Het geheugen van de vakbeweging

Het CNV en internationale solidariteit

CNV-historicus Piet Hazenbosch over de internationale activiteiten CNV

De VHV Vriendenbijeenkomst van 13 november 2015 stond in het teken van internationale solidariteit. Aanleiding was het 40-jarig bestaan van Mondiaal FNV. CNV-historicus Piet Hazenbosch belichtte op deze Vriendenbijeenkomst de internationale activiteiten van het CNV. Zijn tekst volgt hier.

CNV-historicus Piet HazenboschCNV-historicus Piet Hazenbosch

De historicus heeft het eigenlijk gemakkelijk. Hij mag praten over wat gebeurd is in tegenstelling tot de beleidsmaker die het vooral over de nog onbekende toekomst mag hebben. Hij moet telkens antwoord geven op een paar eenvoudige vragen: wie deed wat en hoe, wanneer en waarom? Daarbij moet hij zijn lezers of zijn gehoor overigens ook duidelijk maken dat DE geschiedenis niet bestaat. Het is toch immers zo dat iedereen met zijn eigen ideologische en tijdsgebonden bril kijkt naar het verleden. Dat is niet erg, zo lang iedereen zich daar maar van bewust is.
De ‘wie’ in deze geschiedenis is nogal duidelijk. Het CNV. Een christelijk-sociaal samenwerkingsverband van vakbonden en opgericht in 1909. Overigens opgericht met dank aan christelijk-sociale organisaties uit Duitsland en Zwitserland. Anders: het ontstaan van christelijk vakbeweging in Nederland is mede het gevolg van internationale verbondenheid. Eén van de discussies in de jaren voor de oprichting van de christelijke vakcentrale was die van het interconfessionele karakter. Zoeken protestantse arbeiders in hun organisaties verbinding met rooms-katholieke arbeiders en hun organisaties? In Duitsland was het Gesamtverband der Christlichen Gewerkschaften Deutschlands het voorbeeld van een organisatie waarin christelijke arbeiders van verschillende denominaties samenwerkten. Een voorbeeld dat het CNV inspireerde en navolgde, maar waar de bisschoppen in 1912 een definitief stokje voor staken. Het CNV werd louter protestants, de katholieken werkten samen in het RK vakbureau.

Het Internationaal Christelijk Vakverbond

Die internationale verbondenheid van het CNV blijkt ook in 1920. Een jaar eerder is de ILO in het leven geroepen en het CNV vindt dat ook de christelijke vakbeweging aan die tafel moet kunnen plaatsnemen. Samen met het RK Vakbureau wordt het initiatief genomen tot de oprichting van een eigen internationale naast die van de socialisten. Het ICV, het Internationaal Christelijk Vakverbond, komt tot leven. Overigens gebied de eerlijkheid te zeggen dat het ICV vooral een Europese organisatie was. Het ICV-secretariaat wordt gevestigd te Utrecht en de katholieke P.J.S. Serrarrens wordt algemeen secretaris.
In 1928 staat het CNV ook aan de wieg van nog een internationale, de PCAI, de protestants-christelijke arbeidersinternationale. Een samenwerkingsverband tussen een aantal Europese organisaties en in de grond van de zaak eerder een bezinningsorganisatie dan een op concrete resultaten gerichte internationale.
Al in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog wordt binnen het CNV nagedacht over de vraag of de vakbondsactiviteiten op christelijk-sociale grondslag beperkt moeten blijven tot Nederland. De belangrijke grondlegger van het christelijk-sociaal denken in ons land, Abraham Kuyper, had tijdens het Sociaal Congres van 1891 al opgemerkt dat de ‘sociale queastie’ niet een louter nationaal vraagstuk was. Ik citeer:
‘En vraagt ge mij dan tenslotte, of ik op dit ons Congres dan waarlijk hope durf te bouwen; de hope dat we de oplossing der brandende kwestie van den dag althans iets nader zullen komen, vergeet dan niet, dat de sociale nood een wereldvraagstuk is, een vraagstuk van in eminenten zin internationaal karakter, en hetwelk uit dien hoofde, althans binnen de zo enge grenzen van ons kleine vaderland, nimmer kan worden afgedaan.’ Met andere woorden: de ‘sociale queastie’ stopt niet bij Lobith, maar heeft een mondiaal karakter en daarmee ligt er een nadrukkelijke verantwoordelijkheid vanuit het christelijk-sociaal denken voor Nederlandse organisaties die zich om de binnenlandse problemen bekommeren. Waarlijk christelijk-sociaal is ook internationaal.

Internationaal en koloniaal

Tegen die achtergrond en vanuit dat perspectief is het CNV betrokken bij de internationale vakbeweging en wordt de vraagt naar internationale actie gesteld. Het ligt in een verzuild land dat het onze in de jaren voor en na de Wereldoorlog is, voor de hand om bij het beantwoorden van die vraag verbinding te zoeken met organisaties die al internationaal actief zijn. Bedenk dat in die tijd ‘internationaal’ en ‘koloniaal’ nauw verwante begrippen zijn. De belangstelling van het CNV richt zich dan ook op Nederlandse koloniën, met name Nederlands-Indië.
De ontwikkeling in het denken over buitenlandse activiteiten wordt onmogelijk gemaakt door de Duitse bezetting in 1940 en door het besluit van 25 juli 1941 het CNV op te heffen om zo gelijkschakeling onder Duitse aanwijzing te voorkomen. Maar kort na de bevrijding van ons land en de heroprichting van het CNV, stelt de charismatische voorzitter van de Christelijke Landarbeidersbond, Marinus Ruppert, de vraag opnieuw aan de orde. Moet de christelijke vakbeweging ook niet in Nederlands-Indië tot leven worden geroepen? Zijn antwoord en dat van het CNV, waarvan hij in 1947 voorzitter wordt is ‘ja’. Er wordt geld bij elkaar gebracht door bonden en vakcentrale om Beekman uit te zenden, waarbij naarstig gebruik gemaakt wordt van de kennis van de Nederlandse zending in de ‘Gordel van Smaragd’. Het wordt voor Beekman en zijn vrouw een lange worsteling met de werkelijkheid. Een werkelijkheid die gekenmerkt wordt door koloniale oorlogen en voortdurend problemen als gevolg daarvan. Het voornemen mislukt dan ook jammerlijk, maar het maakt duidelijk dat Ruppert en de zijnen christelijk-sociaal vakbondswerk niet zien als een louter nationale activiteit.
U kent de geschiedenis. De koloniale oorlog wordt onder grote internationale druk verloren en in 1949 doet Nederland afstand van zijn voormalige kolonie met uitzondering van een deel, Papoea Nieuw-Guinea. Het ligt dan ook voor de hand dat het CNV zijn aandacht naar dat gebiedsdeel verschuift. Een lid van het Verbondsbestuur, Klaas de Boer, wordt op pad gestuurd om de mogelijkheden te onderzoeken. Uit zijn rapport blijkt dat er kansen zijn om christelijk-sociale vakbeweging op gang te brengen en het CNV-bestuur besluit Henk Moes en zijn vrouw naar Nieuw-Guinea te sturen. Maar voordat het zo ver is, moet het probleem van de financiering worden opgelost. En dat gebeurt voor het eerst door wat wij vandaag de dag crowd funding noemen.
De apostel Paulus droomt tijdens een van zijn zendingsreizen dat hem wordt toegeroepen ‘Kom over en help ons’. Die woorden gebruikt het CNV om geld bij elkaar te brengen voor het werk in Nieuw-Guinea. Hoeveel geld er wordt opgehaald, is niet meer te achterhalen, maar de activiteiten van het CNV krijgen vorm door het werk van Moes. Werk dat bij nader inzien geen resultaat heeft, want na de overdracht van dit laatste deel van de Aziatische koloniën van Nederland aan Indonesië, is geen sprake meer van christelijke vakbeweging.

Frans Fuyckschot naar Canada

De internationale actie van het CNV richt zich overigens niet alleen op koloniale verbanden, maar in navolging van een aanzienlijke immigratiestromen naar Canada en de Verenigde Staten in de na-oorlogje jaren, wordt besloten om de prille Canadese vakbeweging steun te geven. Ook voor deze actie wordt een bestuurder vrijgesteld. Frans Fuyckschot en zijn vrouw vertrekken in 1952 naar Canada. Officieel worden zij uitgezonden door de PCAI, maar materieel door het CNV.
Eerder zei ik dat de historicus antwoord moet geven op een paar vragen. Wie doet wat en hoe, wanneer en waarom? Het waarom van de uitzending van Fuyckschot blijkt prachtig uit een oorkonde die hem bij zijn afscheid in Nederland door Ruppert wordt aangeboden.

Het is de roeping van de christelijk-sociale beweging in de wereld te getuigen dat alleen in het kruis van Christus, dat de verzoening met God ons predikt, alle verhoudingen tussen de mensen nieuw geregeld worden. Deze getuigenis geldt voor alle mensen, voor alle landen en voor alle werelddelen.
De protestants-christelijke arbeiders internationale heeft aan Frans Pieter Fuyckschot gevraagd, deze boodschap door te geven op het Amerikaanse continent. Hij heeft deze taak – gehoor gevend aan de roeping, welke tot hem kwam – op zich genomen. Hij is gegaan – en zijn vrouw met hem – en zij mogen leven en werken in de kracht van de belofte van hun Heer: Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in mij blijft gelijk ik in hem, die draagt veel vrucht want zonder mij kunt gij niets doen.

Het is verleidelijk om in te gaan op de geschiedenis van Fuyckschot al was het maar omdat daaruit blijkt dat goede bedoelingen soms vastlopen in de modder van religieuze twisten, maar daarvoor is hier vandaag geen tijd. De Christian Labour Association of Canada bestaat overigens nog steeds, vooral als vereniging van nazaten van immigranten en leidt een bescheiden bestaan.
De eerst internationale activiteiten lopen na kortere of langere tijd dood, maar dat geldt niet voor de contacten. Via de christelijke vakbeweging in Frankrijk ontstaan contacten met de christelijke vakbeweging in Afrika. Laten we er eerlijk over zijn: het zijn moeizame contacten en veel concrete resultaten zijn er niet. Zij het dat het CNV lange tijd betrokken is bij de ontwikkeling van het beroepsonderwijs in Nigeria.

Van CNV-actie Kom Over naar CNV Internationaal

Het CNV is in de jaren ’50 en ’60 een onderdeel van de protestants-christelijke zuil, net zoals het NVV een deel is van de sociaal-democratische zuil. Ruppert probeert vanuit zijn verantwoordelijkheid als CNV-voorzitter invloed uit te oefenen op de ARP, maar die beďnvloeding werkt ook andersom. Binnen de ARP zijn het met name fractievoorzitter Bruins Slot en partijvoorzitter Berghuis die eind jaren ’50, begin jaren ’60 de vraag opwerpen hoe het vanuit christelijk-sociaal perspectief eigenlijk staat met de mondiale verdeling van de welvaart. De Nederlandse economie is in de jaren ’50 enorm gegroeid mede als gevolg van de toenemende internationale verwevenheid, die we later globalisering zijn gaan noemen. Een belangrijke actor in het ARP-debat over ontwikkelingshulp is W.F. de Gaay Fortman. De Gaay Fortman is hoogleraar aan de VU, actief binnen de ARP en rector van de CNV-kaderschool. Langs die weg dringen de opvattingen van Bruins Slot en Berghuis door tot het CNV. Dat leidt ertoe dat in 1967 besloten wordt de bestaande steun aan de internationale vakbeweging en het nieuwe ontwikkelingswerk ook organisatorisch vorm te geven. De CNV-Actie Kom Over wordt opgericht. U hoort de weerklank van de woorden van de apostel Paulus en de fondswerving uit 1953. Een naam die in die tijd herkenbaar is voor de christelijke wereld. Een naam die overigens in samenhang met de secularisering van Nederland steeds minder herkenning oproept. In het begin van deze eeuw wordt dan ook besloten de naam te veranderen in CNV Internationaal.
Het ligt voor de hand dat de CNV-activiteiten verlopen langs de lijnen van de wereldorganisatie waarvan het CNV lid is. Een organisatie die overigens zijn louter christelijke karakter in 1969 verliest door de oprichting van het Wereldverbond van de Arbeid, het WVA. Het is moeizaam werk, want betrouwbare contacten zijn niet eenvoudig te leggen en het gebrek aan geld is een permanent probleem. Ondanks dat komen er initiatieven van de grond.
Bij die initiatieven verschuift overigens het perspectief. Het zendingsachtige karakter dat de CNV activiteiten in de na-oorlogse jaren kenmerkt verandert, de nadruk komt meer en meer te liggen op werknemersrechten, op evenwichtige arbeidsverhoudingen. Eén van de drijvende krachten achter de CNV-activiteiten is Arie Hordijk. In 2008 formuleert hij terugkijkend op zijn werk zijn beweegredenen als volgt: ‘Ik heb mijn hart verloren aan de internationale arbeidsverhoudingen. Ik was en ben er nog steeds van overtuigd dat er alleen politieke stabiliteit en vrede kan zijn als er sociale rechtvaardigheid is’.

Stichting Ontwikkelingssamenwerking Vakbeweging

Een belangrijke rol in een andere manier van kijken naar de problemen van arbeiders in wat wij de Derde Wereld gaan noemen, is het feit dat CNV-bestuurders persoonlijke bezoeken brengen aan WVA-zusterorganisaties. Daar zien zij in levende lijve wat de problemen zijn – problemen die hen doen terugdenken aan de ‘sociale queastie’ waar Abraham Kuyper eind 19e eeuw over sprak. Het zijn deze mensen en deze bezoeken die inspireren. Inspireren tot het informeren van CNV-leden, tot het collecteren van geld, maar ook tot het samenwerken met NVV en NKV in de Stichting Ontwikkelingssamenwerking Vakbeweging (SOSV). Een samenwerkingsverband dat uiteen valt als op 9 januari 1974 blijkt dat NVV en NKV een andere doel hebben – een fusie – dan het CNV – dat een federatief verband voor ogen heeft.
Binnen het CNV leidt dat tot de heroprichting van de CNV-Actie Kom Over. Inmiddels is er een probleem in belangrijke mate opgelost, te weten het permanente tekort aan geld. Het kabinet Den Uyl, dat van spreiding van kennis, macht en inkomen, neemt zijn motto serieus en verhoogt het budget voor Ontwikkelingssamenwerking aanmerkelijk, waarbij de toenmalige minister van Ontwikkelingssamenwerking, Jan Pronk, de vakbeweging beschouwt als medefinancieringsorganisatie waardoor het VMP uiteindelijk vorm krijgt.
U kent de uitdrukking ‘wie betaalt, bepaalt’. Deze waarheid als een koe slaat ook op het internationale solidariteitswerk van het CNV. De minister – met welke politieke achtergrond ook – heeft telkens een vinger in de pap willen hebben. Eerst moest de minister elk project afzonderlijk goedkeuren. Later ontstond de programma-financiering, waarbij de verantwoording achteraf kon plaatsvinden. Nog weer later stelde de minister inhoudelijke voorwaarden aan de activiteiten van het CNV. Voorwaarden die werden ontleend aan de accenten van het eigen beleid van de minister. Daarbinnen probeerde het CNV zijn eigen accenten te leggen. Daarbij werd nogal consequent uit gegaan van de gedachte dat de  internationale arbeidsnormen van de ILO moeten worden gerespecteerd door landen; bonden die de naleving wilden afdwingen kregen steun. Een ander kenmerk is dat er binnen het CNV heel erg weinig waardering bestaat voor niet-democratisch bestuurde landen of de dictatuur nu links of rechts heet te zijn. Een ander kenmerk is dat het CNV vakbonden probeert te ondersteunen bij hun ontwikkeling tot maatschappelijke middenveldorganisatie, waarbij het bevorderen van de sociale dialoog centraal staat. De tijden veranderen, de panelen verschuiven, maar deze kenmerken van het beleid van CNV Internationaal zijn door de tijd heen steeds herkenbaar.

Nederlandse vakcentrales internationaal bij dezelfde organisatie aangesloten

Eerder zei ik dat het CNV lid was van het WVA. Samen met het NKV en het Belgische ACV vormde het CNV de belangrijkste dragers van deze internationale, althans in financiële zin. Het vertrek van het NKV uit het WVA was dan ook een aanmerkelijke aderlating voor het financiële draagvlak. Een draagvlak dat verder afbrokkelde toen het ACV in de eerste jaren van deze eeuw besloot te zoeken naar mogelijkheden om een nieuwe internationale op te richten. Dat werd na veel vijven en zessen het ITUC. Het CNV besloot met een krappe interne meerderheid mee te werken aan de opheffing van het WVA om zich vervolgens bij de nieuwe internationale aan te sluiten. Dat betekent dat de drie Nederlandse vakcentrales internationaal gezien lid zijn van dezelfde organisatie. Daarmee ligt de vraag naar nationale samenwerking – zeker op het gebied van internationale solidariteit – voor de hand. Toch wil het CNV dat niet, zo blijkt uit herhaalde uitspraken van het CNV-bestuur. Al tijdens de oprichting van de ITUC wees het CNV op het feit groot belang te hechten aan diversiteit en pluriformiteit. Werknemers moeten niet alleen hun politieke opvattingen kunnen bundelen in verschillende politieke partijen, maar werknemers moeten ook hun belangenbehartiging kunnen onderbrengen in verschillende vakorganisaties.
Klaas Kater, de voorzitter van de grootste arbeidersorganisatie in ons land in de 19e eeuw, zei het eens als volgt: ‘Wij willen hetzelfde, dat is waar, maar wij willen het niet uit hetzelfde beginsel, niet op dezelfde wijze, niet langs denzelfden weg, niet tot hetzelfde doel’. Ik denk dat deze uitspraak nog steeds van toepassing is. Weliswaar is het doel van Kater een ander dan dat van het huidige CNV, maar er zijn nog steeds aanzienlijke sociaal-culturele verschillen tussen CNV en FNV.
Ik begon mijn bijdrage met het memoreren van de eenvoudige taak van de historicus. Wie deed wat en hoe, wanneer en waarom? Ik heb die vragen proberen te beantwoorden. Zeker niet zo uitvoerig als in het mooie boek dat over de geschiedenis van FNV Mondiaal is geschreven. Een mooi boek gezien de uitvoering, maar ook vooral gegeven de inhoud. Een geschiedenis geďllustreerd met kleine vertellingen over de dagelijkse activiteiten die met elkaar een beeld geven van de bijna onmogelijke taak om de wereld een beetje mooier te maken, maar ook duidelijk maken dat internationale solidariteit op den duur werkt.
Historici gaan over het verleden en niet over de toekomst. Toch wil ik op grond van dat verleden iets over de toekomst zeggen. Het ging er omdat dat mensen zich vanuit christelijk-sociaal perspectief verantwoordelijk wisten voor rechten van werknemers buiten de geografische grenzen van ons land. Die mensen kwamen in actie. Zij kwamen in actie in een wereld die aanzienlijk anders was dan de huidige, dan onze wereld. Maar het is zonneklaar dat er nog steeds veel werk te doen is. Wie ooit een textielbedrijf in Bangladesh of een theeplantage op Sri Lanka heeft bezocht, weet dat. Het blijft mijns inziens dan ook een belangrijke taak van een christelijk-sociale vakorganisatie zich druk te blijven maken over ‘decent work’, over het naleven van internationale arbeidsnormen en over het feit dat Nederlandse werknemers beseffen dat zij onderdeel vormen van een wereldwijd leger van werknemers, die telkens weer op hun tellen moeten passen. De manier waarop de Nederlandse samenleving de laatste maanden reageerde op de komst van vluchtelingen, maakt mij niet optimistisch, maar ik weet ook uit de geschiedenis dat het tij kan keren als er mensen zijn die een dam durven opwerpen tegen de gaande ontwikkelingen.

Piet Hazenbosch
De lezing werd uitgesproken op de VHV Vriendenbijeenkomst van 13 november 2015

Geraadpleegde literatuur

R. Hagoort, Patrimonium, pg 176-179.
Jan Jacob van Dijk, Bouwers en bouwstenen – naar een nieuwe christelijk-sociale beweging (Amsterdam, 2006), pg 65.