en het pluriforme maatschappelijke middenveld. Met betrekking hiertoe zijn er drie aanbevelingen: