Het geheugen van de vakbeweging

Tini van der Heiden – Bakker: … “Tini, zeg jij het maar”…

 

Leidster VKAJ en KWJ, van 1956 tot 1966

Tini van der Heiden – Bakker

 Tini Bakker werd op 10 januari 1938 geboren in Langedijk in de kop van Noord-Holland. Zij was van 1956 tot in 1959 plaatselijk leidster van de afdeling Langedijk van de Vrouwelijke Katholieke Arbeiders Jeugd (VKAJ) en van 1957 – 1959 tevens voorzitter van het district Alkmaar. Dat deed ze als onbezoldigd kaderlid. In 1959 werd zij aangesteld als diocesaan leidster, een betaalde functie die ze bekleedde tot 1961. Officieel was ze in dienst van de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB), in het bisdom Haarlem.

Tini volgde in 1961 Bep Heystee op als landelijk voorzitter van de VKAJ en toen was haar werkplek in Utrecht. Vanaf de fusie met de Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ), die alleen voor jongens was, en de omvorming tot de Katholieke Werkende Jongeren (KWJ), was zij van 1965 tot haar huwelijk in 1966, vicevoorzitter van de KWJ. In die functie werd ze opgevolgd door Lies van Rijn.
Tini was niet op haar mondje gevallen en organiseren ging haar al jong goed af. Zij werkte onafgebroken en gedreven mee aan de opbouw en uitbreiding van het vakbondswerk voor meisjes en jonge vrouwen binnen de KAB. Over het onderscheid dat werd gemaakt tussen jongens en meisjes en de daaruit voortvloeiende ongelijke kansen, ook binnen de KAB, kan ze zich nog steeds boos maken. Een terugblik op een bijzondere periode in het vakbondswerk.

Meisje neemt een eigen afslag

Het lag niet voor de hand dat Tini lid en leidster zou worden van de VKAJ. Zij ging, in haar jeugd ongebruikelijk, in aansluiting op de lagere school naar de MULO (meer uitgebreid lager onderwijs) in Alkmaar. Uit haar klas gingen maar twee meisjes naar de MULO, de meeste klasgenootjes gingen naar het VGLO (voortgezet lager onderwijs) en daarna aan het werk in de huishouding. Voor die meisjes kwam de omslag toen ook de omgeving van Alkmaar geïndustrialiseerd raakte en de meisjes massaal overstapten naar de fabriek. Daar konden ze veel meer verdienen, met als nadeel dat de meisjes stukloon kregen. Daardoor letten ze erg op elkaar en gingen elkaar soms letterlijk te lijf als er een te lang op de WC zat, omdat de opbrengst van hun productielijn dan in gevaar kwam.

Tini doorliep de vierjarige MULO-opleiding in drie jaar zodat ze op haar 15e haar diploma had. In 1953 ging zij als polis-typiste aan het werk bij de kleine coöperatieve verzekeringsmaatschappij de Noordhollandsche van 1816. Haar ouders hadden een tuinbouwbedrijf en ook al ging Tini op kantoor werken, in haar vrije tijd ging ze met haar vader mee naar het land. Voor wat extra inkomen haalden ze per schuit bonen of uien bij de plaatselijke conservenfabriek, maakten met het hele gezin de groenten  schoon en brachten de kratten over het water weer terug.

Een oudere broer van Tini was actief lid van de KAJ. Hij wees haar op de komst van Leida van Groenestein, diocesaan leidster van de VKAJ in het bisdom Haarlem, die een bijeenkomst voor katholieke werkende meisjes belegd had. Op die eerste bijeenkomst in Alkmaar antwoordde Leida op de vraag van Tini of ze naar haar dorp wilde komen: “Als jij zorgt dat je een groepje meisjes bij elkaar hebt, kom ik”. Dat lukte en vanaf die avond kwam zo’n tiental meisjes bij elkaar in een zogenoemde pioniersgroep en werd Tini leidster van de afdeling Langedijk. In zo’n groep bespraken ze volgens de methode van de KAJ, ‘Zien, Oordelen en Handelen’ , hun situatie en die van hun leeftijdgenoten. Zo kwam Tini bij de VKAJ terecht. Als kind uit een groot gezin was zij niet bang haar mond open te doen. “Tini, zeg jij het maar” kreeg ze vaak te horen. Wat regelmatig leidde tot standjes dat ze te brutaal was. Ze was al heel jong betrokken bij de meisjesvereniging van haar parochie, waar ze meedeed aan de voorbereiding en uitvoering van allerlei activiteiten. Samen met de jongens van de KAJ huurden ze de bioscoop af en draaiden zelf films.

Carrière in de katholieke arbeidersjeugdbeweging

Tini Bakker – … vanaf het begin van haar VKAJ-loopbaan in 1956 werden de grote maatschappelijke ontwikkelingen op de voet gevolgd…

Op haar negentiende werd Tini districtsleidster en twee jaar later werd ze gevraagd in dienst te komen als vrijgesteld leidster in het bisdom Haarlem/Rotterdam. Een kans die ze met beide handen aannam ofschoon haar vader daar moeite mee had. In die tijd bestonden er nog grote standsverschillen tussen (kleine) zelfstandigen en arbeiders.

Vanaf het begin van haar VKAJ-loopbaan in 1956 werden de grote maatschappelijke ontwikkelingen op de voet gevolgd. In dat jaar vond in Hongarije de opstand plaats tegen het communistische systeem, die door een Russische inval bruut werd neergeslagen. Ook Nederland ontving Hongaarse vluchtelingen die een warm welkom kregen. In dat jaar waren werkende jongeren ook druk bezig met de organisatie van de Rome Kruistocht in 1957, waar onder meer een audiëntie bij de paus op het programma stond. Daarvoor liep een plaatselijke spaaractie, van blikjes werden spaarpotten gemaakt en zo gingen in 1957 uit heel Europa zo’n 30.000 werkende jongeren naar Rome. De reis naar Rome kostte 175 gulden, dat was voor de meisjes in die jaren een fors bedrag. Toch lukte het de afdeling ook nog geld te sparen om een Hongaarse jongen mee te kunnen nemen. Ze vertrokken met de trein, verspreid over een rode, een groene en een gele wagon, net in de periode dat er een nieuwe griepepidemie was uitgebroken en een hele wagon ziek werd.

De districtsleidsters kregen een gedegen opleiding in de scholingsinstituten van de KAB in Huize Bergen in Vught, in Boxtel en in kasteel Bouvigne in Breda. De vrijgestelde leidsters (beroepskrachten) kregen bovendien een beroepsopleiding tijdens de maandelijkse studiedag(en) in Vijverduin, Bloemendaal. De leidsters konden ook deelnemen aan cursussen voor de aankomend vakbondsbestuurders in het A.C. de Bruijninstituut, het scholingsinstituut van de KAB.

Vijf jaar na de oprichting van de VKAJ in het bisdom Haarlem/Rotterdam vertrok diocesaan leidster Leida van Groenestein en zij werd opgevolgd door Thea Mathot. Vanwege haar organisatietalent was Tini opgevallen en bij de splitsing van het uitgestrekte bisdom Haarlem/Rotterdam, dat reikte tot en met Zeeland, werd Tini diocesaan leidster in Haarlem. Samen met Thea Mathot die in Rotterdam zat, organiseerde ze maandelijkse cursussen voor afdelingsbesturen, die ze zelf ontwikkelden en uitvoerden, of ze schakelden daarvoor externe deskundigen in. Dat kregen ze voor elkaar met subsidie van de KAB, maar vooral met subsidie van de landelijke overheid die in zijn “vergeten” achterban wilde investeren.

Veel aandacht was er voor de oprichting van nieuwe afdelingen en daarvoor zocht Tini contact met de kapelaan van een parochie. Om de vaak afgelegen plaatsen te bereiken moest ze soms met een bus die maar eenmaal per twee uur reed. Ze herinnert zich een situatie dat ze na een kwartier haar verhaal verteld had en zonder enige verfrissing weer buiten stond, waar ze noodgedwongen in de kou, wachtend op de bus, anderhalf uur heen en weer liep. Het gebeurde ook wel eens dat ze een bijeenkomst met districtsaalmoezeniers (priesters die binnen een parochie werkten) bezocht, en waar de heren geestelijken voor het middagmaal aan tafel gingen in de kamer, kon Tini eten in de keuken.

Aan de top

VKAJ-leden met geestelijk adviseur: …ze riepen elkaar toe: “O, hij is net Pat Boone!” en gedroegen zich soms uitdagend. Maar dat is natuurlijk geen reden voor ongewenste aanrakingen of erger….

In 1961 werd Tini landelijk voorzitter van de VKAJ. In die functie zat ze ook in het bestuur van de KAB en zat ze aan tafel met katholieke vakbondsbestuurders als Jan Mertens en Ferrie en Wim Spit.
De organisatie van de Europa Rally uit 1963 was een hoogtepunt. Dit was een breed opgezette Europese manifestatie die eindigde in Straatsburg. Uit veel Europese landen bezochten groepen katholieke arbeidersjongeren een afdeling in een ander land om vervolgens naar Straatsburg af te reizen. In Straatsburg werden allerlei workshops georganiseerd over onder meer arbeidsvoorwaarden en vrije tijd. Daarvoor stelde de gemeente Straatsburg scholen in de stad beschikbaar.

De financiering

De contributie werd zo laag mogelijk gehouden, maar dat leverde niet genoeg op om de VKAJ op te laten draaien. De belangrijkste bron van inkomsten bestond uit rijkssubsidie, naast een bijdrage van de KAB. Omdat niet veel meisjes ook nog lid waren van een vakbond, was die KAB-bijdrage aanmerkelijk lager dan bij de KAJ. In haar tijd als landelijk voorzitter was een belangrijk speerpunt de actie “KAJ Wereldwijd” om de solidariteit met jongeren uit de Derde Wereld te bevorderen. Jonge mannen vertrokken onder andere als bouwvakker en meisjes als verpleegkundige of gezinsverzorgster, voor drie jaar, naar een ontwikkelingsland om leeftijdgenoten een vak te leren. De benodigde centen werden opgebracht met een uurloonactie “Geef je persoon of een uur van je loon”. De (V)KAJ deed ook een beroep op subsidie van het ministerie van ontwikkelingssamenwerking. Dat ministerie was in navolging van het Amerikaanse Peacecorps gestart met de bekostiging van het Nederlandse Vredescorps. Hierbij werd nauw samengewerkt met de Witte Paters.

In antwoord op hun subsidieaanvraag werden VKAJ en KAJ uitgenodigd voor een gesprek met de toenmalige minister Udink. De jongens voerden met grote vanzelfsprekendheid het woord, maar Udink vroeg uitdrukkelijk: “Mevrouw, ik wil ook uw mening horen.” Tini kan daar nog steeds wel om lachen.

De succesformule van de beginperiode

De VKAJ organiseerde maandelijks gespreksgroepen, soms met deelname van de kapelaans. In die tijd waren dit jonge priesters, rond de vierentwintig jaar en, na twaalf jaar in het seminarie – zes jaar gymnasium en zes jaar theologiestudie – redelijk wereldvreemd. In hun parochie waren zij verantwoordelijk voor het jongerenwerk, ofschoon ze geen idee hadden van de toenmalige jongerencultuur en nooit eerder waren ze met meisjes alleen geweest. Het was binnen de VKAJ bekend dat sommige van deze jonge mannen wel eens handtastelijk waren. Omgekeerd erkent Tini dat veel jonge meisjes verliefd waren op een knappe kapelaan in hun dorp. Ze riepen elkaar toe: “O, hij is net Pat Boone!” en gedroegen zich soms uitdagend. Maar dat is natuurlijk geen reden voor ongewenste aanrakingen of erger.

Jonge meisjes kregen ook een schoolverlaterskamp aangeboden in de vorm van een meerdaags kamp als zij op hun 15e van het VGLO of de MULO kwamen. Daar was toestemming van de ouders voor nodig en Tini herinnert zich dat zij op haar 19e op een ouderavond stond om te vertellen over het belang van het schoolverlaterskamp. Dat kamp duurde een volle week en er werd lang voor gespaard. Het programma bevatte activiteiten die de meisjes voorbereidden op het leven dat komen ging en werd, afhankelijk van het onderwerp, begeleid door extern deskundigen of eigen sprekers.

De VKAJ-formule raakt uitgewerkt

De levensvisie van Tini en haar tijdgenoten was gebaseerd op menselijke waardigheid, ze werden bij hun werk gedreven door de gedachte dat het werk in de fabrieken door God niet zo bedoeld was, gegeven de slechte werkomstandigheden, de lage lonen enzovoort. Door de snelle opkomst van de nieuwe jongerencultuur raakte de serieuze insteek op scholing en training in het begin van de jaren 1960 uitgewerkt. Meisjes gingen langer naar school en volgden beroepsonderwijs, bovendien waren ze niet meer zo braaf en ernstig. Jongens en meisjes ontmoetten elkaar in het open jeugd- en jongerenwerk dat steeds meer won aan populariteit.

De meisjes fuseren met de jongens

Dus werd er naarstig gezocht en eindeloos vergaderd hoe het tij te keren. Een gemengde beweging voor werkende jongeren leek de oplossing. In 1965 was de fusie tussen KAJ en VKAJ een feit. Tini begrijpt achteraf niet meer dat zij zelf zo’n grote voorstander was van de fusie want voor de VKAJ betekende dit in emancipatoir opzicht een flinke stap terug. In veel gevallen ging de leiding naar de jongens, zelf werd Tini Bakker landelijk vicevoorzitter. De leiders hielden hun privileges zoals een pensioenregeling, een auto en dergelijke. Dat gold niet voor de leidsters, die moesten blijven fietsen en reizen met het openbaar vervoer. Mannelijke leiders kregen de mogelijkheid een studie te volgen “voor later” en dikwijls stroomden zij door naar een functie als vakbondsbestuurder. Dat was een groot verschil met collega’s van de VKAJ waar tegen de leidsters werd gezegd: “Jij gaat toch trouwen.”

Altijd actief gebleven

Tini verliet de KWJ toen zij in het huwelijksbootje stapte maar zij stortte zich al gauw in het vrijwilligerswerk. Zij kan een indrukwekkende lijst van bestuurlijke activiteiten opsommen: voorzitter van het plaatselijke jeugd- en jongerenwerk, voorzitter van het bestuur van een thuiszorgorganisatie, lid van de Onderwijsraad en van de KRO programma-adviesraad, lid van het parochiebestuur, vrijwilliger in de Wereldwinkel. Vooral toen beide zoons naar de middelbare school gingen.

Veel mensen hebben geen idee wat vrijwilligerswerk inhoudt, merkt Tini op. Inmiddels is zij 82 jaar en nog steeds is zij actief in het ouderenwerk van het buurthuis. In 2018  liep het landelijk project “Verrijk je buurt”, dus ging Tini naar een voorzittersbijeenkomst en diende een aanvraag in. Ze had twaalf mensen om zich heen verzameld en ze organiseerden een burendag. De bouwvereniging stelde gratis een grote partytent beschikbaar, overal werd korting gegeven en het was een groot succes.

Een heel leven in dienst van de medemens, dat is Tini Van der Heiden-Bakker ten voeten uit.

Els Brouns

november 2020

Zie ook