Het geheugen van de vakbeweging

Ger Harmsen: … aandacht voor geschiedenis loont in de vakbondskaderscholing…


Ger Harmsen honderd jaar geleden geboren

Vakbondsgeschiedenis in de kaderopleiding

In mei 2022 is het honderd jaar geleden dat vakbondshistoricus Ger Harmsen werd geboren. Deze Amsterdamse arbeiderszoon was eerst communistisch scholingsleider, daarna geschiedenisleraar en vervolgens hoogleraar in Groningen, waar ik bij hem promoveerde op de vakbeweging van handels- en kantoorbedienden. Harmsen speelde een belangrijke rol in de sociale geschiedbeoefening, met als specialisatie geschiedenis van de arbeidersbeweging. Vanaf 1976 was hij met anderen betrokken bij de kaderscholing van de Industriebond NVV, die geleid werd door Arie Groenevelt. In dit artikel wil ik de vraag beantwoorden hoe en waarom vakbondsgeschiedenis destijds een belangrijk onderdeel van de kaderopleiding werd – en wat mij betreft weer zou moeten worden.

Ervaringen doorgeven aan volgende generaties

In de socialistische arbeidersbeweging telde het doorgeven van ervaringen in de sociale strijd al vroeg. Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de leider van de Sociaal-Democratische Bond, drong er bij activisten op aan hun ervaringen op te schrijven, zodat latere generaties zouden begrijpen hoe verbeteringen in de maatschappelijke situatie dankzij strijd waren verkregen. Dit kreeg vorm in artikelen in tijdschriften, memoires en gedenkboeken bij het zoveel-jarig bestaan van vakbonden en politieke organisaties.

Bob Reinalda, auteur van dit artikel

Bij het vastleggen van herinneringen uit de sociale bewegingen geldt een verband tussen verleden, heden en toekomst. De geschiedenis houdt mensen immers in haar greep, ook al maken mensen de geschiedenis zelf. Het is daarom noodzakelijk de beperkingen die het verleden oplegt te onderzoeken, om de marge te kunnen bepalen voor de vrijheid in het heden met betrekking tot het streven de toekomst vorm te geven. Het kennen van het verleden is dus belangrijk voor maatschappelijke verbeteringen die mensen nastreven.

Ego-documenten

… ‘ego-documenten’zijn er ook uit de arbeidersbeweging. Zo schreef Ferdinand Domela Nieuwenhuis zijn herinneringen onder de titel Van Christen tot Anarchist (1910),

Hoe kunnen we het verleden van de arbeidersbeweging en vakorganisaties kennen? Deels door wat mensen uit de beweging zelf vastleggen, deels door wat beroepshistorici publiceren. Historicus Jacques Presser bedacht voor autobiografische teksten zoals memoires en dagboeken de term ‘ego-documenten’. Deze zijn er ook uit de arbeidersbeweging, bij voorbeeld in de vorm memoires van voorlieden. Zo schreef Domela Nieuwenhuis zijn herinneringen onder de titel Van Christen tot Anarchist (1910), publiceerde de sociaaldemocraat Pieter Jelles Troelstra gedenkschriften in vier delen met als titels Wording, Groei, Branding en Storm (1927-1931) en volgde de dichteres en politica Henriette Roland Holst met Het vuur brandde voort (1949).

Bestuurders van bonden schreven in de vorige eeuw zelf de geschiedenis van hun organisaties met het doel de herkomst daarvan te verduidelijken. Zij putten uit eigen ervaring, maar moesten ook ontwikkelingen naspeuren uit de tijd dat zij nog niet actief waren. Dit gebeurde bij voorbeeld bij de typografen (F. van der Wal, met zijn gedenkboeken uit 1916 en 1926), de diamantbewerkers (C.A. van der Velde, 1925), de handels- en kantoorbedienden (G.J.A. Smit jr., 1931), het spoor- en tramwegpersoneel (H.J. van Braambeek, 1936), de sigarenmakers (W. van der Hoeven, 1937) en de landarbeiders (J. Hilgenga, 1940). De eerste secretaris van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), Jan Oudegeest, schreef De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland in twee delen (1926 en 1932). Het eerste deel behandelde de voorloper van het NVV: het NAS of Nationaal Arbeids-Secretariaat. Het tweede deel ging over de ‘moderne’ vakcentrale die zich tegen het NAS afzette. Ook protestantse en rooms-katholieke vakorganisaties publiceerden gedenkboeken met eigen ervaringen.

Soms werden mensen die een rol hadden gespeeld geïnterviewd. Dit gebeurde bij C.F. Thomas, die in januari 1886 in Recht voor Allen had opgeroepen tot aansluiting bij de juist opgerichte landelijke metaalbewerkersbond. In zijn gedenkboek bij het vijftigjarig bestaan van de moderne bond (1936) kon Gijs van der Houven duidelijk maken hoe deze tot stand was gebracht door mensen die lange werkdagen in de fabrieken maakten en veel weerstand moesten overwinnen voordat er verbeteringen kwamen. Toen Thomas nog in leven bleek, had Van der Houven hem opgezocht, uitvoerig gesproken en laten fotograferen. Bovendien betoonde de bond eer bij de begrafenis van deze pionier.

Jacques Giele, Arbeidersleven in Nederland, omslag

De vroegste ego-documenten van arbeiders dateren volgens sociaal-historicus Jacques Giele vanaf de grote economische crisis omstreeks 1880. Daarvóór is hoogstens een enkele brief bekend. Jacques Giele legt een verband met de opkomende arbeidersbeweging, die het optekenen van het dagelijks leven en het verlangen naar verbetering zinvol maakte. Hij bracht een groot aantal ego-documenten van arbeiders bijeen in zijn prachtige boek Arbeidersleven in Nederland 1850-1914 (1979) (foto). Wat in deze levens van arbeiders en arbeidsters direct opvalt is de scherpte waarmee zij de wereld om hen heen bekeken, aldus Giele: ‘Zij zagen scherp en legden de misstanden snel bloot’.

Discussies over vakbewegingsgeschiedenis

In 1956 schreef historicus Frits de Jong Edz., zelf een rode jongen, dat wil zeggen afkomstig uit de sociaaldemocratie, bij het vijftigjarig bestaan van het NVV het boek Om de plaats van de arbeid. Dit was een moedig boek omdat hij ook het lange functioneren van het NVV tijdens de Duitse bezetting ter discussie stelde. De draad die door zijn geschiedenis liep was die van het ‘ingroeien’ van de vakbeweging in het maatschappelijk bestel. Stonden de vakorganisaties aanvankelijk buiten dit bestel, uiteindelijk maakte zij daarvan via ‘ingroei’ deel uit.

… omdat het kapitalisme in de jaren zeventig nog steeds bestond ging het destijds niet om ‘de plaats van de arbeid’ maar om ‘de bevrijding van de arbeid’…

In de beknopte geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging, die Ger Harmsen en ik publiceerden onder de titel Voor de bevrijding van de arbeid (1975) (foto)  en die vakbeweging breed opvatte, bekritiseerden wij de visie van Frits de Jong Edz. Wij vonden dat klassentegenstellingen nog steeds bestonden en dat de groeiende klassensamenwerking, waarop De Jong met zijn ‘ingroei’ doelde, het sluitstuk was van een ontwikkeling die het denken van vakbondsleiders kort voor, tijdens en na de oorlog doormaakte. Omdat het kapitalisme in de jaren zeventig nog steeds bestond en zich uitte in ingrijpende veranderingen in de maatschappij (denk aan het verdwijnen van de textielindustrie of de toegenomen betekenis van multinationale ondernemingen) ging het destijds niet om ‘de plaats van de arbeid’ maar om ‘de arbeid te bevrijden’.

Academische belangstelling voor vakbondsgeschiedenis

Begin jaren zeventig trok geschiedenis van de arbeidersbeweging de aandacht van kritische studenten. In Amsterdam zette Ger Harmsen met hen een vergelijkend onderzoek op naar de opkomst van de studentenbeweging en die van de arbeidersbeweging. Dit werd gevolgd door onderzoek naar het ontstaan van de Eenheids Vak Centrale (EVC). Dit was even een breed gesteunde beweging geweest, maar vanwege banden met de communistische partij was de EVC niet onderzocht. Vakbewegingsgeschiedenis in een tijd dat vakbonden weer begonnen het stakingswapen te hanteren werd een populair onderwerp. Jacques Giele deed onderzoek naar spontane stakingen in de negentiende eeuw en de opkomst van het NAS en de Utrechtse hoogleraar Theo van Tijn was eveneens met studenten (onder hen Erik Nijhof) met EVC-geschiedenis bezig en zocht zelf naar een wetenschappelijke benadering van vakbondsgeschiedenis, op basis van de diamantbewerkersbond van Henri Polak en de betekenis van de collectieve arbeidsovereenkomst. Frits de Jong Edz. publiceerde samen met de studenten Rob Ney en Ernst Hueting een nieuwe, breder opgezette geschiedenis van het NVV onder de titel Naar groter eenheid (1983). Artikelen en debatten over vakbewegingsgeschiedenis verschenen in bladen als het Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, Te Elfder Ure, Zeggenschap en het Jaarboek arbeidersbeweging.

Ger Harmsen en de Industriebond NVV

Oskar Negt: … Via de Duitse zusterorganisatie was de Industriebond navolger geworden van de scholingsmethode van Oskar Negt, waarin eigen ervaring, geplaatst in een politiek en historisch kader, centraal stond…

Ger Harmsen was scholingsmedewerker van de communistische partij geweest, maar had in 1958 met deze partij gebroken en over haar de nodige kritische stukken gepubliceerd. De ABVA aanvaardde hem als lid, maar vanwege zijn CPN-verleden met tegenzin. Na een voordracht over de EVC-geschiedenis werd Harmsen in 1973 gebeld door Leen van der Wel van de afdeling Scholing en Vorming van de Industriebond NVV. Deze strijdbare bond schoolde zijn kader en zocht een inleider over de geschiedenis van de vakbeweging, mogelijk een student van Harmsen. Via de Duitse zusterorganisatie was de Industriebond navolger geworden van de scholingsmethode van Oskar Negt, waarin eigen ervaring, geplaatst in een politiek en historisch kader, centraal stond. Vandaar de behoefte aan een inleider over vakbewegingsgeschiedenis. Harmsen bood aan het zelf te doen. Omdat hij in NVV-kring nog steeds verdacht was als communist, woonde Arie Groenevelt zijn optreden bij. Na uitgebreide gesprekken die dag volgde het groene licht.

Er moest ook een scholingstekst komen, wat Voor de bevrijding van de arbeid zou worden. Het boek zou in december 1975 beschikbaar zijn en door de Socialistische Uitgeverij Nijmegen worden uitgegeven. Ger Harmsen en ik werkten hard door en leverden onze hoofdstukken steeds op tijd bij de uitgeverij in. SUN-redacteur Hugues Boekraad, die alles pas op het laatste moment las, vond de tekst onacceptabel, omdat deze in strijd was met het (ons onbekende) SUN-uitgangspunt zich niet in de Nederlandse partijpolitiek te mengen.

Er volgde een spannende periode over het al of niet doorgaan van de boekuitgave, die ermee eindigde dat het boek niet het fraaie omslag van Karel Martens kreeg maar in een donkerbruine kaft verscheen, en niet als boek maar als ‘werkuitgave’ van de SUN met een relativerende tekst op de achterzijde. Het vermoeden van Boekraad dat het boek de CPN niet zou bevallen, kwam uit, want het CPN-dagblad De Waarheid sprak over ‘Vakbewegingsgeschiedenis door de bril van een NAVO-professor’. Binnen de Industriebond was nu echt duidelijk dat Harmsen geen communist meer was.

De werkuitgave verscheen op tijd voor de cursussen in 1976 en werd daarbuiten zelfs een commercieel succes. Volgens biograaf Jos Perry kreeg Harmsen binnen de vakbeweging een reputatie als docent, waar hij zijn oude rol als scholingsleider hernam. ‘Als inspirerend, charismatisch spreker was hij er geknipt voor. Was hij op dreef, dan hing zijn gehoor aan zijn lippen, of het nu scholieren waren, studenten of vakbondskaderleden. Ze vergaten de tijd, hij zelf trouwens ook.’

Vakbondsgeschiedenis in de kaderopleiding

Aanvankelijk was geschiedenis van de vakbeweging een belangrijk onderdeel in het vierde jaar van de kaderopleiding in het scholingsoord van de Industriebond, het Veluweoord in Nunspeet, bekend als het Rode Hilton. Behalve om geschiedenis ging het om de plaats van de vakbeweging in de maatschappij. Later werd geschiedenis ook in de andere jaren ondergebracht. Er waren vier bijeenkomsten per jaar, elk van drie dagen, met voor de geschiedenisinleid(st)er drie keer per jaar zowel een avond- als een ochtendsessie. Verschillende studenten of mensen die net aan een academische of andere carrière begonnen, waren bereid het geschiedenisonderdeel in één of meer groepen te verzorgen, onder wie Leontine Bijleveld, Wantje Fritschy, Floor van Gelder, Sjef Huybregts, Jos Perry, René Rippen en Anne van Veenen.

… soms ontstonden contacten in de eigen stad, zoals met districtbestuurder Aart Verschuur bij het Nijmeegs Aktieplan Werkgelegenheid – waarover net het boekje Weer Werk! is verschenen…

Het waren intensieve en vermoeiende bijeenkomsten, maar wel inspirerende sessies, waar ik als inleider veel over vakbeweging en kaderleden heb geleerd. Bij elke sessie hadden twee bestuurders de leiding. Uit de contacten met hen leerde ik veel over wat het werk van een vakbondsbestuurder inhield en welke controverses er in het bondsbeleid speelden. Soms ontstonden contacten in de eigen stad, zoals met districtbestuurder Aart Verschuur bij het Nijmeegs Aktieplan Werkgelegenheid – waarover net het goed geschreven boekje Weer Werk! van Andreas Caspers en Peter Altena bij Valkhof Pers is verschenen (foto).

Bij de vormgeving en aanpassing van de cursussen waren onder meer Folkert Catz, Iske ter Haar en Ruud Vreeman betrokken. Leen van de Wel zorgde ervoor dat ook de man-vrouwverhouding aan de orde kwam. Op de laatste bijeenkomst mochten de ‘partners’ van de cursisten (in die tijd vooral mannen) meekomen. Het woord partner was bewust gekozen. Gesprekken over de man-vrouwverhouding waren in die tijd echter moeilijk, omdat het nog een nieuw en omstreden onderwerp was, terwijl ook het leeftijdsverschil tussen inleiders en oudere arbeidersvrouwen meespeelde.

Als docent heb ik veel van deze cursussen opgestoken, want Leen van der Wel was een goede begeleider, die met heldere analyses de structuur van mijn bijdragen verbeterde (op de universiteit ontbrak een dergelijke evaluatie destijds). Zelf was ik van 1976 tot 1984 betrokken bij de kaderopleiding van de Industriebond NVV/FNV en van 1982 tot 1995 bij die van de Dienstenbond FNV, gebaseerd op mijn onderzoek naar de vakbeweging van handels- en kantoorbedienden (‘witte’ in plaats van ‘blauwe’ boorden).

Gemotiveerde kaderleden

Als docent langere tijd betrokken zijn bij een meerjarige kaderopleiding geeft zicht op hoe cursisten zich gedurende die periode ontwikkelen. Hun voortgang was doorgaans goed zichtbaar en herkenbaar in de vele gesprekken na afloop van de cursusbijeenkomsten, of wanneer je hen weer tegenkwam. Kaderleden bleken gemotiveerde cursisten, die de kans om te leren die zij van de bond kregen met beide handen aangrepen. Zij wisten waarom zij het deden en waren volop bereid zich in het onderwerp te verdiepen en erover te discussiëren. Mij gaven zij het gevoel van: ‘daar doe ik dit voor’. Hun voortgang was niet alleen voor deze mensen zelf van belang, maar ook voor wat zij voor de bond of elders in de maatschappij konden en wilden doen. Geschiedenis bespreken begint met vragen als ‘hoe zou dat gekomen zijn?’ en levert vaak inzichten op als ‘o, zit dat zo’ en ‘heeft dat daarmee te maken’. Geschiedenis biedt perspectief en legt bestaande verbanden bloot.

Ik hoop dat vakbewegingsgeschiedenis, voor zover het nog geen belangrijk onderdeel van de kaderopleiding in de huidige vakbeweging is, weer een vast en uitgebreid onderdeel wordt. Dat geschiedenis op school intussen weinig aandacht meer krijgt, ondersteunt deze wens en kaderscholing loont echt, zoals leermeester Ger Harmsen ons bijbracht.

Bob Reinalda

Zie ook Jeroen Sprenger, Ger Harmsen