Het geheugen van de vakbeweging

Frans van Bakel

… over de identiteit van de vakbeweging

Frans van Bakel (4 april 1922-10 januari 1997) heeft mede aan de wieg gestaan van het FNV-secretariaat Vakbeweging, Maatschappij en Levensbeschouwing. Na werkzaam te zijn geweest bij de diocesane bonden in Den Bosch was hij secretaris (1963-1973) en vice-voorzitter (1973-1979) van het NKV. Daarna was hij voorzitter van de Raad van Arbeid te Eindhoven.

Frans van Bakel, 'ideoloog van de vakbeweging'Frans van Bakel, ‘ideoloog van de vakbeweging’

Frans van Bakel was als verbondsbestuurder met ‘identiteitsvraagstukken en welzijnsbe­leid’ in zijn portefeuille voorzitter van de Commissie Geloof en Vakbeweging. Hij was in deze overgangs­periode nauw betrok­ken bij het zoek­pro­ces naar een nieuwe vertolking en vormge­ving van de identi­teit van de vakbeweging.De vraag naar de verhouding tussen geloof en maat­schappe­lijk handelen had voor hem een in zijn biografie gewor­telde diepe existenti­ële dimen­sie. Onderstaande fragmen­ten uit het inter­view dat Leo Mesman met hem had op 23 mei 1973 leggen daarvan getuige­nis af.

Traditioneel katholiek


Leo Mesman, auteur van dit artikel
Van oorsprong ben ik een traditioneel katholiek. Ik kom uit een gebied dat vroeger heel geďsoleerd was: de Peel. Voor de mensen daar bestond helemaal geen onderscheid in hun beleving tussen hun maatschappelijk en persoonlijk beleven en hun katholiek zijn. Dat viel gewoon samen. De maatschappij werd beschouwd als een gegeven waaraan niets te veranderen viel. Er waren mensen die wat rijk waren, mensen die het voor het zeggen hadden en mensen die een knechtenrol vervulden en dat hoorde dan ook zo. Je had maar te gehoorzamen, aan de pastoor, aan de burgemeester, aan de boer waar je knecht was en de directeur van het veenbedrijf waar je werkte. Dat werd be­schouwd als een gehoorzaamheid, die echt voortsproot uit je gelovig zijn.
Ook ik was, net als alle mensen in die tijd in die streek, bijzonder kerkelijk. Dat hield in dat je ’s zondags gewoonlijk naar twee missen ging en naar het lof en dan nog eens, na het lof, naar de Aartsbroederschap van de Heilige Familie. En zo was ongeveer je hele beleving en ook je leven vastgelegd.Dat kon ook zo blijven, omdat we vrij geďsoleerd leefden. De krant werd nauwelijks gelezen en er waren maar weinig mensen voor de Tweede Wereldoorlog die over een radio beschikten.
De eerste belangrijke cesuur in mijn leven was de overgang van landarbeider naar Philips in 1946. Dat was de overgang van een agrarisch leven, met een zekere vrije werksituatie, naar de industrie in de vorm van lopende band werk. Ik beschikte slechts over enkele diploma’s die ik op de avondschool had gehaald. Daarmee verbonden was de ervaring dat ik met mensen te maken kreeg die al twee generaties in de industrie werkten. Zij hadden een heel andere mentaliteit dan de landarbeiders. Ze hadden veel minder gevoel voor de sacrale elementen in het leven, die wij heel sterk beleefden in de wisseling van de seizoenen en het voortdurend omgaan met planten en dieren en met de grond. Het waren ook mensen die kritischer waren: kankeren! Het eerste dat mij opviel was dat men zijn werk deed, maar met bijzonder veel tegenzin. Verder dat men op zijn strepen stond. Hier bespeurde ik dat het kennelijk niet hoeft dat je alles min of meer fataal aanvaardt. Er waren in de schaft­tijd ook politieke discussies: of je wel of niet op de KVP ging stemmen of op de pas opgerichte Partij van de Arbeid. Dat alles bracht mij min of meer wel in een persoonlijk cri­sis, omdat ik niet alles onmiddellijk kon verwerken.

Van Gewestelijke Sociale School naar AC de Bruijn Instituut

Door mijn werk in de industrie kwam ik in contact met de vakbond. Ik ging naar de Gewestelijke Sociale School in Hel­mond, een avondschool, en vervolgens naar het A.C. de Bruijn-Instituut. Ik kreeg een vrij fundamentele vorming met wat economie, sociologie, geschiedenis en literatuur. De gods­dienstlessen stonden nog onder de signatuur van het oude katholicisme, waarbij alles nog ongeveer vaststond. Dat gaf in zekere zin een wat sterkere motivering aan mijn geloofsleven dat ook wat apologetischer werd.
Na beëindiging van de opleiding ging ik bij de diocesane bonden werken. Ik kreeg de leiding van het zogeheten ‘kernen­werk’, dat onder de naam ‘Cr­edo-Pugno’ (“ik geloof, dus ik strijd”) bekend stond. Dit richt­te zich op het vormings- en ontwikke­lingswerk op gods­dienstig en maatschappelijk gebied in de paro­chiële KAB-afde­lin­gen. Bij het godsdienstig vormingswerk, dat apolo­ge­tisch gericht was, ging het om het verdiepen van de ge­loofs­moti­va­tie en het vergroten van de weerbaarheid met het oog op het verde­di­gen van het geloof bij aanvallen enzo­voort. Bij de maatschappelijke vorming kwamen vooral ency­clieken aan de orde. Het ging daarbij vooral om het toepassen op concrete situaties van de sociale leer met als achterlig­gende gedachte de kerste­ning van de maatschappij.
Een tweede taak was het voeren van propaganda, waarbij het er vooral omging leden te werven en belangstelling te wekken voor het werk van de KAB. Dat werd niet allereerst vanuit de belan­gen gemotiveerd, maar vanuit de gedachte dat een katho­liek eenvoudig verplicht was om lid te zijn van een katholieke organisatie.  De formule bij dit alles was: vorming door actie en actie door vorming. Typerend voor die tijd was dat de leiding van dit soort vormingswerk in handen van een priester lag.
Tot midden jaren vijftig heb ik vrij kritiekloos die oude formule toegepast, maar geleidelijk aan ging ik ontdekken dat het toch niet meer zo goed functioneerde. Er kwamen geleide­lijk aan wat meer kritische vragen van mensen. Je kon ook niet meer goed duidelijk maken wat die kerstening van het openbare leven inhield. We ontdekten dat er een veel diepere motivering achter dat werk moest komen en dat het niet alleen ging om het toepassen van encyclieken. We gingen ‘herbronnen’ door in de scholing van degenen die het Credo Pugno-werk verrichtten de mensen in te leiden in het evangelie.

Oprichting NKV in 1963

Zelf was ik de katholieke sociale leer relatiever gaan zien. Het was te simpel om uit te gaan van een vast patroon van pauselijke boodschappen, vertaald in handboeken van daarvoor aangewezen personen.
Vrij snel daarna is het Tweede Vaticaans Concilie gekomen, maar de heroriëntatie is in dat stadium afgebroken, omdat toen de vraag aan de orde kwam of de diocesane bonden moesten blijven voortbestaan. De uitkomst van die discussie was de opheffing van deze bonden en de oprichting van het NKV in 1963. Ik ontdekte toen dat de problemen waar wij mee bezig waren in de periferie in de top helemaal niet leefden. Daar was men heel druk met sociaal-politieke besognes van alle dag. Maar een dieper liggende bezinning, een heroriëntatie, die wij al hadden gedaan aan de voet, dat lag ver buiten de belevings­wereld van de top. Wat mij bijvoorbeeld opviel was dat op het bureau nooit gepraat werd over het Vaticaans Concilie. Daar was niet de minste interesse voor. Dat was voor mij een heel merkwaardige ervaring. Ik had het gevoel dat er wel drie of vier NKV’s leefden en dat het NKV van de top een ander was dan het NKV aan de voet.
In mijn nieuwe functie, waarin ik mij vooral bezig ging houden met arbeidsmarkt- en werkgelegenheidbeleid, raakte ikzelf op den duur ook de voeling met de ontwikkelingen in de periferie kwijt. De interesse voor wat er in de kerk gebeurde, was sterk persoonlijk bepaald.
Bij de overgang van KAB naar NKV was afgesproken dat er een nieuw Visie-programma zou komen. Men besefte wel dat een moderne vakorganisatie een goed instrument biedt om mee te kunnen werken, maar dat dat ook nog met enige inspiratie, enige bezieling zou moeten gebeuren.
Voorbereid door de ontwikkelingen in het Credo Pugno-werk kwam bij mij een kentering, die het gevolg was van een groeiproces. Ik stelde de relevantie van het geloof, evangelie, sociale boodschappen voor de taak en functie van de vakbeweging ter discussie. Ik voelde dat het allemaal niet meer zo gemakkelijk onder woorden te brengen was en dat ik niet meer met die oude boodschap, die ik jarenlang verkondigd had, de mensen te lijf kon gaan.

Naar een nieuw visie-programma

De vraag naar een visieprogramma, die er dus al lag, werd urgenter toen een verdergaande samenwerking tussen de vakcen­trales aan de orde kwam. Daarbij speelde vooral de overweging een rol dat je gezamenlijk beter je taak als vakbeweging kon waarmaken. Hoewel binnen de NKV vooral in die strategische termen werd gediscussieerd, vond men wel dat we een eigen visie moesten formuleren. Wel was er twijfel of men een eigen NKV-programma kon maken in de zin van gemotiveerd uit katho­lieke beginselen. Er is toen voor gekozen om over samenwerking te gaan praten en tegelijkertijd te werken aan een visiepro­gramma.
De Commissie Geloof en vakbeweging is ontstaan vanuit de overweging dat het hele instituut van geestelijke adviseurs niet meer functi­oneerde. Er was twijfel of zij nog een zinvol­le inbreng in het NKV konden hebben. Was eigenlijk dat hele instituut niet uit de tijd? Toch was er behoefte om, zij het in een nieuwe vorm, een relatie met de kerk te hebben. Die werd, na overleg met kardinaal Alfrink, gevonden in de Commis­sie Geloof en vakbewe­ging. Deze bestond uit bestuurders van de vakbeweging en uit priesters die zich betrokken voelden bij het vakbondswerk.
Wat mijn persoonlijke opvattingen betreft, moet ik allereerst zeggen dat de tijd dat de sociale encyclieken voor het NKV normatief waren, voorbij is. Daartegenover staat dat in de laatste jaren vanuit Rome encyclieken gekomen zijn, die maatschappelijk gezien zeer progressief waren. Bovendien waren ze niet doctrinair, maar gingen ze in op de concrete noden van de wereld. Typisch is, dat het NKV niets met die stukken gedaan heeft. Ze zijn gewoon blijven liggen. Hier is de kans gemist van het NKV om in te spelen op en kerkelijk appčl, om een motivatie te vinden voor je maatschappelijk handelen en om ook een beetje uit te komen boven de strikte groepsbelangenopstel­ling. Als we praten over de relatie NKV-kerk moeten we veel minder denken in termen van een sterke relatie met de hiërar­chie, maar gaat het veel meer om de bereidheid om op een bood­schap van de kerk, die veel meer open en minder doctrinair gebracht wordt dan vroeger, in te spelen en te beoordelen op haar eigen betekenis. Ik zie kerkelijke boodschappen als een appčl: betrek nu deze boodschap in je overwegingen als je je beleid gaat bepalen. En betrek die, zo mogelijk, ook bij mentaliteitsbeďnvloeding of -omvorming van je leden. Anders gezegd: ik vind, dat de nieuwe opstelling van de kerk – en dan met name ook van de officiële kerk – in maatschappelijk op­zicht een aantal kansen biedt, die we serieus zouden moeten opnemen. Nu de kerk zich écht gaat engageren met maatschappelijke, sociale en politieke problemen in de wereld, zou het onverstaanbaar zijn als het NKV dat voor kennisgeving zou aannemen. Hier ligt gewoon een soort nieuwe kans. Maar niet zozeer een nieuwe kans om daarmee je eigen bestaansgrond te motiveren, maar een nieuwe kans om – wat we nu allemaal altijd gewild hebben – een nieuw soort bezieling, impuls aan je werk te geven en je werk in een wat breder kader te plaatsen dan het behartigen van groepsbelangen: het besef doen post vatten, dat je handelen repercussies heeft voor andere groepen in de eigen samenleving en wereldwijd. Dat moet je in je overwegin­gen betrekken.
Voor een moderne vakbeweging, die zich van haar verantwoordelijkheid bewust is, liggen er eigenlijk veel verde­re mogelijkheden vanuit de kerk gezien dan twintig, dertig jaar terug. Toen dacht men veel meer vanuit een geďso­leerd bolwerk een blauwdruk te hebben van een, wat men noemde, christelijke maatschappij. Bij de interne structuur van een nieuwe vakcentrale zou ik, ook geďnstitutionaliseerd, ruimte willen inbouwen om deze nieuwe benaderingswijze in te bouwen. Anders zou ik inderdaad het gevoel krijgen dat het tot een grote mate van pragmatiek vervalt.
Leo Mesman
Interview met Frans van Bakel, mei 1973
Eerder gepubliceerd in het Leo Mesman, Herman Noordegraaf en Jan Schrauwen, ‘Bezield. De inspiratiebronnen van de FNV‘, uitgave van de Stichting FNV Pers, 2003