Het geheugen van de vakbeweging

Over de niet-Europese wereld, antiracisme en antifascisme in de ITF-geschiedenis

en de rol van Edo Fimmen

door Bob Reinalda

Edo Fimmen-2Tijdens het eeuwfeest van de Internationale Transportarbeiders Federatie (ITF) in Londen, op 1 juli 1996, hield Bob Reinalda een toespraak naar aanleiding van het door hem geredigeerde boek The International Transportworkers Federation 1914-1945: The Edo Fimmen Era (Amsterdam: Stichting beheer IISG 1997). De toespraak werd afgedrukt in het boek Solidariteit. De eerste honderd jaar van de International Transportarbeiders Federatie (London: Pluto Press 1996) en wordt hier herdrukt.

De ITF heeft mij, als geschiedschrijver van de arbeidersbeweging en als docent, gevraagd te spreken over ‘lessen uit de ITF-geschiedenis’. De gedachte achter dit verzoek is dat diegenen die hun verleden niet kennen, de toekomst weerloos tegemoet gaan. In positieve bewoordingen: hoe meer we over ons verleden weten – over de wegen die wij gevolgd hebben – hoe beter wij het heden kunnen begrijpen; en deze inzichten dragen op hun beurt bij aan ons zicht op de toekomst, op de wegen die wij nog moeten gaan. Met andere woorden, in deze visie zijn verleden, heden en toekomst onderling verbonden.

Wel is een waarschuwing op zijn plaats, want er zijn geen kant-en-klare lessen. ‘Lessen’ zijn een kwestie van vragen stellen en proberen die vragen te beantwoorden. Óf en hoe dat gebeurt, hangt van u af, wanneer u vragen stelt als: ‘Waarom konden wij bepaalde doeleinden niet bereiken ?’ of: ‘Wat is precies onze kracht in die bepaalde strategie geweest ?’. Alleen u zelf kunt echte lessen uit de geschiedenis trekken. Alles wat ik kan doen en bijdragen is zoeken in archieven, oude papieren, tijdschriften en interviews. Ik kan noteren wat er is geprobeerd, met hetzij positieve hetzij negatieve resultaten. Ik kan de balans opmaken en proberen patronen te ontdekken in wat er is gebeurd, met inbegrip van een aantal elementen die u om welke reden dan ook liever vergeet. Ik hoop dat de geschiedenis u stimuleert na te denken over verleden, heden en toekomst.

Doorfunctioneren tijdens de Tweede Wereldoorlog

De ITF had de oorlog aan zien komen en het hoofdkantoor in augustus 1939 van Amsterdam naar Londen verplaatst. Tijdens de oorlog zette de ITF – anders dan vele andere vakverenigingen – het vakbondswerk voort, in het bijzonder voor de zeevarenden, wier uitgeweken bonden in Londen een gezamenlijke organisatie hadden opgericht: de Belgische, Deense, Nederlandse, Franse en Poolse Centrale Transportarbeiders Organisatie, met Jaap Oldenbroek als voorzitter. Deze kreeg het zelfs voor elkaar om de Britse loonschalen omhoog te brengen, die zeer ongunstig afstaken tegen die van de meeste andere geallieerde handelsvloten. De organisatie functioneerde totdat deze in de zomer van 1945 ontbonden werd. Vanwege de neutraliteit of om andere politieke redenen werden aparte bonden opgericht voor Zweedse, Griekse en andere zeevarenden in Engeland. Speciale activiteiten werden  ondernomen voor de Chinese en Indiase zeelieden, die lagere lonen ontvingen en goedkoper voedsel aan boord kregen dan hun blanke collega’s en die tegen deze vorm van discriminatie in verzet waren gekomen.

Vanwege de deserties en andere problemen met bemanningen, die talrijke Amerikaanse schepen na het uitbreken van de oorlog in de havens hielden, ondernam de ITF ook acties in de Verenigde Staten. Door bijeenkomsten met zeelieden en bezoeken aan schepen en havenautoriteiten kon de ITF een bijdrage leveren aan de oplossing van deze problemen. In mei 1941 werd een ITF-kantoor in New York geopend waar Omer Becu van de internationale organisatie van scheepsofficieren ter koopvaardij de ITF vertegenwoordigde.

Vanaf het begin had de ITF de geallieerde oorlogsinspanning van ganser harte ondersteund maar tegelijkertijd duidelijk gesteld dat de ITF een onafhankelijke organisatie was en dat ook zou blijven. Dat de ITF er in slaagde om door te functioneren als een onafhankelijke vakorganisatie en als steunverlener aan het ondergrondse verzet in Duitsland en andere nu bezette landen, kan aan de hand van drie factoren worden verklaard. In de eerste plaats waren de ITF-mensen als groep daartoe goed in staat. Zij kenden elkaar goed en wisten voor wie en voor wat zij vochten.

ITF SchiffahrtIllegaal in nazi-Duitsland verspreid nummer van die Schiffart

Een tweede factor – en ik had gezegd hierop terug te komen – was de steun van de niet-Europese wereld. Omdat het effectieve ledental van twee miljoen teruggelopen was naar 400.000 had de ITF zijn pogingen voortgezet om de niet-Europese wereld te bereiken. In maart 1940 was naar alle democratische bonden een brief gezonden waarin gevraagd werd de mogelijkheid van aansluiting bij de ITF te overwegen. Erkennend dat de ITF nog hoofdzakelijk een Europese aangelegenheid was, herinnerde de ITF in de brief aan het plan om in verschillende delen van de wereld zelfbesturende subsecretariaten op te richten. Wat de ITF betreft was er geen reden om met aansluiting te wachten totdat de oorlog voorbij zou zijn. Verwijzend naar het verlangen dat de stem van de arbeiders gehoord zou worden wanneer de vrede wordt getekend, stelde de ITF dat ‘de stem van de arbeiders alleen gehoord zou worden indien eerst een machtige internationale organisatie was opgericht, indien de door de arbeiders gestelde eisen kracht kan worden bijgezet’. Tijdens de oorlog sloten 32 bonden uit 15 niet-Europese landen zich bij de ITF aan. Feitelijk werd het effectieve ledental tijdens de oorlog verdubbeld, en dat stelde de ITF in staat onafhankelijk door te functioneren.

De derde verklarende factor is de samenwerking van de ITF met de Amerikaanse inlichtingendienst, wat de ITF vervoersfaciliteiten verschafte tussen Groot Brittannië en de rest van de wereld alsmede een positie aan de militaire fronten. Het was Oldenbroek die deze contacten in 1942 aanging. Hij bewaakte de onafhankelijkheid van de ITF door overeenkomsten op te stellen met het Amerikaanse Office of Strategic Services (OSS), de voorloper van de Amerikaanse CIA, en door zich ervan te verzekeren dat de OSS geen cent betaalde van enige ITF-activiteit. In plaats daarvan opende de ITF een eigen bankrekening bij de OSS in Washington.

Optrekken met de geallieerde troepen en voorbereiding op de naoorlogse periode

Van de contacten tussen OSS en de ITF en van het ondergrondse netwerk van de ITF in Duitsland en de bezette gebieden werd in juni 1943 verslag gedaan aan president Roosevelt. De samenwerking met de OSS bleef echter verborgen voor het Internationaal Vakverbond totdat Citrine er in januari 1944 achterkwam. Het verstoorde de relatie omdat Citrine meende dat de ITF zijn eigen onafhankelijkheid had opgegeven. Maar het leidde er niet toe dat het ITF-werk werd stopgezet. Ook de materiële steun van de ITF aan het Internationaal Vakverbond tijdens de oorlog ging gewoon door. In Londen werkte de ITF samen met de internationale beroepssecretariaten van mijn- en metaalbewerkers. Zij richtten zich via radio-uitzendingen tot de arbeiders op het vasteland.

Het ondergrondse netwerk van de ITF hielp de Amerikanen en geallieerde strijdkrachten om binnen te dringen in bezet Italië en Frankrijk, en in 1945 in nazi-Duitsland zelf. De samenwerking zorgde ervoor dat de ITF in een vroeg stadium in de naoorlogse situatie actief kon worden: in 1944 in Italië en Frankrijk en in 1945 in Duitsland. Bovendien was de ITF sinds 1943 betrokken bij het opzetten van nieuwe structuren voor het naoorlogse transport in Europa. De ITF participeerde in een subcomité inzake geallieerde samenwerking voor binnenlands vervoer en ontwikkelde tijdens conferenties van zijn secties van spoorwegarbeiders en zeelieden een vervoersbeleid voor het naoorlogse Europa, gebaseerd op de veronderstelling dat de economische integratie van Europa noodzakelijk was.

Tijdens de oorlog was de ITF actief gebleven binnen de Internationale Arbeiders Organisatie (IAO). De ITF was binnen de IAO tamelijk succesvol geweest wanneer men bedenkt dat een vijfde deel van alle IAO-overeenkomsten tot 1945 betrekking had op transportarbeiders. Tijdens de oorlog droeg Oldenbroek bij aan de vernieuwing van de IAO-strukturen, waaronder de oprichting van een Comité voor Binnenlands Vervoer. Dit verschafte de ITF een betere structuur om de sociale omstandigheden van werknemers bij de spoorwegen, het wegtransport, de binnenvaart en de havens aan te pakken.

Edo Fimmen, die sinds 1938 ernstig ziek was, overleed in 1942 in Mexico. Zelfs als niet al zijn ideeën zijn gerealiseerd (de continentale subsecretariaten), is er een duidelijk positieve balans. Dankzij Fimmen speelde de ITF een opmerkelijk actieve rol tijdens de Tweede Wereldoorlog. De ITF heeft bijgedragen aan de ondergang van fascisme en nazisme, en was goed voorbereid op een nieuwe, naoorlogse periode.

Lees het volledige verhaal…
Bob Reinalda_ITF toespraak1996 in ned. (003a)