Het geheugen van de vakbeweging

Jacques van Gerwen- … actief met bedrijfsarchieven, met bedrijfshistorisch onderzoek, met aankoop van antiquarische boeken en archivalia en publicaties…


Jacques van Gerwen neemt afscheid van IISG-NEHA

Meer dan 30 jaar ‘spin in het web’ van economisch-historisch onderzoek

Het proefschrift van Jacques van Gerwen, De Centrale centraal…

Jacques van Gerwen (1956) studeerde sociaaleconomische geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, en promoveerde in 1993 op De Centrale centraal. Geschiedenis van de Centrale Arbeiders- Verzekerings- en Depositobank, opgericht in 1904 tot aan de fusie in de Reaal Groep in 1990 (IISG/NEHA, 1993), een geschiedenis van de verzekeringsmaatschappij die de oprichting van het IISG mogelijk maakt. In 1985 trad hij in dienst als conservator bij het Nederlandsch Economisch Historisch Archief (NEHA).

“Elftalfoto” van het NEHA. Jacques van Gerwen uiterst links, Eric Fischer (met stropdas) als “coach”

De samenwerking tussen de NEHA en het IISG werd vergemakkelijkt doordat beide instituten (net als in de tijd van Posthumus) sinds 1985 dezelfde directeur hadden. Jacques was een van de elf NEHA-medewerkers (foto) die in 1989, onder leiding van Eric Fischer, met het NEHA verhuisde van de oorspronkelijke locatie aan de Herengracht 218-220 om een pand te delen met het IISG aan de Cruquiusweg. Met zijn pensionering is hij de laatste van de oorspronkelijke NEHA-medewerkers die de Cruquisweg verlaat. Een goede reden voor een interview om terug en vooruit te blikken op de toekomst van het NEHA en de economische geschiedeniscollecties en het onderzoek van IISG/NEHA.

Wat voor plek was het NEHA toen jij daar in augustus 1985 begon, en hoe was het om in 1989 van het historische pand aan de Herengracht, als deel van een relatief kleine staf, met het NEHA naar het oostelijk havengebied te verhuizen? 

Studiezaal in de Economisch-Historische Bibliotheek

Eigenlijk had vrijwel niemand het midden jaren ’80 over het NEHA, maar over de EHB, de Economisch-Historische Bibliotheek, gevestigd aan de Herengracht 218-220. Het waren twee statige grachtenpanden, die in de jaren ’30 door de gemeente Amsterdam waren aangekocht en voor de EHB als bibliotheek waren ingericht met veel marmer, koperwerk en op maat gemaakte houten kasten. Het was er kleinschalig en gemoedelijk. De kleine staf gebruikte met gasten gezamenlijk ’s ochtends koffie, de lunch en ’s middags thee, een ritueel dat ik mezelf nog herinner uit mijn studietijd. De twee panden waren van de kelder tot de nok toe gevuld met de rijke, vanaf 1914 opgebouwde collecties. Wanneer ik er na 6 uur bleef doorwerken hoorde ik aan het piepen en kraken hoe het gebouw gebukt ging onder de gewichtige hoeveelheid papieren materiaal dat er was opgeslagen.

… geen groter contrast was denkbaar toen we in 1989 naar het gelikte pand in Amsterdam Oost verhuisden, modern, ruim, met veel betere studiezaalfaciliteiten…

Geen groter contrast was denkbaar toen we in 1989 naar het gelikte pand in Amsterdam Oost verhuisden: modern, ruim, met veel betere studiezaalfaciliteiten, een veel professioneler beheer van de collecties, met name voor de meer kwetsbare historische collectie-onderdelen. Het nieuwe gebouw en de vele nieuwe collega’s werkten heel verfrissend en inspirerend voor de NEHA staff, die in het gebouw een eigen hoekje had bestaande uit twee kamers, op loopafstand van de kamer van Eric Fischer. Zo bleven de lijntjes letterlijk en figuurlijk kort.

Wat zie je als de grootste voordelen van de samenvoeging van NEHA en IISG, en wat is er tegelijkertijd verloren gegaan?

Eric Fischer heeft als directeur de nadruk meer van de EHB naar het NEHA als economisch-historisch archief en onderzoeksinstituut verschoven. De verhuizing was ook aanleiding om serieus werk te maken van een betere ontsluiting van de omvangrijke bijzondere collecties (manuscripten en archivalia). Een belangrijke rol hierin was weg gelegd voor met name Jan Lucassen en diens studenten. We gingen weer actief aan de slag met bedrijfsarchieven (actieve en passieve registratie van bedrijfsarchieven uitmondend in de BARN-reeks), er werd een begin gemaakt met bedrijfshistorisch onderzoek in opdracht (een tot dan toe niet-gerealiseerde wens), er kwam een veel ruimer budget voor de aankoop van antiquarische boeken en archivalia, en er werden allerlei publicatie activiteiten ontwikkeld. De nieuwe werkplek in Oost paste perfect bij deze dynamiek.

Eric Fischer heeft met het samen voegen van de collecties van het NEHA en het IISG in een soort historische schaarbeweging weer bij elkaar gebracht wat N.W. Posthumus door specifieke omstandigheden in de jaren ’30 gedwongen was te scheiden. Ten tijde van de verhuizing prikkelde en stimuleerde hij NEHA-medewerkers door ze voor te houden dat ze bij het IISG sommige zaken veel efficiënter deden, en van IISG-collega’s hoorde ik het omgekeerde over het NEHA. Beide collecties hebben elk hun eigen rijke intrinsieke waarde maar zijn samengevoegd veel meer waard dan de afzonderlijke delen. Zeker in de Nederlandse onderzoekstraditie zijn sociale en economische geschiedenis onlosmakelijk met elkaar verbonden. De collecties aan de Cruquiusweg zijn daarvan de belichaming. En het maakt dat de collecties die zich nu onder één dak bevinden uniek zijn, in Nederland, maar ook in  Europa en de rest van de wereld.

Het is heel belangrijk dat in 2005 alle operationele activiteiten van het NEHA formeel binnen het IISG zijn geïncorporeerd en dat de economisch-historische doelstellingen van het NEHA nu ook in de statuten van het IISG zijn verankerd. Deze organisatorische constructie maakt het overigens wel lastiger om de merknaam NEHA goed voor het voetlicht te halen.

De Herengracht was een fantastische locatie, een soort ‘lieu de mémoire’, waar de historische collecties naadloos pasten in de ambiance van de twee zeventiende-eeuwse grachtenpanden. De geur van nostalgie – boenwas, koperpoets en de natte dweil over de marmeren gang – verdween, maar er is uiteindelijk zoveel meer voor teruggekomen.

Hoe zie jij de rol en de toekomst van het NEHA in het economisch-historisch erfgoed en economische geschiedschrijving?

Het klinkt misschien aanmatigend maar in mijn ogen zou het NEHA idealiter het begin- en eindpunt moeten zijn van elk economisch-historisch onderzoek. Beginpunt in die zin dat wij vele en heel diverse bronnen in huis hebben zeker voor een eerste algemene oriëntatie op het te verrichten onderzoek. Vaak kunnen wij ook onderzoekers voorzien van handige, tijdbesparende tips and tricks, onze inhoudelijke kennis delen en ze doorverwijzen naar ons enorme netwerk. Als eindpunt willen wij graag mogelijkheden bieden om eindresultaten van onderzoek (papier, digitaal, datasets, boek- en tijdschriftpublicaties) op te nemen of te presenteren.

Het NEHA wil een infrastructuur bieden voor economisch-historisch onderzoek in de breedste zin van het woord. De mate waarin en de manier waarop gebruik wordt gemaakt van de NEHA collecties varieert met trends en verschuivingen in economisch-historisch onderzoek, maar blijft van een vaste waarde.

Naast het bieden van een grote diversiteit aan bronnen voor economisch-historisch onderzoek heeft het NEHA/IISG ook naam gemaakt met het zelf verrichten van economisch-historisch onderzoek.

Jacques van Gerwen neemt afscheid van een deel van de economisch-historische collectie, dat door hem verzameld is

Mijn eerste jaren bij het NEHA was ik als conservator belast met het opzetten van projecten die moesten resulteren in bronnenoverzichten (van onder meer banken, verzekeringsmaatschappijen, en economische organisaties zoals de kamers van koophandel). Al snel raakte ik betrokken bij bedrijfs-historisch onderzoek in opdracht. Deels door zelf onderzoek te doen, deels door onderzoek te begeleiden. Daarnaast had ik nog allerlei andere taken zoals ruim 25 jaar lid zijn van de redactie van opeenvolgende NEHA-tijdschriften/jaarboeken en diverse bestuursfuncties (bij onder meer de Stichting Bedrijfsgeschiedenis).

Toen ik bij het NEHA begon, had deze vooral een (verzamel)erfgoedfunctie. Door het opnieuw ontwikkelen van eigen onderzoeksactiviteiten maakte het NEHA vanaf de jaren ‘80 snel naam met bedrijfshistorisch onderzoek in opdracht, hetgeen weer nieuwe opdrachten genereerde. Vanaf het einde van de jaren ’90 heeft er een trend-verschuiving plaatsgevonden naar meer thematisch onderzoek. Mooie voorbeelden hiervan zijn Zoeken naar Zekerheid. Geschiedenis van risicobeleving en risicobestrijding in de afgelopen 500 jaar en het BINT-project: het Nederlandse Bedrijfsleven in de Twintigste eeuw. Beide waren bijzondere samenwerkingsverbanden met veel collega’s uit heel Nederland. Samen met de helaas te vroeg overleden Ferry de Goey heb ik onder meer voor BINT een deel geschreven over variaties in het ondernemerschap in Nederland.

Het economisch-historisch onderzoek is nu geheel ingebed in de onderzoeksafdeling van het IISG. Daarin is de oude NEHA-onderzoekstraditie van economisch-historisch onderzoek met een sociale component duidelijk zichtbaar. Mooie voorbeelden zijn de recente onderzoeksprojecten naar het slavernijverleden. En het is natuurlijk niet voor niets dat het NEHA sinds 1994 een bijzonder hoogleraar heeft  met als leeropdracht ‘bedrijfsgeschiedenis, inclusief de sociale aspecten’. Maar het IISG is ook actief betrokken bij wat je het meer ‘hard core’ economisch onderzoek zou kunnen noemen. Mooie voorbeelden van dit type onderzoek zijn de onderzoeken onder leiding van Bas van Leeuwen.

Heb je een top drie van NEHA acquisities waarbij jij zelf betrokken bent geweest?

De laatste 5-6 jaren was ik weer conservator, officieel stafmedewerker collectievorming. Het heeft onmiskenbaar een toegevoegde waarde als je met de achtergrond van onderzoeker bezig bent met acquisitie van materiaal en de ontsluiting daarvan.

  1. Historisch Fondsen Archief van de Amsterdamse Beurs en de collectie prijscouranten: zowel in omvang als inhoud een zeer belangrijke collecties (circa 400 strekkende meter): onuitputtelijke bron van financieel-economische data vanaf het midden van de 19e eeuw tot het jaar 2000. Dit is de grootste acquisitie in de geschiedenis van het NEHA. Deze acquisitie (bruikleen) sluit mooi aan bij andere grote datacollecties die we hier in huis hebben zoals de collectie Angus Maddison en een omvangrijke verzameling volks- en bedrijfstellingen van over de hele wereld afkomstig van het CBS.
  2. De aankoop en schenkingen van allerlei documenten (archivalia, foto’s e.d.) die betrekking hebben op de koloniale geschiedenis van Nederland, inclusief het slavernijverleden: bijvoorbeeld het archiefmateriaal van de Plantage Rust en werk in Suriname, wissels inzake de betaling van een schadeloosstelling aan slavenhouders i.v.m. de afschaffing van de slavernij, diverse negotiatieleningen en de collectie documenten over de handelsonderneming Oei Tiong Ham Concern. Zo komen documenten vanuit privé bezit in het publieke domein waardoor ze voor iedereen toegankelijk kunnen worden gemaakt.
  3. Naast acquisitie is de ontsluiting van het verworven materiaal echter minstens zo belangrijk. Met name de documenten en foto’s die betrekking hebben op onze koloniale geschiedenis verdienen op dit moment speciale aandacht door ze op een inclusieve manier te beschrijven, zodat ze voor een zo breed mogelijk publiek wereldwijd toegankelijk worden gemaakt. Ook is het digitaliseren van deze bronnen belangrijk. Veel materiaal is al gedigitaliseerd en er staat nog meer op de rol. Bovendien kunnen mede dankzij het Metamorfoze project nu ook oude pareltjes in de NEHA-collectie door digitalisering voor iedereen online beschikbaar gemaakt worden zoals de prijscouranten van over de hele wereld van het laatste kwart van de 16e eeuw, prospectussen en cognossementen,

Zowel voor collecties als voor onderzoek heeft de digitalisering ons heel veel te bieden maar mijn boodschap is tegelijkertijd: veronachtzaam het papieren erfgoed, het zwaartepunt van de NEHA-collecties tot nu toe, niet.

Wat ga je het meest missen na je vertrek, of ga je misschien niet echt helemaal weg? 

Tot tien jaar geleden deed ik vooral onderzoek, schrijven en publiceren (eindproduct), het laatste decennium was ik vooral bezig met verzamelen. Ik zal zeker de voldoening missen wanneer verworven materiaal verwerkt is in de catalogus, en wanneer je ziet dat het wordt gebruikt door collega’s binnen en buiten het instituut, in binnen en buitenland. En natuurlijk de contacten met collega’s. Ik ben me er heel goed van bewust dat ik 36 jaar lang een zeer bevoorrechte werkplek heb gehad met heel veel fijne collega’s binnen en buiten het instituut. Ik heb veel gekregen, maar ook veel kunnen geven.

In gesprekken met onder andere de broers Jan – mijn promotor – en Leo Lucassen – de huidige IISG-directeur – is van beide zijden de wens geuit om ook in de toekomst op een of andere manier aan het instituut verbonden te blijven. De positie van fellow is daarvoor uiterst geschikt. Daar ga ik dankbaar gebruik van maken om in de toekomst aan de NEHA collectie gerelateerd onderzoek te doen.

Aad Blok

April 2022

 Eerder gepubliceerd in On the Waterfront 42 – 2022
De oorspronkelijke versie is in pdf hier te downloaden

Redactie VHV Nieuwsbrief op de trappen van de Burcht van Berlage

Jacques van Gerwen is vanaf de start redacteur van de Nieuwsbrief van de VHV.
Hier rechts op de foto (2008) met verder vlnr Harry Peer, Piet Hazenbosch, Annelies Klein Bennink en Jeroen Sprenger. Jacques blijft binnen de redactie actief.