Het geheugen van de vakbeweging

Paul de Beer op VHV-vriendenbijeenkomst 21 mei 2022

‘Vakbeweging: meer dan werk en inkomen, maar geen politieke partij’

“Breed of smal?” Een lastig onderwerp voor een wetenschapper. Er is vanuit de wetenschap geen goed of fout antwoord op die vraag. Er is namelijk geen empirisch onderzoek dat uitwijst of de vakbeweging breed of smal zou moeten zijn. Je zou het vraagstuk historisch kunnen bekijken, maar dat valt buiten het bestek van mijn verhaal.

Paul de Beer, een van de inleiders op 21 mei 2022

Toch heb ik de uitnodiging aangenomen, om hier mijn gedachten over te laten gaan. Dat zal een mengeling worden van enerzijds resultaten uit wetenschappelijk onderzoek, anderzijds mijn persoonlijke mening. Die persoonlijke mening is evenveel waard als de mening van ieder ander in de zaal. Toch hoop ik dat mijn meer empirische argumenten kunnen bijdragen aan een inhoudelijke discussie.

Allereerst: wat bedoelen we als we het hebben over een brede of smalle vakbeweging?
Je kunt het onderwerp benaderen vanuit de vraag of de doelgroep van de vakbeweging breed of smal is. Maar je kunt je ook afvragen of de aantallen en soorten onderwerpen waar de vakbeweging zich mee bezighoudt breed of smal zijn. Vandaag ga ik het vooral over deze tweede benadering hebben.

Brede of smalle doelgroep?

Toch enkele woorden over de doelgroep van de vakbeweging: breed of smal.
Een smalle doelgroep betekent dat je alleen de belangen van werknemers en van ex-werknemers, zoals gepensioneerden, behartigt. Een brede doelgroep betekent dat je je in principe inzet voor alle werkenden en ex-werkenden. Daar vallen ook zelfstandigen onder en anderen die niet in loondienst werken, zoals freelancers en platformwerkers. Historisch gezien is de vakbeweging vooral een organisatie van werknemers in loondienst.

Het is ook logisch dat de vakbeweging zich altijd richt op de arbeidsrelatie van mensen, dat wil zeggen de relatie tussen degene die werkt en degene die hem of haar aan het werk zet, meestal een werkgever.
Als er geen arbeidsrelatie is, ligt het niet erg voor de hand dat de vakbond een rol speelt. Concreet betekent dit: wél de belangen behartigen van bijvoorbeeld ZZP’ers die voornamelijk voor één bedrijf werken en in hoge mate vergelijkbaar zijn met een werknemer. Feitelijk gaat het dan om schijnzelfstandigen. Maar niet de belangen van echte zelfstandige ondernemers, die bijvoorbeeld direct aan klanten leveren, en dus niet slechts opdrachten uitvoeren van een bedrijf.
Deze keuze wijkt in een bepaald opzicht al af van de huidige situatie. Want hoewel de kunstenaars in de Kunstenbond zich inmiddels hebben afgescheiden van de FNV, waren die tot voor kort wel georganiseerd in FNV-verband. Vaak zijn dat mensen die zelf producten leveren aan afnemers. Er zijn meer van dit soort zelfstandigen die direct goederen of diensten leveren aan klanten en die mijns inziens niet bij een vakbond horen.
Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat zij zich niet zouden moeten organiseren om hun gezamenlijke belangen te behartigen. Maar de vakbond moet zich in zijn belangenbehartiging kunnen richten op een ’tegenpartij’, bijvoorbeeld een bedrijf dat direct de arbeidsvoorwaarden bepaalt van degene die voor dat bedrijf werkt.

Welke thema’s zijn ‘des vakbonds’?

In mijn verhaal gaat het vooral over het tweede vraagstuk: waar moet je je als vakbond mee bezig houden, welke thema’s wel en welke niet?
Daarin kun je onderscheid maken tussen een smalle en een brede interpretatie.
‘Smal’ betekent feitelijk dat een vakbond zich alleen bezighoudt met werk en inkomen, waarbij, we zullen het zien, ‘werk’ wel een breed begrip is. In principe gaat het dan alleen om zaken die direct te maken hebben met jouw relatie met de werkgever, de arbeidsrelatie.
‘Breed’ zou betekenen dat de vakbeweging zich met heel veel maatschappelijke vraagstukken bezighoudt die van belang zijn voor werkenden. Dan kan het ook gaan om huisvesting, om gezondheidszorg, om veiligheid, om vrede en veiligheid zelfs. Allemaal vraagstukken die ook werkenden aangaan.

Eigenlijk is er, als je het zo interpreteert, geen logische afbakening van onderwerpen waar de vakbeweging zich niet mee bezig zou kunnen houden, want ik kan me nauwelijks een onderwerp voorstellen waarvan je als werkende zegt ‘dat is voor mij niet van belang’.
Het gaat dan haast per definitie om vragen waar mensen mee te maken hebben als burger. Ze zijn wel van belang voor werknemers, maar dan in hun rol als burger of als consument of als cliënt.
Feitelijk zou het loslaten van die grens tussen belangen van werknemers en belangen van burgers, consumenten en cliënten er op neerkomen dat de vakbond zich zou gaan opstellen als een politieke partij. Want als er één soort organisatie is, die zich met alle belangen van alle mensen bezighoudt, dan zijn het wel de politieke partijen. Politieke partijen maken ook geen strikt onderscheid tussen de belangen van werknemers en van burgers in het algemeen.

Waarom zou de vakbeweging zich naar mijn overtuiging niet met alles moeten bezighouden? Want als bijvoorbeeld een goede woning essentieel is voor werknemers, dan is dit dus ook een werknemersbelang. Waarom zou een vakbond niet voor dat belang moeten opkomen, en wel voor het inkomen? Kijk naar de actualiteit: hoge inflatie en dure woningen, waardoor werknemers met hun loon minder kunnen doen. Je kunt je als vakbond wel beperken tot het eisen van een hoger loon, maar misschien is het wel effectiever om te pleiten dat de huren minder omhooggaan en woningen niet zo duur zijn? Dan kun je met minder loonstijging toch het welzijn van werknemers verhogen. Daar is op zichzelf best wat voor te zeggen.

Een politiek zeer diverse vakbondsachterban

Toch moet je je afvragen of de vakbeweging zo breed moet opereren. Want de mening van de bevolking over dat soort vraagstukken loopt sterk uiteen. Daarom hebben we ook zoveel politieke partijen; mensen willen via hun stem op een bepaalde politieke partij die verschillen in opvatting tot uitdrukking brengen.
De variatie aan vakbonden in Nederland is veel kleiner. De FNV, goed voor ongeveer twee derde van alle vakbondsleden, vertegenwoordigt burgers met zeer uiteenlopende politieke opvattingen.

Ik zal, op basis van eigen onderzoek van het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies-Hugo Sinzheimer Instituut (AIAS-HSI), gesubsidieerd door de Goldschmeding Foundation, een beeld schetsen van de opvattingen van vakbondsleden.
Alle cijfers zijn gebaseerd op de Waarde van Werk Monitor, een enquête die we iedere twee jaar houden onder de Nederlandse bevolking, voor het laatst in 2021.
In 2019 – helaas niet in 2021 – hebben we mensen ook gevraagd of ze lid zijn van een vakbond, en hoe ze zichzelf plaatsen op het politieke spectrum van zeer rechts tot zeer links (Figuur 1). We zien dat vakbondsleden zichzelf iets meer aan de linkerzijde plaatsen dan niet-vakbondsleden, maar niettemin vindt minder dan de helft van de vakbondsleden zichzelf ‘links’, en één op de drie zegt dat men rechts of zeer rechts is.
Op grond hiervan mag je aannemen dat er binnen de vakbeweging grote verschillen van opvatting zijn over allerlei maatschappelijke kwesties. Het zou interessant zijn te weten of hier verschillen zijn tussen FNV en CNV, maar helaas hebben we niet gevraagd van welke vakbond men lid is.

Mijn hypothese is dat de politieke spreiding van FNV-leden redelijk overeenkomt met die van alle vakbondsleden – simpelweg omdat de FNV het merendeel van de vakbondsleden heeft. Het zou me niet verbazen als de CNV-achterban wat minder spreiding kent en meer in het midden is geconcentreerd. Niettemin zullen ook daar de politieke meningen uiteenlopen.
Het betekent simpelweg dat wanneer een vakbond uitgesproken politieke standpunten gaat innemen, hij er serieus rekening mee moet houden, dat een flink deel van de achterban zich daar niet in kan vinden.

Zolang we in Nederland een vrij geconcentreerde vakbeweging hebben, en niet allerlei kleine vakbondjes met uiteenlopende politieke opvattingen, denk ik dat het, zeker voor een grote vakbond als de FNV, onverstandig zou zijn om uitdrukkelijk politieke standpunten in te nemen, want dan is er een grote kans dat je een flink deel van je achterban van je vervreemdt.

Die grote verschillen in opvatting bij de achterban blijken ook bij concrete thema’s, zelfs als die redelijk dicht of zelfs op het werkterrein van de vakbeweging liggen. Ik presenteer ter illustratie de opvattingen over drie thema’s: invoering van een basisinkomen, een hogere bijstandsuitkering en een langere uitkering bij werkloosheid
(Figuur 2).
Twee dingen vallen op: de verschillen tussen vakbondsleden en niet-vakbondsleden zijn niet erg groot, maar vooral: de opvattingen onder vakbondsleden zijn enorm verdeeld.

Bij het basisinkomen zijn er iets meer voor- dan tegenstanders, bij een hogere bijstandsuitkering juist iets meer tegenstanders, en bij een langere duur van de werkloosheidsuitkering weer net iets meer voorstanders dan tegenstanders.
Maar er is geen duidelijke meerderheid onder vakbondsleden voor het een boven het ander. Zelfs op het terrein van sociale zekerheid moet je je afvragen of je als vakbond nadrukkelijk positie wil kiezen als je achterban daar heel verschillend over denkt.

Ik zou er daarom zelf voor willen pleiten dat de vakbond zich vooral bezighoudt met vraagstukken die direct te maken hebben met de positie van mensen als werknemers. Dus niet in hun rol als burger, consument of cliënt.

Loon en werkzekerheid niet bepalend voor tevredenheid met het werk

Toch leidt dit niet onvermijdelijk tot een pleidooi voor een smalle vakbeweging. De belangen van mensen als werknemers beperken zich namelijk niet tot de directe belangen van werkzekerheid en inkomen. Mensen vinden werk en inkomen belangrijk, maar niet alleen om de redenen die wij vaak veronderstellen. Meestal is het eerste wat je hoort, ook in de media, als er een nieuwe cao is afgesloten, hoe sterk de lonen stijgen. Alsof dat het belangrijkste is dat in cao-onderhandelingen besproken wordt.

Toch weten we dat het loon slechts een zeer beperkte invloed heeft op de tevredenheid van mensen met hun werk. Op basis van de Waarde van Werk Monitor ben ik nagegaan hoe groot het effect is van de verschillende aspecten van het werk op de tevredenheid met het werk, en op tevredenheid met het leven in het algemeen (Figuur 3).
Ik maak hierbij allereerst onderscheid tussen de extrinsieke en de intrinsieke aspecten van het werk. De extrinsieke aspecten betreffen de opbrengst van het werk in termen van loon en werkzekerheid. De intrinsieke aspecten hebben betrekking op het werk zelf. Daaronder vallen de vraag of je inhoudelijk leuk werk hebt, of je ruimte hebt voor initiatief, of je zelf kunt beslissen hoe je je werk uitvoert, of er ontwikkel- en carrièremogelijkheden zijn, of je prettige collega’s hebt, en of je werk hebt waar je trots op bent.
Wat blijkt? Die intrinsieke aspecten hebben een veel grotere invloed op de tevredenheid met het werk en met het leven in het algemeen dan de extrinsieke aspecten. Ook belangrijker voor je tevredenheid dan de extrinsieke aspecten is of het werk ‘ontspannen’ is, in de zin dat je niet te veel druk of spanningen op het werk ervaart, een goede vakantieregelingen en veel vrijde dagen hebt en gunstige werktijden.

Verder heeft ook nog de vraag of je ‘nuttig werk’ hebt een bescheiden invloed op de tevredenheid, dat wil zeggen dat je in je werk anderen kunt helpen, of een bijdrage levert aan het oplossen van maatschappelijke problemen, dan wel werk doet waar mensen in het algemeen waardering voor hebben.

 

De belangrijkste boodschap is, dat de invloed van goed loon en werkzekerheid op tevredenheid met het werk en met het leven in het algemeen, heel klein is in vergelijking met de andere aspecten van het werk. En dus heeft de vakbond alle reden om zich niet eenzijdig te richten op inkomen en zekerheid, maar vooral op andere aspecten van werk.

Onevenredig veel vakbondsaandacht voor inkomen en werkzekerheid

Natuurlijk besteedt de vakbeweging ook aandacht aan die andere aspecten, maar toch is mijn indruk dat in het algemeen extrinsieke aspecten – inkomen en werkzekerheid – in cao-onderhandelingen onevenredig veel aandacht krijgen in verhouding tot de andere aspecten.
Ik erken overigens dat het bij die andere, intrinsieke, aspecten niet altijd even makkelijk is om harde afspraken te maken. Loonstijging kun je vastleggen en controleren op realisatie. Bij de andere aspecten is dat vaak lastiger.
Niettemin, als werknemers die andere aspecten zo belangrijk vinden, moet je dan eindeloos proberen hogere loonstijgingen te realiseren, of kun je je energie beter in andere zaken sterken? Voor die vraag is des te meer reden als je je realiseert dat de cao-loonstijgingen over de afgelopen 45 jaar gemiddeld genomen gelijk waren aan de inflatie. Feitelijk hebben de vakbonden in een kleine halve eeuw dus niet meer voor elkaar gekregen dan inflatiecorrectie. Als begin jaren tachtig de automatische prijscompensatie niet was opgegeven, zou dus ongeveer dezelfde loonontwikkeling zijn gerealiseerd zonder dat er over de lonen onderhandeld had hoeven te worden! Dan hadden vakbonden dus alle energie kunnen steken in die andere zaken die mensen veel belangrijker vinden.

Dit gaat allemaal wel pas op – denk aan de piramide van Maslow – als je voldoende verdient om van rond te komen, en een voldoende mate van bestaanszekerheid hebt. Als mensen slecht scoren op extrinsieke aspecten als loon en werkzekerheid, dan zijn ze wel degelijk ontevreden over hun werk. Een zekere basis om rond te komen is dus wel essentieel. In dit licht is het ook zeker niet verkeerd dat de vakbeweging pleit voor een hoger minimumloon. Maar ook bij een goede score op extrinsieke aspecten en een slechte score op de intrinsieke aspecten, zijn mensen uiteindelijk heel ontevreden.

Wellicht zou de aandacht van de vakbeweging nog verder moeten gaan dan die intrinsieke aspecten van werk, en zich ook moeten richten op de plaats die werk en inkomen in ons leven innemen. Er blijkt namelijk brede steun te zijn voor een andere manier van leven.

We hebben een aantal mogelijke veranderingen aan mensen voorgelegd (Figuur 4 geeft de opvattingen over twee daarvan, maar we hebben meer veranderingen voorgelegd). Bovenaan staat dan: minder nadruk op geld en bezit. Dat zou meer dan twee derde van de niet vakbondsleden en zelfs 72% van de vakbondsleden een verbetering vinden.


 

Wat dat concreet betekent is iets om over na te denken, maar in het licht van het voorgaande wel begrijpelijk. Heel veel mensen vinden blijkbaar dat meer geld en bezit niet het belangrijkste is om hun leven beter te maken. Tegelijkertijd wil slechts een minderheid van de vakbondsleden dat de betekenis van betaald werk in ons leven minder wordt. De meesten vinden betaald werk wel belangrijk, maar vooral om andere redenen dan het inkomen. Dat zou de vakbonden tot nadenken moeten stemmen waar zij zich het meeste op zouden moeten richten.

Pleidooi voor kritische maatschappijanalyse en hervormingsagenda

Afsluitend nog een, misschien meer omstreden kwestie.
Historisch gezien heeft de vakbeweging en zeker de socialistische arbeidersbeweging zich altijd beziggehouden met het vraagstuk van de economische ordening. Oorspronkelijk was er een sterke stroom in de arbeidersbeweging die streefde naar een ingrijpende hervorming, zo niet een revolutie. Daardoor zou de bestaande economische ordening het veld ruimen voor een heel ander economisch stelsel. Dat streven heeft de vakbeweging langzaam maar zeker verlaten, met een laatste opflakkering in de jaren ’70. Na die tijd heb ik weinig meer vernomen van een echt fundamentele discussie over de economische ordening.

Toch hebben heel veel problemen waar werkenden vandaag mee te maken hebben, zoals slechte arbeidsomstandigheden, grote inkomensverschillen, het verschijnsel werkende armen, gebrek aan medezeggenschap, te maken hebben met ons kapitalistische systeem van economische ordening.

Ook al kan ik dit niet onderbouwen met cijfers over de opvatting van vakbondsleden, mijn persoonlijke overtuiging is dat het hoog tijd is dat de vakbeweging zich weer over dit soort vraagstukken buigt. Ik denk dat het belangrijk is om als vakbeweging, samen met andere progressieve organisaties, een kritische analyse van het hedendaagse kapitalisme uit te voeren, en vooral ook na te denken over mogelijke alternatieven. Vervolgens moet je, als er uit zo’n analyse een hervormingsagenda voortkomt, wel zorgen dat je daar de meerderheid van je leden van overtuigt.

Geen politieke partij worden, maar wel aan de slag met vraagstukken die verder gaan dan alleen maar werk- en inkomenszekerheid…dat is een mooie opdracht voor de vakbeweging van de toekomst.

Paul de Beer (red. Jan Verhagen)
juni 2022

Klik hier voor de pdf-versie van dit artikel

Over Paul de Beer:

Bovenstaande tekst is een redactioneel bewerkte versie van zijn inleiding op de VHV-vriendenbijeenkomst op zaterdag 21 mei 2022.