Het geheugen van de vakbeweging

Kommiezen

Zodra er in Nederland sprake is van een centraal bestuur groeit de behoefte aan beheren en beheersen. Met het groeien van overheidstaken groeit ook de behoefte aan personeel om deze taken uit te voeren. Het corps ambtenaren kent een steeds grotere verscheidenheid aan functies. Van straatmaker tot generaal en van referendaris tot vuilophaler. Ambtenaren zijn werknemers in dienst van de overheid en dat brengt een werkgevers-werknemers relatie met zich mee die lang niet altijd goed uitpakt voor de werknemers. Het is de verscheidenheid aan functies waardoor een kleurrijke geschiedenis ontstaat van ambtenaren en hun bonden. Standsverschillen spelen daarbij een grote rol.

De eerste vorm van krachtenbundeling onder het overheidspersoneel bestaat uit organisaties te onderscheiden naar beroep, rang, dienst of bedrijf. Door de uitbreiding van de overheidstaken – PTT, belastingen, publieke werken, gas- en elektriciteitsvoorziening, tram, reiniging – ontstaan rond 1900 vele bondjes van werklieden in overheidsdienst en verenigingen van allerlei categorieën ambtenaren. Deze organisaties zijn beperkt tot stad of streek of uitsluitend naar beroep georganiseerd. Door aaneensluiting ontstaan in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw landelijke organisaties. Omstreeks 1920 hebben zich de vier te onderscheiden richtingen in de arbeidersbeweging zich ook afgetekend in de organisatie van het overheidspersoneel: de moderne of sociaal-democratische, de neutrale, de rooms-katholieke en de protestants-christelijke. Ambtenaren zijn van oudsher sterk vertegenwoordigd in ‘neutrale’ categorale bonden. Binnen de vier richtingen vormen zich centrales van overheidspersoneel die meerdere bonden omvatten.

Weduwe en wezen

De vroegste organisatie onder ambtenaren vinden we in de pensioenbeweging. Reeds in 1802 wordt door het toenmalige staatsbewind het beginsel van pensioenvoorziening erkend. In 1805 wordt het eerste pensioenfonds voor de ambtenaren van de indirecte belastingen (accijnzen) ingesteld. Vier jaar later worden de ambtenaren verplicht zelf een deel van de pensioenkosten te dragen en worden kortingen op het loon toegepast. Na de ‘Franse tijd’ in 1814 geeft de Nederlandse Staat haar ambtenaren recht op een premievrij pensioen van 2/3 van het salaris. Er wordt 68 miljoen in het pensioenfonds gestort. Echter tussen 1830 en 1840 verdwijnt dit geld zonder, besteed te zijn aan pensioenen. Door de jaren heen wordt de pensioenregeling nogal eens veranderd. Opvallend is echter dat reeds in 1815 de pensioengerechtigde leeftijd op 60-jaar of bij 40-dienstjaren wordt gesteld. Bij Koninklijk Besluit wordt in 1836 het weduwe- en wezen pensioen ingetrokken. Bij de behandeling van de pensioenwet in 1846 wordt door een deel van volksvertegenwoordiging de plicht van de staat om zijn ambtenaren te pensioneren ontkent. Een ander deel noemt pensioen zelfs het najagen van socialistische utopieën. De wet kent nog wel een recht op pensioen toe aan weduwe- en wezen, maar tot uitkeren zal het niet komen. Door de schrijnende armoedeval na 1836 van de weduwe- en wezen van ambtenaren komt er, zij het langzaam, een beweging opgang. Op 13 januari 1854 komen ambtenaren uit de provincie Friesland bijeen in Leeuwarden. Besloten wordt een adres te zenden aan de koning met het verzoek aan weduwe- en wezen van ambtenaren wederom een pensioen toe te kennen. Een jaar later wordt er ook in Zwolle een adresbeweging op touw gezet. Het adres uit Zwolle wordt door meer dan duizend ambtenaren ondertekend. Noch op het adres van 1854, noch op dat van 1855 wordt antwoord gegeven. Men houdt de ambtenaren aan het lijntje en als in 1863, wederom uit Zwolle, een adres wordt gestuurd, wordt ook daar geen antwoord opgegeven. Als enkele hoofdambtenaren in 1872 de koning en de Tweede Kamer er op wijzen dat er nog nimmer geantwoord is op de ingediende adressen krijgen zij eindelijk antwoord. De korting op de lonen voor het pensioen wordt afgeschaft en daarmee kunnen de ambtenaren het doen.

Het pensioenverbond

Zijn het bij de bovengenoemde ‘adresbeweging’ voornamelijk de hogere ambtenaren die een rol spelen. Vanaf 1863 komen de lagere ambtenaren meer op de voorgrond. Aan het hoofd van deze ambtenaren staat J. Griek. Als, bij het overhandigen van een adres aan Betz, de minister van Binnenlandse Zaken, deze meedeelt dat een wet in voorbereiding is tot afschaffing van de korting op het loon, antwoordt Griek: “Excellentie, dit is de grootste ondienst, die U.E. den burgerlijke ambtenaar kunt bewijzen, want het maakt een inbreuk op de bate van het fonds, en onze weduwen en weezen zijn er niet mede gebaat; niet één ambtenaar zal U.E. daarvoor dankbaar zijn.” In 1868, 1869 en 1870 wordt opnieuw geadresseerd. Het gebrek aan resultaat doet het inzicht groeien dat met een enkel verzoek, hoe redelijk ook, geen concessie van de regering verwacht kan worden. Dit inzicht leidt tot het oprichten van het Pensioenverbond. Voorafgaand aan deze oprichting zijn er op diverse plaatsen commissies opgericht ter verkrijging van een weduwe- en wezenpensioen. Vierendertig vertegenwoordigers uit tien plaatselijke commissies, waaronder die van Leewarden, Groningen en Assen, komen op 28 augustus 1876 bijeen en richten het pensioenverbond op. Door een rekwest in te dienen bij de regering slagen ze er in een Staatscommissie ingesteld te krijgen. Deze commissie doet er twee jaar over om een rapport uit te brengen met een aller bedroevendste conclusie: het wordt te duur; een ambtenaar zal 1/5 van zijn salaris moeten offeren om het weduwe- en wezenpensioen te bekostigen. Het Pensioenverbond dient een nota in met bezwaren tegen het rapport van de staatscommissie. De druk die hiermee wordt uitgeoefend doet de minister besluiten opnieuw een staatscommissie in te stellen. Deze commissie doet ook twee jaar over het opstellen van een rapport, maar de conclusie in dit rapport is beduidend beter: met de middelen van het pensioenfonds kan een weduwe- en wezenfonds worden gesticht. De werkelijke uitvoering zal nog enkele jaren kosten, maar de verwezenlijking van haar doelstelling doet het Pensioenverbond in 1890 besluiten om zichzelf op te heffen.

Eigen Hulp

Een opmerkelijk initiatief, dat uitgaat van ambtenaren, is de in 1876 naar Oostenrijks voorbeeld opgerichte Haagse vereniging Eigen Hulp. Eigen Hulp is (nog) geen coöperatieve vereniging, maar een vereniging met een bepaald sociaal doel. Uit de statuten blijkt dat Eigen Hulp zich richt op: “hen, die door de arbeid met de pen of andere persoonlijke arbeid een vaste beloning ontvingen”, eenvoudig gezegd: ambtenaren en beambten. De eerste opzet is al te simpel. Voor een contributie van een rijksdaalder wordt in het vooruitzicht gesteld dat verzekeringsproblemen worden opgelost, voor borgstelling kan worden gezorgd en inkoopkortingen aan de leden ten deel zullen vallen. De leden stromen toe. De constructie waarin al te veel doelen nagestreefd worden is niet houdbaar en reeds op 30 april 1878 ontstaat uit de vereniging ‘Eigen Hulp’ de coöperatieve winkelvereniging ‘Eigen Hulp’ met in dat jaar 400 leden. Bij de viering van het van 25-jarig bestaan telt de winkelvereniging 7.000 leden. Ook in andere plaatsen komen Eigen Hulp-winkels tot stand, die in 1882 gezamenlijk gaan inkopen. De inkoopafspraken leiden in 1890 tot oprichting van de Handelskamer of zoals ze spoedig genoemd wordt: Haka. Bij de Handelskamer sluiten zich ook coöperaties aan die niet bij Eigen Hulp thuis horen. Dat leidt weer tot de oprichting van de Nederlandsche Coöperatieve Bond (NCB). De NCB is een onderafdeling van de ambtenarenvereniging Eigen Hulp. De ‘dochter’ heeft echter de ‘moeder’ zover in omvang en belang overstegen, dat in 1905 de NCB verzelfstandigd wordt. Ook de socialistische coöperaties verenigd in de Bond van Arbeiderscoöperaties(1907) sluiten zich bij de Handelskamer aan. Het kan dan ook niet uitblijven dat beide coöperatieve bonden zich aaneensluiten tot de Centrale Bond van Nederlandse Verbruikscoöperaties (1920).
De Handelskamer is in 1915 van de bond afgesplitst en een zelfstandige groothandelsvereniging ten behoeve gezamenlijke inkoop en eigen productie geworden. Het hoofdkantoor en de magazijnen zijn in Rotterdam gevestigd. In 1934 wordt een nieuwe fabriek geopend te Jutphaas, waar levensmiddelen, reinigingsmiddelen en cosmetische artikelen worden vervaardigd. Verder bezit de Handelskamer nog een drukkerij in Amsterdam, een meubelfabriek in Vlaardingen, een sigarenfabriek te Valkenswaard, een kaaspakhuis in Gouda en een confectiefabriek in Hengelo. Veel van deze bedrijven gaan in de Tweede Wereldoorlog verloren.

Kommiezen

De ambtenarenbeweging in de 19de eeuw kan in een drietal fasen worden onderscheiden: 1853-1876 te hoop lopen voor een bepaald doel zonder organisatie, 1876-1890 tijdelijke organisatie voor een bepaald doel, vanaf 1890 een groeiende vaste organisatie met als doel de arbeidsomstandigheden van de ambtenaren te verbeteren. De indiening van de pensioenwetsontwerpen in 1889 doet de beweging onder ambtenaren opleven en er ontstaat behoefte aan duurzame organisaties die zich inzetten voor belangenbehartiging van ambtenaren en niet alleen voor slechts één thema. Onder de klerken bestaat al jaren grote onzekerheid over hun aanstelling, terwijl er grote onvrede is over de hoogte van de bezoldiging. Het doel van de in 1889 opgerichte Bond van Klerken der Rijksbelastingen is dan ook bijvoorbaat duidelijk. De Vereeniging van Kommiezen bij ’s Rijksbelastingen in Nederland komt in 1892 tot stand. Verenigingen een jaar eerder opgericht in Schiedam en vervolgens in 1892 in Rotterdam en Amsterdam sluiten zich aaneen in deze landelijke organisatie. Voor de hoge ambtenaren bij de belastingdienst bestaat een vereniging die zich De Broederschap noemt. Deze organisatie is zich zeer van zijn stand bewust en ijvert er dan ook voor dat de lagere rangen niet of nauwelijks tot de hoge rang van belastingontvanger kunnen doordringen. De toch al geringe kans om door promotie een goed inkomen te verwerven wordt op die manier vrijwel nihil. Het salaris van de kommiezen is sedert 1874 niet meer verhoogd en bedraagt vaak niet meer dan f0,10 per uur door de zeer lange werktijden. Soms wordt er wel 36 tot 48 uur aaneengesloten gewerkt. Op 15 juni 1891 komt ondanks tegenwerking van leidinggevenden in Schiedam de vereniging van kommiezen tot stand met als doel de plaatselijke belangen te behartigen. Geen sinecure want de omstandigheden in ‘zwart Schiedam’ zijn een schande voor het land. Er bestaan extreem lange werktijden, leidinggevenden houden er ‘spionage’ praktijken op na en er is een sterk ontwikkeld systeem van ‘vriendjespolitiek’. De Schiedamse vereniging doet op 4 april 1892 in De Fiscus een oproep tot het stichten van een landelijke organisatie. De oproep komt kennelijk ter juister tijd. In minder dan een half jaar melden 966 kommiezen uit 47 controles zich aan. Op 25 september 1892 wordt de landelijke organisatie opgericht bestaande uit drie afdelingen en 1030 leden. Afgezet tegen het feit dat er in 1892 2250 kommiezen werkzaam zijn, is er al snel een respectabele organisatiegraad. De kommiezen besluiten hun organisatie ‘Vereeniging’ te noemen en niet ‘Bond’. Vereniging wordt wat chiquer geacht en aan bond kleeft toch een verdacht geurtje. Angst en onderdanigheid spelen een grote rol in het optreden van de kommiezen. Het karakter van de vereniging is neutraal en christelijke- en katholiekekommiezen zijn lid van de bond. In 1904 vindt een eerste ‘scheuring’ plaats door de oprichting van de Bond van Ambtenaren op Christelijke grondslag. In 1909, 1913 en 1914 overkomt dat de kommiezen opnieuw, respectievelijk door de oprichting van de R.K. Vereeniging voor Commiezen en Commiezen te Water ‘St. Mattheus’, Bond van Assistenten der Rijksbelastingen en de Bond van Commiezen te Water. Religieuze zowel als standsverschillen tasten de eenheid van organisatie aan. Desondanks heeft de Vereeniging van Kommiezen bij ’s Rijksbelastingen bij haar 25-jarig bestaan in 1917 ruim 2.500 leden en vertegenwoordigd zij circa 90 procent van de vakgenoten. Gelet op de lage salarissen van de kommiezen is het niet verwonderlijk dat van aanvang af hun vereniging ijvert voor het optrekken van de lonen. Na vier jaar ziet zij voor het eerst haar inspanning beloont. De salarissen worden in 1896 verhoogt met uitzondering van die van de laagst betaalden: de kommiezen 4e klas. Een jaar later zal het door toedoen van het kersverse kamerlid voor de SDAP Pieter Jelles Troelstra lukken om ook aan de laagste salarissen iets te doen. De rang van commies 4e klas vervalt en allen in deze rang krijgen zo een ‘promotie’ tot commies 3e klas. De inzet van Troelstra kent ook succes ten aanzien van de werktijden. Minister Pierson ontkent bij de begrotingsbehandeling voor 1898 nog dat aaneengesloten werktijden van meer dan 24 uur voorkomen. Troelstra toont echter aan, met behulp van gegevens van de Vereeniging van Kommiezen, dat dat wel het geval is. De minister moet het erkennen en zegt toe dat er op toegezien zal worden dat de werktijden beperkt blijven tot ten hoogste 12 uur per dag.

De Post

Een jaar jonger dan de vereniging onder kommiezen is De Post een bond van PTT-personeel. In 1898 wordt er in Schiedam een afdeling van deze bond opgericht, waarvan de activiteiten jarenlang vooral die van gezelligheidsvereniging zijn. De ontwikkeling van De Post vertoont gelijke trekken met die van de kommiezen. In 1903 scheiden de rooms-katholieke leden zich af en in 1908 een aantal protestants-christelijke leden. In 1906 wordt in De Post gediscussieerd over aansluiting bij het zojuist opgerichte NVV. Het komt er niet van, maar het resultaat is wel dat een aantal leden de Nieuwe Nederlandsche Postbond opricht. Dat het hier pro-NVV krachten betreft wordt duidelijk als de Nieuwe Nederlandsche Postbond zich op 1 februari 1910 bij het NVV aansluit. Een jaar later doopt de bond zich om tot Algemeene Bond van Nederlandsch Post-, Telegraaf en Telefoonpersoneel. Het ledental is op dat moment 560.

CNAB

Het aantal, vaak onnavolgbare, afkortingen in vakbondsland is groot en de ambtenaren spannen daarin mogelijk de kroon. De Centrale Nederlandse Ambtenarenbond (CNAB) komt tot stand op 1 januari 1919. Het is een fusie van drie bij het NVV aangesloten ambtenarenbonden. Naast de Vereeniging van Kommiezen bij ’s Rijksbelastingen en de Algemeene Bond van Nederlandsch Post-, Telegraaf- en Telefoonpersoneel is de derde organisatie de Algemeene Nederlandsche Ambtenaarsbond (ANAB); opgericht in 1909. Ook de ANAB is een uitkomst van een scheuring, of misschien beter gezegd een poging tot hergroepering. Een honderdtal ambtenaren zetten zich af tegen de wirwar van categorale verenigingen, er bestaan er op dat moment zo’n 250. De oprichters – kantoorbedienden bij rijk of gemeenten – zijn tot dan toe aangesloten bij de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden. Het honderdtal meent dat het organiseren van ambtenaren op basis van het standpunt van de klassenstrijd beter zal lukken in een afzonderlijk bond voor ambtenaren. Direct na de oprichting sluit de ANAB zich aan bij het NVV. De ANAB vindt vooral aanhang onder lagere ambtenaren. De hogere ambtenaren zijn vanwege hun standsbewustheid vrijwel onmogelijk te organiseren in een algemene bond. Het aantal leden groeit van circa honderd bij de oprichting tot bijna 5.000 in 1918. De ANAB moet vechten voor zijn bestaan. Verschillende gemeenten en ook een aantal rijksonderdelen nemen bepalingen op in hun ambtenarenreglement waarin staat dat ze weigeren te overleggen met de ANAB, dit in tegenstelling met de categorale ambtenarenorganisaties waarmee wel wordt overlegd. De ANAB ziet dat als willekeur en achterstelling, maar ziet het ook als bewijs dat de gemeentelijke- en rijksoverheden een krachtiger verzet van de zijde van de ANAB vrezen. De CNAB telt na fusie meer dan 9.000 leden.

NBPO

De Leeuwarder Vereeniging van Gemeentewerklieden ‘Ons Belang’ wordt op 25 september 1899 opgericht op initiatief van de gasfitter Nicolaas van Hinte. In 1901 zal het Ons belang zijn die de stoot geeft tot de oprichting van de Bond van Nederlandsche Gemeentewerklieden..Van Hinte gebruikt de verkiezingscampagne van de SDAP in 1901 als platform om in contact te komen met leiders van gemeentewerklie-denbonden in andere plaatsen. Die contacten leiden er toe dat op 27 mei 1901 te Utrecht de Bond van Nederlandsche Gemeentewerklieden wordt opgericht. Bij oprichting telt de nieuwe organisatie tien afdelingen met gezamenlijk 1.400 leden. Van Hinte wordt in 1905 de eerste bezoldigde bestuurder met een jaarloon van duizend gulden. Een loon dat overeenkomt met het loon van een werkman in overheidsdienst. In een brochure geeft de bond een verklaring voor haar bestaansrecht: “De gemeentewerklieden nemen onder de arbeiders een eigenaardige plaats in. Bij hen treedt minder op de voorgrond het vakman zijn en veel meer het in dienst zijn van een bestuurslichaam. Deze eigenaardigheid hebben ze gemeen met de rijkswerklieden, met de marinematrozen en marinestokers. We zien, dat de gemeentewerklieden niet de verbetering in hun positie trachten te verkrijgen door zich als timmerman, smid, fitter, sjouwerman aan te sluiten bij de respectievelijke vakverenigingen. Hun verhouding tegenover de gemeente weegt zwaarder dan hun werkman zijn.” Het programma van de bond bevat dan ook punten die rekening houden met die bijzondere situatie zoals alle gemeentewerken uitvoeren in eigen beheer en het instellen van scheidsgerechten voor het beslechten van geschillen inzake de rechtspositie. De bond maakt zich sterk voor algemeen kiesrecht. Voor organisaties van werknemers in overheidsdienst heeft het kiesrecht een dubbele betekenis. In algemene zin vanwege de (politieke) emancipatie van de werknemers, maar ook in de hoop dat er na de invoering van het algemeen kiesrecht er een meer werknemers gezinde werkgever zal worden gekozen. Nadat ook groepen werklieden in dienst van de polders en de provincies zich aansluiten, wijzigt de naam van de bond in 1914 in Nederlandsche Bond van Werklieden in Openbare Dienst en Bedrijven. Door een fusie in 1920 met de Algemeene Nederlandsche Rijkswerkliedenbond – opgericht op 1 januari 1900 – wijzigt de naam zich in: Nederlandse Bond van Werklieden in Overheidsdienst. De bond heeft dan ruim 15.000 leden. In 1924 volgt nogmaals een naamswijziging. Werklieden wordt vervangen door Personeel waardoor de naam Nederlandsche Bond van Personeel in Overheidsdienst (NBPO) wordt.

CNAB+NBPO=ABVA

Op 1 januari 1947 gaat de Algemene Bond van Ambtenaren (Abva) van start. De bond is de uitkomst van een fusie van de Centrale Nederlandse Ambtenarenbond en de Nederlandsche Bond van Personeel in Overheidsdienst. ‘Cultuurverschillen’ spelen een belangrijke rol bij de integratie van de twee bonden, die enerzijds – de NBPO – vooral werklieden in dienst van gemeente en rijk organiseert en anderzijds – de CNAB – ambtenaren ‘der secretarie’ verenigt. F. Molog, een kaderlid te Groningen verwoordt het als volgt: “Omdat de ambtenaar op maandsalaris voor zijn standje vocht en de ambtenaar op weeksalaris voor het zijne. Zo kregen de ambtenaren op maandsalaris de neiging om de vergadering te verlaten, omdat de ambtenaren op weeksalaris, bijvoorbeeld de stokers van het gasbedrijf, om een paar klompen vroegen. Dan zeiden de ambtenaren op weeksalaris: “Verdienen die maandsalarissen nog niet genoeg ten opzichte van ons? Ze praten enkel over bevordering.” Dat was dus een vrij zware tijd om dat zaakje bij elkaar te houden.”
De Abva telt bij oprichting 40.943 leden. In ruim dertig jaar zal het ledental meer dan vervijfvoudigen tot 208.363 (1980).

Stakingsrecht

In de loop der jaren groeit bij de Abva de behoefte naar ‘andere middelen’ om de wensen en verlangens kracht bij te zetten. In de jaren zestig neemt het aantal stakingsacties gesteund door de vakcentrales toe, maar voor de Abva en haar katholieke zusterorganisatie de Arka, ligt dat vanwege de speciale status van de ambtenaar anders. Immers sedert de spoorwegstakingen in 1903 is het recht van staking uitdrukkelijk aan de ambtenaren ontzegd. Als Nederland in 1961 het Europees Sociaal Handvest ondertekent ontstaat er een merkwaardige situatie. In het handvest is namelijk opgenomen het stakingsrecht voor alle werknemers, ambtenaren incluis, terwijl in Nederland dat stakingsrecht niet bestaat en voor ambtenaren bij wet zelfs een stakingsverbod is geregeld. De dubbelhartige houding van de Nederlandse overheid (iets in Europees verband erkennen, dat in eigen huis niet bestaat) zal nog jarenlang stof tot discussie zijn. Ondanks de uitdrukkelijke erkenning van het stakingsrecht in Europa stellen de ambtenarenbonden zich beduidend milder op. Stakingsrecht is niet wat beoogd wordt, het afschaffen van het stakingsverbod voor ambtenaren is voldoende. In 1974 neemt de Tweede Kamer een wetsvoorstel aan om het stakingsverbod te schrappen. Maar als de VVD in de Eerste Kamer ernstige bezwaren maakt, zet het kabinet-Den Uyl het wetsontwerp in de ijskast. Uiteindelijk zal het stakingsverbod in 1979 worden geschrapt. Zonder stakingsrecht wordt de rechtmatigheid van een staking een beoordeling van de rechter. Tot op heden is het recht op staken in Nederland ‘rechters-recht’. De gang naar de rechter, met het verzoek om de staking te verbieden, wordt dan ook met regelmaat gemaakt. Tot welke bizarre uitspraken dat kan leiden getuigen de uitspraken van de rechters in Amersfoort en Arnhem. Beide krijgen van de respectieve gemeentebesturen het verzoek de staking bij de gemeentereiniging, in verzet tegen de aangekondigde verlaging van de ziektewetuitkering, te verbieden. De rechter in Amersfoort verbied de staking, die te Arnhem doet dat niet.

Boos op Koos

De jaren zeventig zijn anders dan de jaren daarvoor. Tot dan kan de vakbeweging werken aan de uitbouw van arbeidsvoorwaarden, maar met de teruggang van de economie komt zij in de verdediging. De actiebereidheid groeit en demonstraties, prikacties, stakingen en bezettingen komen regelmatig voor. Door de voortdurende aanvallen op de rechtspositie van de ambtenaren worden de Abva en de Kabo gedwongen naar nieuwe actiemiddelen te zoeken. De behoefte om aan de bijzondere status van de ambtenaar een eind te maken en te kunnen onderhandelen over de eigen arbeidsvoorwaarden, gelijk aan werknemers in de marktsector, groeit. In het kabinet Lubbers I heet de minister van Binnenlandse Zaken: Koos Rietkerk. Hij zal de gebeten hond worden in het ambtenaren verzet dat los barst in het najaar van 1983.
Ondertussen is als gevolg van de eenwording van NVV en NKV tot FNV ook sprake van een fusie van tussen Abva en Kabo. De namen worden eenvoudigweg aan elkaar geplakt en de nieuwe bond heet voortaan AbvaKabo.
Rietkerk geeft als hoogste baas van de ambtenaren in het overleg geen krimp als het gaat om de bezuinigingsplannen van het kabinet. De inzet is een korting van 3,5% op de inkomens van ambtenaren, trendvolgers en uitkeringsgerechtigden, bij elkaar ruim vier miljoen mensen. De AbvaKabo gaat in verzet. Op buttons en stickers valt te lezen ‘Boos op Koos’. Maar meer nog dan de Minister van Binnenlandse zaken zal het huisvuil symbool staan voor deze ongekend lange en felle ambtenarenactie. De actie duurt ruim twee maanden, maar heeft niet het gewenste resultaat. De bezuinigingen gaan door. Met de opgehoopte vuilniszaken in gedachte kan herinnert worden aan de volkswijsheid die zegt: Een kabinetscrisis, ach dat merk je als gewone mensen niet zo, maar als de vuilnismannen staken, ja dan zitten we dik in de rotzooi.
Dik Nas / Vakbondshistorische Vereniging
20 februari 2002

Geraadpleegde literatuur

K. de Boer, Als een toren in onze lage landen (Rotterdam 1939)
Pieter Broertjes, Arendo Joustra, Ambtenaren in actie. Reportage van een Hollandse herfst (Amsterdam 1984)
George Evers, Harry Peer en Geerten Schrama, Symbool van vertrouwen. Uit de geschiedenis van de Abva (Nijmegen 1983)
Joh. Van Gool, Korte geschiedenis van de coöperatie (Den Haag z.j.)
Francisca de Haan, Annete Meijs,’Bouwmeester, Maria Catharina’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1998) Deel 7 p. 20-23
B. Kedde, De opkomst van de arbeidersbeweging in Schiedam (Schiedam 1956)
J. van Meeuwen, ‘Guit, Leonardus Franciscus’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1995) Deel 6 p. 72-76
J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland I (Amsterdam 1926)
Harry Peer, ‘Laan, Jan ter’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1990) Deel 4 p. 119-121
Louis J.C. Poppe e.a., Gedenkschrift van de Vereeniging van Kommiezen bij ’s Rijksbelastingen in Nederland (Schiedam 1917)
Jan Rietveld e.a., AbvaKabo in verzet. De herfstacties van 1983 (Zoetermeer 1984)