Het geheugen van de vakbeweging

NAS tegenover NVV

De Transportarbeidersstaking van 1920

In het jaar 1918 eindigde de Eerste Wereldoorlog. Overal in Europa broeide het en stonden werkgevers en werknemers in gespannen houding tegenover elkaar. Even dacht Troelstra dat het ook zijn tijd was om de macht over te nemen. Dankzij de revolutionaire bewegingen op dat moment en de angst voor verdere escalatie kon in eerste instantie veel binnengehaald worden, met name voor de vakbeweging. Naast loonsverhogingen, arbeidswet, acht urendag e.d. ontstond na de jaren van oorlog een nieuw elan.

Ledenwerfaffiche van de Centralen Bond van Transportarbeiders (NVV)

Toch was het zaak goed op de behaalde resultaten te letten en die te behouden. Aan de ene kant waren de werkgevers gefrustreerd omdat ze, in hun ogen onder dwang, te veel hadden moeten toegeven aan de wensen van de werknemers. Aan de andere kant stond de vakbeweging met haar leden voor de vraag, hoe het behaalde te behouden en uit te bouwen.

Ook toen gold een ijzeren wet: afhankelijk van het goed of slecht gaan met de economie kon er veel of weinig geëist of gevraagd worden (let op de nuance!) Althans, zo zou je daar, vanuit het sociaal democratisch NVV-perspectief tegenaan kunnen kijken. Het nog steeds bestaande anarcho-syndicalistische NAS (Nederlands Arbeid Secretariaat) hing een radicaal ander standpunt aan. Zij was er nog steeds op gespitst om conflicten om te zetten in stakingen en hier een algemene strijd van te maken. Naast deze hoofdspelers ter linkerzijde waren er nog neutrale, katholieke en christelijke bonden/centrales: een breed spectrum.

Het conflict in de havens

In de Rotterdamse en Amsterdamse havens waren de Centrale Bond van Transport en Havenarbeiders (CBT), aangesloten bij het NVV, en de Federatie van Transportarbeiders, aangesloten bij het NAS, de hoofdspelers. De Federatie had op dat moment de meeste leden. Tijdens de loononderhandeling in 1919-20 kwam het tot een confrontatie. Het was de bedoeling dat zowel werkgevers als werknemers in een loonraad zouden opereren, een soort ‘Raad van de arbeid’ waar de partijen elkaar zouden ontmoeten en waar onderhandeld kon worden op basis van cijfers en prognoses. Dit instituut was bedacht door de idealistische havenwerkgever Paul Nijgh.
Economisch gezien ging het goed in de havens. De werkgevers hadden zich goed georganiseerd en vormden een relatief hechte eenheid. Zij wilden niets toegeven tijdens de onderhandelingen met de bonden. Als motief voor hun weigering stelden ze “dat het hen niet juist leek om ten nadele van grote groepen der bevolking een verdere loonsverhoging toe te staan.” Hun frustratie bleek uit het opsommen hoe goed ze waren geweest en wat de arbeiders niet allemaal van hen verkregen hadden, zoals de achturendag, de vrije zaterdagmiddag en een vrijwel volledig verbod van zondagsarbeid.
In de onderhandelingen ging het om de wens van de bonden voor een weekloon van 38 gulden, de werkgevers gingen niet verder dan 37. De bonden vroegen een weekloongarantie van 40 gulden, de werkgevers wilden niet verder gaan dan 36. “Ik wil de kapitalistische maatschappij vernietigen. En omdat ik dat wil, werk ik niet mee aan de opvoering van de productie.” Bouwman, voorzitter van de Federatie wees hiermee elke CAO af. De besprekingen over een nieuwe CAO liepen vast.
In een brief aan de ondernemers spraken de bonden hun hoop uit op een herziening van het werkgeversstandpunt. Dit gebeurde niet. Van de leden van de CBT sprak zich 61 % voor een staking uit, van de Federatie 89 %. Sint Bonifacius gaf haar leden advies om zich te onthouden van actie, de protestantse bond vroeg haar leden aan het werk te blijven.
Op zaterdag 14 februari 1920 werd het werk vrijwel algemeen neergelegd. Eigenlijk was vooraf al zichtbaar hoe verdeeld de vakbeweging was, de discussie werd met grote heftigheid gevoerd. De piketpaaltjes voor de te volgen lijn werden diep in de grond geslagen.

De tegenstellingen

Keihard tegenover elkaar: ‘Klassenstrijd-David’ (NAS) tegen ‘Klassenvrede-Goliath’ (NVV) Bron: Uitgave NAS tgv 25 jaar NVV(1931) Heruitgebracht door Marxists.org

In ‘Het Volk’ werden Sneevliet en Bouwman van de Federatie er van beticht dat zij de staking zouden gebruiken om de revolutionaire politiek van de CPN te steunen ten bate van een wereldrevolutie. In die jaren waren de banden tussen een deel van de leden en kader van het NAS en de CPN nauwer geworden. Sneevliet antwoordde dat tijdens een communistische conferentie alleen maar over de staking en de financiële steun daaraan gesproken was.
De Internationale Transportarbeiders Federatie (ITF) deed alles om de staking te steunen en riep op tot boycot van Nederlandse schepen in buitenlandse havens. De Federatie verweet de CBT dat zij wel samen met haar had aangedrongen op een boycot van de te verladen goederen uit Nederland, maar niets deed aan het probleem dat het spoorwegpersoneel rustig de lading per trein naar Antwerpen en Hamburg liet gaan. Dit betrof zowel de arbeiders die de wagons losten en laadden, als de machinisten die de treinen bereden. Uiteraard speelde de discussie over de spoorwegstaking van 1903 en het stakingsverbod voor overheidspersoneel sterk mee. Het NVV liet via haar blad ‘De Vakbeweging’ weten niet mee te doen aan de revolutionaire gymnastiek van het NAS, en de Federatie en zocht haar heil in het beperken van de staking in de haven.
Om de actie te kunnen financieren, werden alle NVV leden aangeslagen voor vijf gulden en daarna een wekelijkse bijdrage. De Federatie kon steeds minder uitkeren aan haar leden. Voor Sint Bonifacius was de staking een ramp: zij bestond pas twee jaar en moest links en rechts geld gaan lenen. Tegen wil en dank raakte de Katholieke bond toch betrokken bij de staking. De ITF deed in april nog een poging tot bemiddeling maar na twee vergaderingen was het duidelijk dat de werkgevers niet wilden wijken.

Affiche van de Centralen Bond van Transportarbeiders (NVV)

De afloop

Na tien weken moest de staking beëindigd worden. Geen der eisen werd ingewilligd. De weg naar eenheid in de vakbeweging, een aloude wens, zou nog lang op zich laten wachten. De verwijten wederzijds zetten de discussie over de te voeren koers zodanig onder druk, dat er alleen sprake was van onderlinge strijd.
Het NVV probeerde om via een desnoods lange staking in een beperkt gebied, de havens, de strijd te winnen. De Federatie probeerde de staking zo breed en kort mogelijk te maken, ook in andere sectoren zoals de spoorwegen. Deze tegenstellingen zorgden ervoor dat er niet meer naar samenwerking tussen het NAS en het NVV zou worden gezocht. Van een Loonraad waarin partijen een platform vinden om te onderhandelen zou de eerste decennia geen sprake zijn.

Jan Rootlieb
januari 2007

Geraadpleegde literatuur:
  • ‘Onderweg’: uit een eeuw geschiedenis van de Vervoersbonden, Ger Harmsen en Floor van Gelder
  • ‘Naar groter eenheid’: Ernest Hueting ,Frits de Jong Edz, Rob Neij
  • ‘Voor de bevrijding van de arbeid’: Ger Harmsen/Bob Reinalda