Via medezeggenschap kunnen werknemers invloed uitoefenen op het beleid en de gang van zaken in de onderneming waar zij werkzaam zijn. De geschiedenis van de medezeggenschap begint met het inzetten van de industrialisatie in Nederland vanaf ongeveer 1860, 1870. Arbeiders richten verenigingen op ter bescherming van hun vak, verbetering van hun vakbekwaamheid en fondsen om zich te verzekeren tegen de gevolgen van ziekte en ongevallen op het werk.
Meine Pit, eerste directeur van het GBIO
Deze eerste vakbondsmensen kunnen we sociale pioniers noemen die opkomen op voor lonen om van te kunnen rondkomen, lange arbeidsdagen willen terugbrengen en mensonwaardige arbeid opheffen. Verlichte ondernemers zoals Van Marken en Stork zien het nut in van kernen of fabrieksraden. Door met een vertegenwoordiging van het personeel te praten willen deze fabrikanten er achter komen wat er bij het personeel leeft en daar bij de bedrijfsvoering rekening mee houden. Aanvankelijk door werkgevers ingesteld worden daarna steeds meer kernen bij cao overeengekomen.
In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw kunnen arbeiders de eerste vakantiedagen dagen doorbrengen in en studeren op de oorden van de vakorganisaties, de Woodbrookers en de Volkshogescholen. Deze locaties dienen vanaf midden jaren zeventig als onderkomen voor de trainingen van ondernemingsraden. Vanaf 1950 is de eerste Wet op de ondernemingsraden van toepassing. Met de wetswijziging van 1979 komt er daadwerkelijk enige invloed voor de ondernemingsraad. De directeur verdwijnt uit de ondernemingsraad, de raad krijgt advies- en instemmingsrechten en kan zich zo nodig tot de rechter wenden.
De WOR van 1979 was voorafgegaan door de oprichting van het Gemeenschappelijk BegeleidingsInstituut Ondernemingsraden in 1975. Met de verplichte premieheffing voor ondernemingen ten behoeve van scholing voor or-en, onderzoek, begeleiding, kwaliteitsbewaking, aansturing van de opleidingsinstituten, enz. is het GBIO een begrip geworden in de wereld van de medezeggenschap. Wanneer een OR op training ging werd door dit systeem een deel van de cursuskosten door het GBIO vergoed. Voorts zat er een verdeelsleutel in waardoor grotere bedrijven wat mee betaalden voor de kleinere. De opeenvolgende directeuren, Meine Pit, Gerben Bruinsma, Jan Cremers en Bruno van Rijsingen hebben bijgestaan door hun staf elk verschillende accenten in beleidsvoering en aanpak gelegd. Ze sloten daarbij goed aan op de behoeften en ideeën uit het veld. Er was kortom innovatie wanneer de wens en de noodzaak zich daarvoor aandiende. Het GBIO heeft deze tak van de opleidingsmarkt op een hoog professioneel niveau gebracht. Een jaar of acht geleden probeerde minister Aart Jan de Geus via het wetsontwerp Wet Medezeggenschap Werknemers de positie van de ondernemingsraad te verzwakken. De tegenkrachten waren toen nog te groot. De volgende slag hebben de werkgevers gewonnen. De bestuursleden uit werkgeverskring in het GBIO verzetten zich tegen voortzetting ervan zodat dit centrum van medezeggenschap is opgeheven met ingang van 1 januari 2013. Aangevoerde reden: “het moet maar eens afgelopen zijn met het rondpompen van geld”. Hoe serieus moeten we dat argument nemen? Dan kunnen we de belastingdienst of het ministerie van Financiën ook wel opheffen. Als er al een discussie over de status van het GBIO had moeten plaatsvinden, had die moeten gaan over de kwaliteit en betekenis van ondernemingsraden. De mensen uit de praktijk onderschrijven het nut ervan, allerlei onderzoeken en proefschriften bevestigen het nog eens. Cijfers bewijzen de betekenis van het GBIO. In 1976 waren er 7922 deelnemers voor een OR-cursus, in 2011 waren het er 80.000. Het aantal cursusdagen liep op van 2415 in 1976 tot bijna 19.000 in 2002. Door de crisis is dat teruggelopen tot 16.000. Anno 2012 vond 98% van de OR-scholing in Nederland plaats met GBIO-financiering. Zoals wel met meer liberaliseringsmaatregelen zal men later wel met verbazing en spijt terugkijken op deze kortzichtige maatregel. Om te beginnen is het overzicht weg. Er is een versplintering van activiteiten. De SER-commissie Bevordering Medezeggenschap neemt wat over. Er zijn allerlei initiatieven vanuit het werkveld zoals certificering van trainers en opleidingsinstituten, enz. In plaats van het opheffen van het GBIO had het juist een impuls moeten krijgen om opleidingsinstituten en ondernemingsraden toe te rusten de economische crisis tegemoet te treden. De werkgeversorganisaties kunnen zich beter druk maken om de aangesloten leden die te laks zijn om de Wet OR na te leven en weigeren een ondernemingsraad op te richten. Waarom rust daar geen sanctie op? Het gaat om een kwart van de OR-plichtige ondernemingen. Je mag aannemen dat juist daar een ondernemingsraad het hardst nodig is. Het lijkt me een onderwerp voor vakbondsbestuurders om zich ondersteund door kaderleden uit bedrijven sterk voor te maken bij cao-onderhandelingen.
Harry Peer
Maart 2013