Het geheugen van de vakbeweging

Kaart van de Europese Unie

Carl Splinter over het ontstaan van de Europese ondernemingsraad

De Europese Unie en werknemersparticipatie

In 1983 ontstaat de European Round Table of European Industrialists (ERT). Doel van deze machtige lobbygroep was om verdere Europese integratie tot stand te brengen door grote strategische industriële en andere projecten van de grond te tillen. Een nieuw Europa zou moeten worden gecreëerd. Maar wel een zonder medezeggenschap van werknemers. In reactie daarop komt er een beweging op, die leidt tot de Europese Ondernemingsraad (EOR). FNV-kaderlid Carl Splinter, eerst bij Bredero Bouwbedrijf en later bij Stork, heeft er recent zijn Masterscriptie aan gewijd. De scriptie werd destijds genomineerd voor de FNV Scriptieprijs 2015.

Carl Splinter, auteur van dit artikel

Het offensief van Ronald Reagan en Margaret Tatcher dat zij in de jaren ’80 van de vorige eeuw voerden voor een neoliberale koerswending, heeft zijn uitwerking niet gemist. Een ongekende versnelling in de globalisering met alle gevolgen van dien kwam er mede door tot stand. Ruim baan geven aan het vrije ondernemerschap moest de stagnatie die zich op vele terreinen in de jaren ’70 manifesteerde doorbreken. De tot dan toe heersende politiek van sociaal- en christendemocraten met progressieve liberalen kon geen goed antwoord geven op die terugval. In de verschillende West-Europese landen had zich door de politieke samenwerking na  WO II een economie ontwikkeld waarin wettelijk en vrijwillig geregelde samenwerking en coördinatie tussen werkgevers, vakbeweging en overheid kenmerkend waren.

Werknemersparticipatie binnen bedrijven werd hierin een algemeen aanvaard gegeven. In Nederland was dit na 1950 aan de orde, maar op Europees niveau duurde het tot 1994 voor een wettelijke regeling de concerns dwong tot de instelling van Europese ondernemingsraden. De centrale vraag die zich hierbij als probleemstelling opdringt is: hoe valt te verklaren dat de werkgevers van Multinationale Ondernemingen (MNO’s) op nationaal niveau meegewerkt hebben aan een gecoördineerde economie met inbegrip van medezeggenschap, maar zich op Europees niveau tegen Europese regelgeving van medezeggenschap binnen MNO’s hebben verzet?

Liberalisme als struikelblok

De wettelijke participatie met de eerste Wet op de Ondernemingsraden (WOR 1950) was in Nederland een van de  resultaten van de strijd voor de ‘sociale kwestie’ die sinds 1870 met de industrialisatie scherpe vormen aannam. Verbetering van de levensomstandigheden van de arbeiders met hun gezinnen en hun invloed op het bedrijfsbeleid van de ondernemers waren voor deze sociale strijd leidend. Ondanks de inzet van progressieve ondernemers als Van Marken in Delft, was het liberalisme met zijn vrije ondernemerschap als dominante ideologie steeds weer opnieuw het grote struikelblok om tot deze verbeteringen te komen. Veelal geholpen door conservatieve krachten uit zowel liberale als religieuze hoek werd door ondernemers hun soevereiniteit binnen bedrijven consequent verdedigd. Socialisten, christendemocraten en progressieve liberalen wisten echter mede via hun organisaties met verbindingen in de verschillende zuilen stapsgewijs de levensomstandigheden en participatie voor de werknemers te verbeteren.

In een drietal lijnen van ontwikkelingen die op elkaar ingrepen en zich uitkristalliseerden in deze thesis , kreeg dit proces vorm. De politieke constellatie met haar, in kracht wisselende, tegenstellingen was een eerste dominante lijn. Wettelijke maatregelen op het gebied van arbeidsvoorwaarden waren er mede de resultanten van. De tweede invloedrijke lijn was de continue confrontatie over de arbeidsvoorwaarden en participatie tussen de ondernemers en de werknemers met hun organisaties. Dwars daardoorheen was er de derde ontwikkelingslijn van de internationaal georiënteerde ondernemingen als Unilever, Philips, Akzo en Shell, die reeds vanaf de eerste decennia van de twintigste eeuw meer en meer hun stempel drukten op de Nederlandse arbeidsverhoudingen. Ook bij de multinationale ondernemingen (MNO)  was de soevereiniteit van de ondernemer in hun bedrijfsstrategieën steeds weer het uitgangspunt.

De politieke- en sociaaleconomische verhoudingen, die zich in golfbewegingen gedurende verschillende periodes tussen 1870 en 1997 manifesteerden, bepaalden sterk deze drie ontwikkelingslijnen en hun wisselwerking. De scherpe confrontaties in het begin van de twintigste eeuw en de politieke spanningen direct na WO I en WO II waren periodes van omslag in de verhoudingen. Evenzo gold dit voor de jaren ‘60 en de crisisperiode van de jaren ’30 en ’70. De verschillende golfbewegingen gaven vorm aan een ontwikkeling van een platte liberale markteconomie naar de meer gecoördineerde markteconomie van het Poldermodel als Nederlands business systeem.

Kamers van Arbeid

Met de installatie van de Kamers van Arbeid in 1897 kreeg de tendens tot samenwerking haar eerste wettelijke basis. Op regionaal bedrijfstakniveau dienden deze kamers de samenwerking tussen patroons en arbeiders te bewerkstelligen. Antirevolutionairen en socialisten gesteund door progressief liberalen waren de promotors van deze in feite op PBO– ideeën gebaseerde wet. Ofschoon de Kamers van Arbeid van weinig betekenis waren, kreeg de PBO-gedachte onder met name de katholieken meer draagvlak. Na WO I resulteerde dit, in plaats van de door de socialisten aan de orde gestelde medezeggenschap, tot de instelling van de Hoge Raad van Arbeid in 1920 als adviesorgaan waarin werkgeversorganisaties, vakbeweging en overheid zitting hadden. De raad zou de voorloper zijn van de in 1950 geïnstalleerde SER, het wettelijke centrale instituut van de overlegeconomie op macroniveau. Bedrijfsraden zouden aan deze economie op mesoniveau van de bedrijfstak invulling gaan geven.  Met de WOR van 1950 werd op microniveau de wettelijke basis gelegd.

Opvallend in deze ontwikkeling is dat juist in die periode na WO II met een sterke vakbeweging, het kernwezen, dat in 1878 bij Van Markens fabrieken een aanvang kreeg, zijn apotheose beleefde. Ondanks de vereiste vrijwilligheid van de ondernemer was het, mede door de CAO en de Wet Algemeen Verbindend Verklaren (AVV) van 1937, tot een machtsfactor van betekenis uitgegroeid. De zwakte van de WOR van 1950 bood de ondernemingen in feite de mogelijkheid zich te ontdoen van de invloedrijke kernen.

In een drietal stadia van ontwikkeling groeide de OR van een aan de directie ondergeschikt ondernemingsorgaan, via een uitbreiding van haar bevoegdheden in 1971 , in 1979 naar een zelfstandig personeelsorgaan. Strategisch meebesturen bleef voor de OR uitgesloten, advies en instemmingsbevoegdheden op een beperkt aantal aspecten werden haar rechten. Evenzogoed bleef de OR, mede door de structuurwet van 1971, buitengesloten van ondernemingszaken die niet binnen de Nederlandse grenzen speelden. De economische terugslag van de jaren 1970, met afbraak en verplaatsingen van werkgelegenheid en de onmacht van zowel de vakbeweging als de OR/ COR toonden het gemis aan medezeggenschap op internationaal niveau.

Op wereldomvattende activiteiten van concerns konden vakorganisaties, kernen en ondernemingsraden, nagenoeg geen invloed uitoefenen. Ook op Europees niveau kwam daar in eerste instantie geen verandering in na de oprichting van de EGKS en haar opvolgers van de EEG en EU. Christendemocraten en sociaaldemocraten als initiatiefnemers van de Europese samenwerking gaven vooral prioriteit aan het naoorlogse economisch herstel. Ondanks dat binnen de West-Europese staten zich gecoördineerde  markteconomieën (CME) ontwikkelden, konden de concerns zowel uit deze staten als uit staten met een liberale markteconomie (LME) , zoals als de UK, de VS en Japan, onbekommerd expanderen. Gesteund door industriële organisaties als de UNICE van 1958 en de in 1967 opgerichte lobbyclub van concernleiders en de latere ondernemersclubs als de European Round Table met het campagneorgaan de European Enterprise Group, oefenden de concerns grote invloed uit op de politieke ontwikkelingen binnen de Europese gemeenschap. Uit deze thesis blijkt dat de leiders van de grootste Nederlandse concerns in deze lobbies een vooraanstaande rol speelden.

‘Oorlogsverklaring’ van VNO

De strak georganiseerde lobbies zorgden ervoor dat, ondanks het eind jaren ’60 ingezette streven in het Europees industriebeleid naar betere sociale en democratische verhoudingen, decennialang werknemersparticipatie op Europees concernniveau geblokkeerd kon worden. Aantasting van het vrije ondernemerschap, een beperking van de liberale markteconomie, was voor de concerns  onaanvaardbaar. De oorlogsverklaring van het VNO aan de Europese Commissie met haar plan voor participatie was hierbij tekenend.
De moeizaam van de grond komende Europese vakbeweging kon nauwelijks enige tegenmacht ontwikkelen. Het was de politieke wil van sociaal- en christendemocraten die de transnationale ondernemingen uiteindelijk in 1994 de verplichting tot participatie binnen de Europese Unie oplegde. Drie jaar later pas ratificeerde Nederland deze regelgeving en kreeg die een wettelijke grondslag. Hiermee kreeg het vierde stadium in de ontwikkeling van de ondernemingsraad als participatieorgaan binnen bedrijven reliëf .

Hoewel Nederland een gecoördineerde markteconomie (CME) kent en de Nederlandse concerns daar actief in deelnemen, bleken die concerns op internationaal en in het bijzonder op Europees niveau kost wat kost te kiezen voor de liberale markteconomie. De soevereiniteit van de ondernemer stond en staat met het neoliberale beleid, dat het Poldermodel onder druk zet, nog steeds centraal. Participatie als fundamenteel recht van de werknemer om over zijn toekomst mee te beslissen is daarbij in feite alleen van nut als managementtechniek om de productie te verhogen en arbeidsrust te bewerkstelligen.

Carl Splinter
December 2015

Naar de volledige scriptie…