Op vrijdag 22 februari 2013 heeft Harry Peer een lezing gehouden over de geschiedenis van de medezeggenschap in Nederland. Verrassend is het aantal door hem naar voren gebrachte historische invalshoeken. Aan het slot doet hij een oproep voor het vasthouden aan het Rijnlandse model. De aanleiding voor zijn uiteenzetting is de opheffing van het GBIO met ingang van 1 januari dit jaar. Het GBIO, Gemeenschappelijk BegeleidingsInstituut Ondernemingsraden, is in 1975 opgericht door de Stichting van de Arbeid in opdracht van de Sociaal Economische Raad. Het GBIO is een standaarduitdrukking geworden in de wereld van ondernemingsraden. Het GBIO ondersteunde, begeleidde, coördineerde en stimuleerde de scholing van ondernemingsraden. Het bevorderde goed functionerende medezeggenschap en maakte scholing en vorming van ondernemingsraden mogelijk met een financiële bijdrage.
Harry Peer: Het GBIO was een begrip
De oprichting van het GBIO in 1975 met de verplichte premieheffing voor scholing is een belangrijke stap in de modernisering van de scholing voor ondernemingsraden. Die kwam toen pas eerst echt goed van de grond. Er werd officieel mee erkend, dat aansluitend op de doelstellingen van de WOR de training van OR leden een belangrijke bijdrage levert aan, zelfs noodzakelijk is voor de kwaliteit van de medezeggenschap en het overleg met de bestuurder. En daarmee het sociaal en economisch goed functioneren van de onderneming bevordert. De Wet OR van 1979 en het GBIO sluiten wat dat betreft heel goed bij elkaar aan.
Het GBIO is een begrip geworden en heeft in de 37 jaar van haar bestaan een ontwikkeling meegemaakt die we kunnen typeren aan de hand van de vier directeuren. Als eerste ‘de bouwer en douwer’ Meine Pit, in dezelfde eerste periode van ongeveer zestien jaar bijgestaan door bestuursvoorzitter professor Vollebergh. Pit heeft op zijn eigenzinnige en strenge manier de opleidingsinstituten in het gareel gekregen en er met zijn staf aan bijgedragen de OR een erkende plek te geven in sociaaleconomisch Nederland.
Pit werd in 1991 opgevolgd door de innemende en vriendelijke Gerben Bruinsma, die de vakbeweging en het trainingsvak goed kende en voor wie voorop stond dat medezeggenschap niet alleen een recht, maar ook een vak was. Tijdens zijn directeurschap werd het MISOR ingevoerd, cursisten werden geënquęteerd om de kwaliteit van de cursussen te volgen. De instituten konden de beoordeling dan gebruiken om de zwakke punten te verbeteren.
Jan Cremers, die in 2000 aantrad, bevorderde met zijn in Brussel opgedane internationale ervaring en wetenschappelijke nieuwsgierigheid het onderzoek naar het functioneren en het niveau van or-en. Ook activeerde hij de scholingsmarkt.
De sportieve opleider Bruno van Rijsingen kwam er in 2007 al gauw achter dat de kaarten in het bestuur van het GBIO anders werden geschud. Aan hem de taak het voorwerk te verrichten zoveel mogelijk aspecten van het GBIO-werk elders vorm te laten geven.
We maken met enkele kengetallen de balans op van 37 jaar GBIO. In 1976 waren er 7.922 deelnemers voor een OR-cursus, in 2011 waren het er 80.000. Het aantal cursusdagen liep op van 2.415 in 1976 tot bijna 19.000 in 2002, waarna zich met een enkele schommeling een daling inzette tot 16.000. Het aantal cursusdagdelen stond met 25.455 het hoogst in 2002. In 2012 vond naar schatting 98% van de OR-scholing in Nederland plaats met GBIO-financiering. Dat hoge percentage onderstreept wel de betekenis van het GBIO. Dat neemt niet weg dat veel ondernemingsraden meestal onder druk vanuit het bedrijf een deel van hun scholingsdagen niet gebruiken. Dat is niet erg als het niet nodig zou hoeven te zijn. Maar achterban en bestuurder hebben er recht op dat reorganisaties en inkrimping, flexibilisering, lean management, het nieuwe werken, de werkkostenregeling, het functieclassificatie- en beoordelingssysteem, enzovoorts, zo zorgvuldig en deskundig mogelijk worden behandeld. Met daarbij een goede omschrijving en afweging van organisatie- en werknemersbelangen.
Ondernemingsraden met visie, een eigen agenda, durf, daadkracht, gezag afdwingend, met een stevige basis aan kennis en vaardigheden, goed geschoold dus, zijn onmisbaar voor het bereiken van het in de WOR (artikel 2 lid 1) geformuleerde doel: het goed functioneren van de onderneming in al haar doelstellingen. Het GBIO heeft hierbij, gedurende zijn bestaan, een buitengewoon belangrijke rol gespeeld.
Harry Peer
trainer adviseur Odyssee