Het geheugen van de vakbeweging

Aletta Jacobs, op 8 maart 1879 als eerste vrouw gepromoveerd in de geneeskunde Foto: Wikipedia / Beeldbank Groningen

Uit de geschiedenis van de winkelstraat (4)

Aletta Jacobs: zitgelegenheid winkelpersoneel een must

Bob Reinalda
April 2025

Winkelpersoneel oefent een zwaar beroep uit, zowel lichamelijk als geestelijk. Bovendien werd en wordt het vaak slecht betaald. Sommige misstanden van eind 19de eeuw blijken ook in 2026 nog herkenbaar aanwezig. Is het niet in de winkel zelf, dan wel in de naar anonieme bedrijventerreinen verplaatste distributiecentra – magazijnen – van de detailhandelsreuzen. Daar onttrekken de vaak mensonwaardige werksituaties van vooral arbeidsmigranten zich gemakkelijk aan het oog van klant en consument.
Het in 2025 verschenen artikel van Linda Vermeulen over ‘union busting’ en gele bonden in de detailhandel deed ook de vakbondshistorische aandacht voor ‘de winkelstraat’ herleven.
Bob Reinalda en Linda Vermeulen nemen ons mee op een meerdelige verkenningstocht.

 

 

Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts in Nederland, zag een verband tussen bepaalde gynaecologische afwijkingen (verzakkingen) bij vrouwelijke winkelbedienden en hun werk. Winkelpersoneel werd geacht te staan zolang de winkel overdag en ’s avonds open was.
Ondanks actie om stoelen in winkels te plaatsen, bleven deze vaak achterwege of mochten niet gebruikt worden. Jacobs, in 1879 als huisarts in Amsterdam begonnen, kreeg veel vrouwelijke winkelbedienden op haar spreekuur. Zij kon hun klachten enkel toeschrijven aan het feit dat zij elke dag uren aaneen moesten staan.

In 1924, op zeventigjarige leeftijd, stelde Jacobs haar herinneringen te boek (Omslag van de herdruk 2019 door Uitgeverij Boom)

Van de dertien hoofdstukken in Jacobs’ Herinneringen (1924) is het zevende geheel gewijd aan haar inzet voor vrouwelijk winkelpersoneel. Winkelchefs die zij benaderde weigerden stoelen en collega-artsen steunden haar niet. Haar poging een artikel in het Sociaal Weekblad geplaatst te krijgen mislukte, omdat de redactie het verband ontkende.
De staatscommissie die in 1886 de toestand in fabrieken en werkplaatsen onderzocht, ging niet mee omdat winkels en magazijnen geen werkplaatsen waren. Inspecteurs van het geneeskundig staatstoezicht en van de arbeid waren welwillender, maar hadden geen wettelijke bepaling om te kunnen optreden.

Op aandrang van de winkelbedienden hield Jacobs vol. In 1894 zocht zij de publiciteit en plaatste oproepen in kranten. Zij kreeg nu wel een artikel in het Sociaal Weekblad. Ook benaderde zij vrouwenverenigingen en ontstonden plaatselijke vrouwencomités met de eerste successen.
De beweging voor vervroegde avondsluiting van winkels en magazijnen steunde de actie voor zitgelegenheid, maar winkeliers hadden het over ‘een overdreven, ziekelijke geschiedenis, waaraan geen enkel verstandig mensch zijn tijd zou verbeuzelen’.

Jacobs had ook de regering benaderd en in de ontwerp-arbeidswetten van 1903 en 1904 werden zitplaatsen voorgeschreven (in 1904 ook voor mannen).
Vakbondsman Edo Fimmen bleef een wettelijke regeling steunen, maar het duurde nog tot 1920 voordat er een arbeidsbesluit lag dat zitplaatsen voorschreef. Ditmaal enkel voor jeugdige personen en vrouwen. In de praktijk bleven stoelen in winkels vaak achterwege, want ja, winkelpersoneel hoorde ‘klaar te staan’. Actie bleef dus nodig.