
Uit de geschiedenis van de winkelstraat (1)
Arbeidsverhoudingen in de opkomende winkelstraat
Bob Reinalda
december 2025
Winkelpersoneel oefent een zwaar beroep uit, zowel lichamelijk als geestelijk. Bovendien werd en wordt het vaak slecht betaald. Sommige misstanden van eind 19de eeuw blijken ook in 2026 nog herkenbaar aanwezig. Is het niet in de winkel zelf, dan wel in de naar anonieme bedrijventerreinen verplaatste distributiecentra – magazijnen – van de detailhandelsreuzen. Daar onttrekken de vaak mensonwaardige werksituaties van vooral migrantarbeiders zich gemakkelijk aan het oog van klant en consument.
Het in 2025 verschenen artikel van Linda Vermeulen over ‘union busting’ en gele bonden in de detailhandel deed ook de vakbondshistorische aandacht voor ‘de winkelstraat’ herleven.
Bob Reinalda en Linda Vermeulen nemen ons mee op een meerdelige verkenningstocht.
⇒ Naar het overzicht van de in deze reeks verschenen artikelen
Van ‘loven en bieden’ naar warenhuizen
Rond 1880 bestond onder winkeliers weinig concurrentie. In gespecialiseerde zaken was loven en bieden gebruik. Pas tegen 1900 kwamen vaste prijzen in zwang. Met de groei van winkels nam de concurrentie toe.
De Duitse koopman Sinkel begon naast kleding en meubilair ook apothekerswaren te verkopen. Zijn leuze: ‘In de winkel van Sinkel is alles te koop’. Duitse kooplieden als C. en A. Brenninkmeijer, Gerzon en Lampe vestigden hun zaken en filialen in Nederland. Grossierderijen in manufacturen als De Bijenkorf groeiden uit tot veelzijdige winkels en de families Vroom en Dreesmann voegden hun manufacturen- en kledingzaak samen tot één bedrijf.




