Kleren maken de man. We haasten ons om er bij te zeggen; en de vrouw. Aan de soort kleding herken(de) je de bevolkingsgroep, de streek of de beroepsgroep. Kleding geeft status of gezag, geeft uiting aan blijde- of juist droeve gebeurtenissen of geeft de kans je te onderscheiden van- of anoniem op te gaan in een groter geheel. Het is geen toeval dat ‘kostuum’ oorspronkelijk betekende: datgene wat aan alle volken onder bepaalde omstandigheden eigen is ‘gewoonte’. Tot in het midden van de negentiende eeuw kan de kleermaker, die een ambachtelijk vakman is, redelijk zijn brood verdienen. Met de komst van de machinale kledingmakerij wordt zijn positie aangetast en verslechteren het inkomen en de arbeidsomstandigheden.
Confectie
De vrij gecompliceerde handvaardigheid van de kleermaker maakt het moeilijk het vak te mechaniseren. Machines doen dan ook betrekkelijk laat hun intreden in de kledingindustrie. Tot het midden van de 19de eeuw is de naald het instrument waar kleren mee worden vervaardigd. Omstreeks 1850 worden er min of meer bruikbare naaimachines geconstrueerd. Een tiental jaren later is de ontwikkeling van de naaimachine zover dat er ook voor particulieren een goed werkende machine op de markt komt. Het is de Amerikaan Elias Howe die een naaimachine bouwt, werkend met een steek waarbij twee draden worden gebruikt – de z.g. double-locked stitch – met behulp van een schietspoel en een naald met een eivormige punt.
Maatschappelijke veranderingen en wijzigingen in mentaliteit weerspiegelen zich in de kleding. De grote verandering in maatschappelijke zin, die de Franse revolutie uitdraagt, heeft zijn weerslag in het kleedgedrag. De gelijkheid, de vrijheid en de broederschap vinden hun verwerkelijking in de ‘mode’. Specifieke klederdrachten verdwijnen. De ‘herendracht’ verliest aan kleurigheid en élégance en ‘vanonder op’ komt de neiging bij boeren, burgers en buitenlui om – althans op zondag – als heer gekleed te gaan. Zo wordt de tijd rijp voor vervaardiging van kleding op voorraad. Lange tijd gaan ambachtelijke- en industriële kledingproductie gelijk op. Na 1880 stijgt de vraag naar geconfectioneerde kleding dankzij een beter inkomen en dalende prijzen. Voor het vestigen van een kledingbedrijf speelt de aanwezigheid van voldoende aantallen goedkope arbeidskrachten een belangrijke rol. Economisch zwakke regio=s met lage lonen zijn geliefde vestigingsplaatsen. Vooral jonge vrouwen vinden werk in de confectiefabrieken. Hun aandeel in het personeelsbestand kan oplopen tot boven de 70%. Na 1880 verkoopt de detailhandel al vrij veel confectiekleding, maar daaronder bevindt zich nog veel import. De eigen confectie-industrie is nog niet tot volle wasdom gekomen. Eerst rond 1900 zet de groei in deze bedrijfstak door. In 1909 vinden zo’n 15.000 mensen werk in de confectie-industrie. Amsterdam, Rotterdam, Groningen, Utrecht, Twente en in geringere mate Arnhem zijn de centra waar confectie wordt gemaakt.
Op 30 januari 1883 wordt in Groningen de kleermakersvereniging ‘Vooruitgang door Broederschap’ opgericht. De vereniging, oorspronkelijk een ziekenpot, wordt in 1890 gereorganiseerd tot een op moderne leest geschoeide vakvereniging. De ziekenpot blijft een afzonderlijk beheerd fonds. Groningen is in het bijzonder de stad van de engros-confectie, die in hoofdzaak bestemd is voor kledingmagazijnen. De ondernemers, die engros-confectie bestellen, kunnen dit, door de grotere aantallen, goedkoper krijgen dan zij, die alleen enkelstuks confectie voor het publiek laten maken. De engros-confectionairs kunnen aan de kleermakers niet alleen een grotere hoeveelheid werk in één keer bieden, maar ook het gehele jaar door werk garanderen. Daarbij komt, dat aan de engros-confectie minder hoge eisen worden gesteld, omdat deze voornamelijk gedragen wordt door werklieden. De geringere eisen aan de kwaliteit veroorzaakt, dat de engros-werker weldra een nog mindere vakman is dan de gewone confectiewerker. Tussen 1880 en 1900 stijgt in de stad Groningen het aantal thuiswerkende kleermakers en naaisters van 530 naar 1.410. De kledingindustrie is daarmee, in de rustige en provinciale Groningse hoofdstad, de enige bedrijfstak van nationale betekenis. De omvang die de Groninger kledingindustrie bereikt zorgt ervoor dat het centrum van de vakactie onder kleermakers naar deze stad verschuift. Een van de bestuurders van Vooruitgang door Broederschap is een werknemer van de Firma Gebroeders Levie. Hij is een jong en strijdvaardige man. Zijn naam is Evert Kupers. Hij ontmoet bij de kleermakersvereniging een andere jonge Groninger kleermaker: Tonnis van der Heeg. Er ontstaat tussen hen een lotsverbondenheid voor het leven. Beiden zullen carričre maken in de vakbeweging.
Van der Heeg zal jaren later vertellen over de rol van Kupers bij de grote staking van de kleermakers in Groningen in 1903. Kupers is nog maar achttien jaar oud als hij een voornaam aandeel heeft in de leiding in deze kleermakersactie. Het toch al niet hoge loon van de confectiewerkers is door de confectionairs nog verder verlaagd. De grauwe ellende wordt ondraaglijk en het komt tot een staking. Kupers geeft als bestuurslid van de kleermakersvereniging mede leiding aan deze staking, maar neemt ook een werkzaam aandeel in het posten. Als hij, tegen de afspraak in, niet wordt afgelost, blijft hij de hele nacht op zijn post. Weggaan, ook al gebeurt er eigenlijk niets, ziet hij als plichtsverzaking. De nacht doorstaan is geen pretje. Het is winter en bar koud. Het is een harde, verbitterde en langdurige strijd, die een maand duurt en waaraan zo’n 300 kleermakers deelnemen. De werknemers behalen een overwinning. De prijs, die de werkgevers moeten betalen, is het eerste looncontract in de kledingindustrie. Het looncontract omvat vaste loonafspraken voor alle door de kleermakers te maken artikelen. Feitelijk betekent het een loonsverbetering van gemiddeld 7 1/2 % en dat is bij een gestelde eis van 10% een goed resultaat te noemen. De morele overwinning is echter het grootst. Aan een groep werknemers is na jarenlange uitbuiting en knechting gerechtigheid geschied en dat nog wel door eigen toedoen. De gewonnen slag is echter allerminst een gewonnen oorlog. Nog jarenlang is er in Groningen sprake van confectionairs die zich onttrekken aan de afspraken of zelfs loonsverlagingen toepassen. De bond beantwoordt deze wanprestaties zo goed en zo kwaad mogelijk, ook met stakingen. Eerst in 1911 is er sprake van een collectieve arbeidsovereenkomst die in redelijkheid de arbeidsvoorwaarden regelt en waaraan partijen zich ook houden.
Vooruitgang door Broederschap neemt in 1895 het initiatief tot oprichting van een landelijke organisatie. De Algemeene Nederlandsche Kleermakersbond vindt derhalve zijn bakermat in Groningen en in deze stad is een aantal jaren de zetel van het hoofdbestuur gevestigd. Het zal voorlopig een kleine en weinig bloeiende organisatie blijven.
Als er in 1897 in het Volksdagblad een wanhopige brief staat van enkele, wegens ‘opstandigheid’ ontslagen, linnennaaisters, wordt er zowel door de Kleermakersbond als door de Vrije Vrouwe Vereniging initiatief genomen. De eerste vergadering mislukt. Mede door het late tijdstip van de oproep komt vrijwel niemand opdagen. De tweede vergadering heeft meer succes en leidt, op 4 augustus 1897, tot oprichting van de Amsterdamse Naaistersvereniging ‘Allen Een’. Deze vrouwenvakorganisatie zal in haar korte bestaan een belangrijke bijdrage leveren aan de bewustwording van de werknemers in de kledingindustrie.
Reeds in 1900 zijn er voorstellen om tot een samensmelting te komen van de afzonderlijke naaisters- en kleermakersorganisaties. Verzet van enige leden van de Vrije Vrouwen Vereeniging verijdelt dit echter. Prijes, secretaris van de naaistersvereniging ‘Allen Een’ zegt daarover: ‘We zullen wel doen ons in ’t vervolg aan dergelijke adviezen weinig te storen. Als de dames reeds lang teruggekeerd zijn naar hare vereenigingen en zich heur hoofd weer bezighoudt met andere zaken, dan zitten wij met onze gebakken peren en kunnen haar geen vergoeding vragen voor de nadeelige en idiote versnippering van krachten die ons hare raad heeft opgebracht.’ Prijes is voorstander van een sterke en centralistische organisatie. Ze is dan ook pleitbezorgster voor een fusie met de Kleermakersbond. Prijes en Vos zijn het die initiatief nemen en het aanzoek brengen bij de kleermakersbond. Na overeenstemming over fusie moet het besluit op een congres worden genomen. Thönissen dient een motie in om door te gaan als organisatie die uitsluitend vrouwen organiseert. De motie redt het niet en met 35 voor, 7 tegen en 18 onthoudingen wordt tot fusie besloten. Zo ontstaat – in 1901 – de Algemeene Nederlandsche Bond voor Arbeiders en Arbeidster in het Kleedingbedrijf en Aanverwante Vakken. In de wandeling wordt deze echter de Bond in de Kleedingindustrie genoemd. Het duo Vos en Prijes wordt ook in deze organisatie voorzitter en secretaris. Prijes verzorgt ook nu de redactie van het bondsorgaan: De Naaisters- en Kleermakersbode. Als na enige tijd het een na het andere kaderlid van Allen Een stopt met de bondsactiviteiten, verdwijnt ook de ‘vrouwelijke identiteit’ uit de organisatie. Gebrek aan continuďteit is een groot probleem bij het organiseren van vrouwen. Vos zal daar later het volgende over schrijven: ‘Dat is de grootste moeilijkheid waaronder een vrouwenvakvereniging gebukt gaat. Is er een flink stel bestuursleden vertrouwd geraakt met de werkzaamheden dan loopt alles best, maar de tijd breekt aan waarop meisjes vrouwen worden en daardoor verliest de vereeniging meenige flinke kracht. In de loop der jaren waren vele bestuursleden gedwongen geweest hare functie neer te leggen.’ Vos laat daarna een lijstje volgen van actieve leden die zolang ze ongehuwd waren veel voor de vereniging betekenden, maar na het huwelijk met de activiteiten voor de organisatie stopten. Het stoppen met bondsactiviteiten vanwege een huwelijk zal ongetwijfeld een rol hebben gespeeld, maar minstens zo belangrijk is de rol die ‘de mannen’ speelden in de nieuwe ‘gemengde’ organisatie.
De naaisters speelden in de ogen van de mannen een te grote rol en bovendien stond bij veel van hen vast dat vrouwen nu eenmaal minder geschikt zijn voor maatschappelijke en bestuurlijke functies. Dat Allen Een een aantal jaren de grootste en belangrijkste afdeling is in de kleermakersorganisatie, waardoor genoegzaam bewezen is waartoe vrouwen in staat zijn, wordt gemakshalve maar over het hoofd gezien.
In 1906 verhuist de zetel van de Bond in de Kleedingindustrie van Groningen naar Amsterdam. Kupers, is tot september 1907 lid van het hoofdbestuur voor de drie noordelijke provincies. Er ontstaat behoefte aan een bezoldigde kracht en de keus valt op Kupers die vanaf eind 1907 secretaris-penningmeester-administrateur-propagan-dist-redacteur is; kortom de eerste bezoldigde bestuurder van de bond. Op het congres waar de benoeming van Kupers plaats vindt zitten achter de bestuurstafel ook Alida de Jong en Marie Thönissen. Naar de overlevering wil vindt De Jong Kupers nog maar een ‘jong ventje’, maar Thönissen vindt hem wel een ‘goed spreker’. Nog geen twee jaar later leidt deze positieve beoordeling er toe dat Thönissen en Kupers in het huwelijk treden.
Van der Heeg volgt na enige tijd Kupers naar Amsterdam en vindt werk bij de Coöperatieve Kleermakerij ‘Vooruit’. Van de afdeling Amsterdam wordt hij de voorzitter. Hij is niet blind voor de ontwikkelingen en neemt dan ook stelling tegen vakgenoten die menen dat confectie en vrouwenarbeid nog tegen te houden zijn.
In 1908 wordt Van der Heeg bezoldigd afdelingsbestuurder. In 1913 leidt hij de Amsterdamse kleermakersstaking die, net als de staking in Groningen in 1903, als uitkomst kent een looncontract, zij het ditmaal met de Amsterdamse werkgevers. Als Kupers in 1915 overgaat naar het NVV, volgt Van der Heeg hem op en wordt voorzitter van de Bond in de Kleedingindustrie.
De kleermakersbond blijft tot aan zijn opheffing in de Tweede Wereldoorlog een zelfstandige organisatie. Reeds in 1940 bestaan er plannen voor een fusie met de textielarbeidersbond. Na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog wordt nog de kleermakersbond nog de textielarbeidersbond heropgericht. In 1945 wordt het fusieplan uitgevoerd en ontstaat de Algemene Nederlandse Bond van Arbeiders en Arbeidsters in de Textiel- en Kledingbedrijven ‘De Eendracht’. Als gevolg van de invoering van de bedrijfstakgewijze organisatie in 1953 wordt de naam van de bond Algemene Bedrijfsbond voor Textiel en Kleding (ABTK) ‘De Eendracht’. De ABTK ‘De Eendracht gaat op 1 januari 1972 op in de Industriebond NVV.
© Dik Nas / Vakbondshistorische Vereniging
1 november 2000
Peter-Paul de Baar, ‘Heeg, Tonnis van der’ in: Biografisch woordenboek van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland. Deel 4 (Amsterdam 1990)
M.J. Brusse, Slavernij voor mooie kleren. Uit het leven van de ‘lijders aan confectie’ (Rotterdam 1910)
Dik Nas, Hendrik Gerhard en de betekenis van de kleermakers voor de ontwikkeling van de arbeidersbeweging (Drempt 2000) (Nog niet gepubliceerd)
S. Witteboon, Evert Kupers werker, strijder, bouwer (Amsterdam 1949)