Het geheugen van de vakbeweging

De geschiedenis van de CAO

In 1894 worden in de bouw en de diamantindustrie te Amsterdam waarschijnlijk de eerste tariefafspraken en arbeidsregelingen gemaakt. Tot het begin van de 20e eeuw was het gebruikelijk dat een arbeidsovereenkomst ondernemingsgewijs werd ingevoerd. De patroon was destijds baas in eigen bedrijf.

Toen de vakbeweging meer eisen gingen stellen werd het steeds meer een zaak van onderhandelen met eigenzinnige patroons. Een belangrijke doelstelling van de vakbeweging was een geharmoniseerde cao die voor de gehele bedrijfstak gold. Voor het gehele land zou een volgende stap zijn. Een goede belangenbehartiging was afhankelijk van erkenning van de vakorganisatie. De overheid wilde al in een vroeg stadium de cao per wet regelen. Zowel werkgevers als werknemers waren tegen. De eersten omdat dit ten koste ging van de baas in eigen bedrijf theorie. De werknemers waren m.n. tegen ná de invoering van de beperkende wetten van 1903 waarin het voor ambtenaren werd verboden om te staken. (zie ontstaan NVV op deze side!) Een jaar na de oprichting van het NVV kwam het “Comité van Actie tegen het Arbeidscontract” tot stand waarvan de SDAP, ANWV en NVV deel uitmaken. Samen met de SDAP heeft deze commissie invloed kunnen uitoefenen op de uiteindelijke wet die in 1907 werd aangenomen en in 1909 inging. De cao had vanaf dat moment een wettelijke basis.

De argumenten vóór een cao
Het NVV vond dat staken geen contractbreuk inhield doch dat dit het opschorten van de afspraken was. Wel werd er gewaarschuwd tegen te langlopende contracten van meer dan een jaar. Oudegeest zag de cao als middel om zowel de industrie als de vakbeweging te stimuleren, hij was voor langlopende contracten. Voor de vakbeweging was het afsluiten van een cao een erkenning als onderhandelingspartner en vertegenwoordiger van werknemersbelangen. De vakbeweging had dus duidelijk belang bij een cao om haar positie te versterken.

De argumenten tégen een cao
Als nadeel van een overeenkomst werd toen gezien dat de krachtsverhoudingen voor de duur van de cao helemaal stillagen en niet tot verder ontwikkeling van de organisatie der arbeiders leidde. Vooral de syndicalisten van het NAS waren deze mening toegedaan. Binnen die visie was de cao een “wapenstilstand” in de strijd tussen kapitaal en arbeid. Een ander gevaar dat werd gezien was de deskundigheid van details die vereist was voor het afsluiten van een overeenkomst. Dus een zaak van bestuurders. Deze zou een verdere afstand bewerkstelligen tussen bestuurders en gewone leden. Vooral als een cao voor een gehele bedrijfstak gold zou de gecompliceerdheid toenemen. Velen binnen het NVV dachten er net zo over, het was geen exclusieve gedachte van het NAS. De wet cao zal in 1927 ingevoerd worden.
De eerste landelijke cao
In de grafische sector kwam de eerste landelijke cao in 1914 tot stand. Het verdient hier stil te staan bij het feit dat deze cao geďnitieerd werd door de werkgevers. Zowel werknemers als werkgevers moesten georganiseerd zijn. Het was georganiseerde werkgevers verboden om ongeorganiseerd personeel aan het werk te hebben. Dit heeft voor de werknemers duidelijk voordelen opgeleverd maar ook voor de werkgevers! De laatsten namen het voordeel van prijsbescherming dankbaar in ontvangst. Zowel van binnen, als buiten de vakbeweging kwam kritiek los. Deze regeling deed denken aan het middeleeuwse gilde-stelsel en de consumenten betaalden de prijs was de kritiek. Binnen het NVV was men niet voor de regeling. Bij de katholieke en christelijke werk -nemers viel deze cao duidelijk binnen het denken over sociale ordening binnen een bedrijfsgemeenschap. Bindende arbeidsvoorwaarden, eigen rechtsspraak, verplicht lidmaatschap en prijstarief dwongen tot samenwerking.

De ingroei van de cao
Het aantal CAO’s wordt wel eens de graadmeter van de conjunctuur genoemd. Vooral in de crisisjaren nam het aantal CAO’s af. In 1937 komt de wet tot stand op het verbindend en het onverbindend verklaren van de CAO’s. (wet avv) Het biedt de minister de gelegenheid om CAO’s voor het gehele land bindend te verklaren. Dit had voor de vakbeweging als voordeel dat verschillen van betaling per regio weggewerkt konden worden. De vakbeweging was in het algemeen voor een landelijke cao. Werkgevers in diverse regio’s waren daar minder tevreden over. De poging van de SDAP om het onverbindend verklaren van een cao uit wet te laten mislukte. Naast het regelen van loon, vakantie, verhoudingen in het bedrijf e.d. zal de cao als een pilot voor de doelstellingen van de vakbeweging gaan fungeren. Vele CAO’s krijgen een landelijk karakter, verschillen worden op deze manier weggewerkt. De discussie over medezeggenschap startte al in de jaren ’20 en zal er uiteindelijk in resulteren dat de ondernemingsraad delen van de cao zal gaan controleren. Er ontstond, dankzij de invoering, stabiliteit op de arbeidsmarkt. Vakkwalificaties en scholing worden gekoppeld aan loontabellen die in het hele land gelden. Met name op dit gebied gaan werkgevers en werknemers samenwerken. Tijdens de wederopbouw na WO 2 zal blijken dat de cao o.a. een interventiemiddel van de overheid zal zijn om de lonen laag te houden!

Jan Rootlieb
25 januari 2006
Gebruikte literatuur:
Collectief geregeld, redactie Luuk Brug en Harry Peer
Voor de bevrijding van de arbeid, Ger Harmsen/Bob Reinalda