Het geheugen van de vakbeweging

De vakbeweging in Vlaardingen 1890 – 1980

Een hechte organisatie in een stad van vissers, kuipers, havenarbeiders en metaalbewerkers

De eerste periode van de georganiseerde vakbeweging in Nederland is waarschijnlijk aan Vlaardingen voorbijgegaan. Pas in 1890 wordt de eerste bond door Jan Vrijhof opgericht, de Vlaardingse Kuipers Gezellenvereniging onder de zinspreuk ‘Wij Streven Naar Verbetering’. Dick Linders schrijft over een eeuw vakbeweging in Vlaanderen.

Willem Drop, prominent vakbondsman afkomstig uit VlaardingenWillem Drop, prominent vakbondsman afkomstig uit Vlaardingen

Vlaardingen telt tegen het eind van de 19de eeuw circa 13.000 inwoners. Velen werken als kuiper, als maker van kuipen die worden gebruikt voor het verpakken van door Vlaardingse vissers gevangen vis die wordt verkocht in Holland en geëxporteerd naar Duitsland. De werkomstandigheden wisselen met het seizoen. In de zomer wordt er gevist, en wordt er van vroeg tot laat gekuipt, soms de hele nacht door, kinderarbeid is regel. De kuiper werkt tegen tarief of stukloon. Valt de vangst tegen dan zijn er minder kuipen nodig en daalt het loon.

De Enquęte Arbeidersleven in Nederland uit 1907 geeft een mooi beeld van de kuipers: ‘Het kuipersbedrijf omvat, bevat behalve de langzaam opkomende grootindustrie, waarin het hout machinaal bewerkt en fust gemaakt wordt, kuipers die steeds handwerk verrichten (fust maken) en uit kuipers die acht maanden per jaar handwerk verrichten en vier maanden werkzaam zijn in de haringpakkerijen, waar zij haring in fust pakken en klaar maken voor verzending. De bedrijfsvormen zijn verbonden. Er zijn twee patroons die zowel handkuiperij, machinale houtbewerking als haringhandel drijven, die kuiperij en haringhandel uitoefenen, terwijl anderen fabrieksmatig werk laten doen of zich uitsluitend op de haringhandel toeleggen. Van de 746 kuipers zijn er 456 ook bij het haringbedrijf betrokken. 40 kuipers die ’s winters in de droge kuiperij werken, worden daar slechts geduld als zij zich verbinden ’s zomers op de haringloggers te werken.”

De enquęte betreft 671 volwassen mannelijke kuipers, 75 jongens tussen 14 en 18 jaar en 103 kinderen beneden 14 jaar! De arbeidstijd op de droge kuiperijen loopt uiteen: bij één patroon elf uur, bij vier patroons twaalf uur en bij alle overige patroons van twaalf tot zestien uur daags. In het seizoen, tussen half juli en eind november, is de arbeidsduur ongebreideld. Dan wordt meermalen van 90 tot 110 uur gewerkt, terwijl, omdat bijna uitsluitend op bestelling wordt gewerkt, soms overdag de werklieden rondslenteren en bij het invallen van de duisternis aan de arbeid gaan. In de ledige uren en dagen worden de werklieden bij de werkplaatsen gehouden, waar zij hun tijd verdoen, om op de wenken van de werkgevers gereed te zijn voor het werk. In het seizoen schieten vrouwen, meisjes, oude lieden en losse werklieden een handje toe. Overwerk wordt niet betaald, schaft- en rusttijden zijn er niet. In 1904 richt de Kuipersbond een verzoek aan de werkgevers om de nachtarbeid in het seizoen te beperken en een rustdag vast te stellen van zaterdagavond zes uur tot maandagmorgen zes uur. De ‘Vlaardingse Vereniging tot bevordering van de Visserij’ wijst het verzoek af omdat hun werklieden zelf om nachtarbeid vragen omdat ze de inkomsten niet willen missen, en als er ‘s zondags niet gewerkt wordt ‘de handel verloopt’.
Stukwerk, ontbreken van hygiëne wasgelegenheid en wc’s, werkloosheid na drukte, armoede na kortstondige verdienste, een jarenlang volgehouden onjuiste lichaamshouding bij het kuipen en verpakken, kinderarbeid, lange arbeidsduur en het ontbreken van een voor allen en de hele sector geldende loonregeling leiden ertoe dat wie niet sterk is er spoedig uitraakt, de overigen die blijven versuffen en gaan moreel en lichamelijk ten onder’. 
De Kuipersbond concludeert dat ze het op eigen kracht niet redden en pleit voor een wettelijke tienurendag en verbod op stukwerk. Ten onder, is dat niet teveel gezegd? Wie zichbuigt over de Armenzorg in Vlaardingen kan maar tot een conclusie komen: honderden mensen die niet meer kunnen werken zijn chronisch ziek of gehandicapt en volledig op bedeling aangewezen.[3] Heb je echt niks meer dan kun je terecht voor een kop soep met brood in de ‘soup-cokerij’, opgericht in 1804, en in gebruik tot de oorlog van 1940. ’s Winters wordt er soms turf uitgedeeld.

Op de schepen is de toestand even slecht, de lonen zijn laag, de reders leggen het risico bij de kapitein en de bemanning, ze varen op besomming en krijgen procenten van de opbrengst. De scheepsjongens en matrozen verdienen een rijksdaalder tot drie gulden per week, de volle matrozen negen gulden. Ze verrichten zware en zeer gevaarlijke arbeid, en moeten zelf zorgen voor oliegoed, laarzen en voeding. Hun vrouwen en dochters verdienen bij als werkster of nettenboetster. Als hun man of vader naar zee gaat, staan ze huilend op de kade. In 1839 keren drie hoekers niet terug; 23 weduwen en 54 wezen blijven achter. In 1878, 1881, 1883 en 1884 vergaan acht schepen in totaal. Daarna één in 1887, 1890 en 1903, twee in 1905, één in 1911 en 1914.
Vrouwen ´speten´of ´spieten´, ze rijgen haring aan stokken voor deze in de rokerij worden opgehangen. Een aparte Speetwet legaliseert de nachtarbeid van de vrouwen, hoewel de Algemene Arbeidswet van 1889 nachtarbeid voor vrouwen reeds verboden heeft.

De vroegste arbeidersverenigingen

De sociale verhoudingen in het stadje zijn patriarchaal; reders, dominees en kerkbesturen zijn leidend. Het Werkliedenverbond Patrimonium van 1890 is trouw aan de gevestigde machten en bestrijdt het socialisme. Het programma van de Werkmansvereniging Bid en Werk, ook van 1890, bevat: zondagsrust, ouderenzorg, onderwijs aan kinderen, bestrijden van misstanden in het handwerk, niet meer uitbetalen van loon in dranklokalen en ongevallenverzekering. De vereniging realiseert een pensioenfonds en een weduwenfonds voor de eigen leden.
De Afdeling Vlaardingen van de R.K. Volksbond is opgericht in 1894. De bond wil de godsdienstige en zedelijke belangen van de werklieden bevorderen, pleit voor zondagsrust, een goede verstandhouding tussen werknemers en werkgevers, en bestrijdt uitdrukkelijk het socialisme. In 1896 betrekt de vereniging een eigen gebouw op de hoek Markt Waalstraat. In 1910 worden er vakafdelingen gevormd. Er is het Elisabethfonds voor weduwen en het ziekenfonds Sint-Martinus.
Wat voor de RK Volksbond geldt, geldt eigenlijk voor alle verenigingen in Vlaardingen: de bestuurders zijn vooral bezig met het beheren van een verenigingsgebouw en van fondsen. Zij zijn er niet aan toe gekomen krachtige organisaties te maken die invloed uitoefenen. De vakbeweging en de kerken met hun diaconie maken een hopeloos versnipperde indruk.
In de jaren dertig heeft de Volksbond 300 leden, in 1945 wordt de naam veranderd in Katholieke Arbeiders Beweging (KAB). In 1955 gaat de KAB Vlaardingen op in de KAB Waterweg. In 1964 zijn er 800 leden. De KAB zoekt samenwerking met de bestuurdersbonden van het CNV en het NVV. In 1960 zetten ze gedrieën een steunactie op voor stakende bouwvakarbeiders In 1964 verandert de naam KAB in Afdeling Vlaardingen NKV.

De Kuipersbonden

In 1900 wordt Jan Buis voorzitter van de Kuipersbond, hij bepaalt een halve eeuw lang het beeld van de vakbeweging. De bond is eerst neutraal, maar wordt in 1906 lid van het NVV. Samen met Rotterdamse en Amsterdamse vakgenoten houden zij de Algemene Nederlandse Kuipersgezellenbond (1901 – 1906) in stand, aangesloten bij het NAS. Neutraal omdat de bond kuipers van alle gezindten wil organiseren, lid van het NVV omdat alleen door landelijke aaneensluiting resultaten kunnen worden bereikt. In 1908 sluiten de kuipers zich tot 1910 aan bij de Nederlandse Vereniging van Houtbewerkers te Zaandam. Jan Hoogerwerf trekt zich in 1910 terug om de bond in handen te geven van de bezoldigde secretaris-penningmeester-bode Willem Drop, die een grote loopbaan in vakbeweging en politiek zal gaan maken.

Lees het volledige verhaal van Dick Linders …