Het geheugen van de vakbeweging

Dik Nas: ‘Het bal der debutanten’ (2)

Schijn bedriegt: de 19de eeuw, saai?

Door tijdgenoten wordt de negentiende eeuw wel als saai omschreven. Zij refereren dan vooral aan het verlies aan status dat de Nederlandse natie heeft geleden op het wereldtoneel. De ‘Gouden Eeuw’ is het tijdperk waarnaar verwezen wordt, onder het motto, ‘dat toen alles beter was’, dynamischer, meer ondernemend. Wie beelden van de negentiende-eeuwse samenleving aanschouwt en zich daarbij de literatuur van Hildebrand, met bijvoorbeeld zijn familie Stastok voor de geest roept, is licht geneigd om de saaiheid van het kalm voortkabbelende bestaan te onderschrijven.

Mijn oom was iemand, wiens grootvader en vader een zeer bloeiende, en die zelf een vrij bloeiende lintweverij gehad had; om de strikte waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij ze nog had, maar er werd volstrekt niet meer in gewerkt, en op de zolders lag nog een aanzienlijke partij oortjesband[1] die hij ‘liever daar zag verrotten dan haar onder de markt te verkoopen.’ Hij behoorde alzoo tot die menschen, die hun zaken aan kant gedaan hebben en, het uitzicht op verdere winsten opgevende, zich met een vrij aardig inkomen, een onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de Haarlemsche courant tevredenstellen.[2]

Schijn bedriegt. De negentiende eeuw is verre van saai. Het is de eeuw waarin vrijwel alles verandert en de basis wordt gelegd voor een samenleving zoals we die nu kennen. Het begrip ‘eeuw’ moeten we ruim nemen: van het midden van de achttiende eeuw tot na het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog.

Klik hier voor introductie op en andere afleveringen van ‘Het bal der debutanten’ 

De industriële revolutie

Medio achttiende eeuw komt in Engeland een industriali­sa­tie op gang die later de Industriële Revolutie genoemd zal worden: transport, stoomkracht, (giet)ijzer, machines en massafabricage nemen in onderlinge samenhang een niet te overschatten plaats in. Het gaat niet van de ene op de andere dag, maar het geeft de samenleving wel een volledig ander aanzien. De lange negentiende eeuw is in vrijwel alle opzichten een bal der debutanten. Zowat alles wat onze huidige samenleving kenmerkt komt in dit tijdperk voor het eerst voor het voetlicht. De westerse wereld verandert van agrarisch en feodaal in industrieel en democratisch. In de economie doet de techniek zijn intrede en ondernemingen veranderen van arbeidsintensief in kapitaalintensief. Zeggenschap vanwege bezit van productiemiddelen gaat de plaats innemen van invloed van grondbezitters en handelskapitalisten. Het feodale stelsel gaat op de schop en wordt vervangen door vertegenwoordigende democratieën. Politieke partijen nemen geleidelijk aan het roer over van regenten in de steden en het feodale bestuur op het platteland. De vorstelijke almacht wordt vervangen door parlementaire bestuursvormen die in de westerse wereld na de Eerste Wereldoorlog hun afronding krijgen met het algemeen kiesrecht. Het industriële grootbedrijf verdringt het ambachtelijke kleinbedrijf en massaproductie doet zijn intrede. Verandering in de machtsstructuur doet de arbeidsverhoudingen wijzigen. De organisatie van het bedrijfsleven in gilden verdwijnt samen met de lokale marktwerking die overgaat op nationale en internationale markten. De economie wordt meer en meer een spel zonder grenzen. Dat weerspiegelt zich in de veranderende opvatting over arbeid, de moraal in de samenleving, het onderwijs, de stand van de wetenschap, de opkomst van een middenstand en in de literatuur en de kunst. Marx’s stellingname: de economische onderbouw bepaalt de culturele bovenbouw, doet zich volop gelden.

Gedenkschriften

Ik was nog niet zo lang lid en kaderlid van de Algemene Be­drijfsgroepen Centrale (ABC)[3] toen ik in 1970 een ‘klusje’ voor een collega, een bondslid, oploste bij de PZ-afdeling van het bedrijf waar we werkten. Als waardering kreeg ik van deze collega de gedenkschriften van Pieter Jelles Troelstra en nog bijzonder­der een encyclopedie op kranten­papier in dag-afleveringen uit Het Vrije Volk. De collega had deze trouw dag aan dag uitgeknipt en bewaard. De krantenknipsel encyclopedie vulde een schoenen­doos. Het gebaar van waardering voor een goed opgeloste zaak trof mij in eerste instantie meer, dan de attributen die er als cadeautje werden bijgeleverd. Het zijn jarenlang de eerste twee stukken gebleven voor een bibliotheek over de geschiedenis van de arbeidersbeweging zoals ik die nu bij elkaar heb verzameld. Alhoewel ik indertijd wel de gedenk­schrif­ten van Troelstra heb gelezen, zijn ze mogelijk toch niet de beste start om iemands interesse te wekken voor de ge­schiede­nis van de arbeidersbe­weging. Enige jaren later trad ik in dienst bij de Metaalbedrijfsbond NVV, tegelijkertijd met acht anderen, enige maanden voordat de Industriebond NVV werd opgericht. In de introductie­pe­riode legden we bezoe­ken af bij de verschillende afdelingen op het hoofdkan­toor. Zo ook bij de afdeling archief en bibliotheek. Er lag hier nog een flinke stapel gedenk­boeken[4] van de ANMB[5] uit 1936. Het was geen be­zwaar dat ik er een paar van meenam. Sindsdien is de collectie blijven groeien, al is het wat meer ‘fanatieke’ verza­melen pas later ontstaan. Het gedenkboek boeide mij zeer. Niet alleen vertelde het mij het nodige over de historie van de organisatie waar ik nu bij was gaan werken, maar het vertelde het ook nog op een boeiende wijze. Je zou kunnen zeggen dat de verdienste van het boek is dat het niet per se een geschiedenisboek wil zijn, maar het een verhaal is van mensen, hun armoede, hun tekort­komingen, hun geloof maar bovenal hun geploe­ter.

Vragen over ‘het waarom’

Harmsen/ Reinalda ‘Voor de bevrijding van de arbeid’ (1975)

De belangstelling voor ons erfgoed ‘de beweging’ groeide bij mij. Deze belang­stelling werd gelukkig bevredigd door de groeiende belangstel­ling, in de jaren ’70, voor (de geschiedenis van) de arbeidersbeweging op universiteiten, bij studenten en bij uitgeverijen en leidden tot een aantal publicaties, uitgaven en heruitgaven, die nu tot de standaardwerken gerekend kunnen wor­den. Na een bredere kennismaking met hetgeen geschreven is over de geschiedenis van de arbeidersbeweging blijft voor mij vooral de beschrijving van het begin van de arbeidersbeweging en de verklaring van het waarom van de beweging onbevredigend. Grofweg wordt de startfase als volgt verklaard: De arbeiders­beweging in Nederland komt laat opgang, enerzijds is dat te wijten aan de late opkomst van de industrie en anderzijds door de slappe geest van de arbeiden­de bevolking die eerder haar ellende verdrinkt in de jenever dan tot verzet tegen hun ellendige omstandigheden te komen. In Om de plaats van de arbeid zegt Frits de Jong het als volgt: “Deze economische verandering immers [van vroegkapitalistisch naar modern-kapitalistisch], in ons land later dan in de omringende landen opgetreden, heeft het lot der arbeidersklas­se in hoge mate bepaald.[6] Harmsen en Reinalda kijken daar in Voor de Bevrijding van de arbeid iets anders naar: “Onder bepaalde groepen handwerkers en hooggeschoolden arbeiders in loondienst is na de opheffing van de gilden de onderlinge band waarschijnlijk nooit verloren gegaan. In ieder geval horen we al vroeg van onderlinge hulp bij ziekte, invaliditeit en overlijden. De hiertoe gestichte verenigingen staan bekend als ziekenbussen en dooiefondsen. Ook bestaan er rond 1840 ontwikkelings- en ontspanningsverenigingen van vakgenoten.”[7]

Overeenkomsten en verschillen

De Jong Edz. ‘Om de plaats van de arbeid’ (1956)

De overeenkomst tussen beide is dat ze weinig specifiek zijn in hun duiding en de nodige vragen nalaten. Het verschil is dat De Jong de arbeidersbeweging laat in de negentiende eeuw laat ontstaan, terwijl Ger Harmsen en Bob Reinalda een zekere continuïteit vanuit de achttiende eeuw suggereren. Maar in hoeverre bepaalt het vroeger of later op gang komen van deze economische verandering het lot van de arbeidersklasse? Was daardoor de arbeidersklasse in de ons omringende landen beter af of juist slechter? En afgezien van het Verenigd Koninkrijk, want het is een waarheid als een koe dat als je niet de eerste bent je later komt, geldt dat later komen dan ook voor de overige ons omringende landen? Evenzeer geldt de vraag, of de gedachte van Harmsen en Reinalda, dat er een zekere doorloop uit de gildetijd bestaat, niet te romantisch is. Waar en bij welke beroepsgroepen dat heeft plaatsgevonden wordt niet benoemd en laat zich slecht onderzoeken. Door enerzijds de gilden in Nederland te inventariseren en anderzijds zoveel mogelijk oprichtingsdata van (plaatselijke) vakbonden te verzamelen heb ik getracht plaatsen te vinden waar mogelijk een doorloop kan zijn geweest. Aan de hand van deze inventarisatie kan worden vastgesteld dat een dergelijke doorloop niet is te vinden en derhalve met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bestaat. Tussen het opheffen van de gilden en het stichten van vakbonden bevindt zich een gat van een halve eeuw of langer, wat betekent dat zelfs van een zekere personele unie niet of nauwelijks sprake kan zijn geweest. Bovendien moet bedacht worden, enkele knechtgilden daargelaten, dat gilden op zijn best als voorlopers kunnen worden beschouwd van werkgeversverenigingen.

Emancipatie in de ijskast

Al in de achttiende eeuw bereiken de ideeën van de Verlichting ons land en ze missen hun uitwerking niet. Genootschappen die zich bezig houden met bestudering en verspreiding van de ideeën worden opgericht. De Franse revolutie, een product van de Verlichting, slaat om van een streven naar ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’, in een machtstreven van een totalitaire staat, met tirannie, bezetting, oorlog, economische stagnatie, armoede en ontwrichting. Na de val van Napoleon is Nederland een ontredderd land, waar revolutie een vies woord is geworden, dat je maar liever niet in de mond neemt. Het kind wordt zo met het badwater weggegooid en noodzakelijke maatschappelijke en bestuurlijke vernieuwingen stagneren. Sterker nog: de restauratie gaat zo ver dat ze van de Republiek der Zeven Provinciën een monarchie maken met een totalitaire vorst. De door het Continentaal Stelsel lamgelegde economie maakt wederopbouw van de sterk verarmde natie tot een moeizaam karwei. Emancipatie van de burgerij, op gang gekomen in de tweede helft van de achttiende eeuw, gaat (voorlopig) in de ijskast, terwijl voor de onderste lagen in de samenleving te weinig werk is en zij hun leven moeten slijten in behoeftige omstandigheden.

Lessen uit de geschiedenis

Geschiedenis is een nooit aflatend proces van emancipatie van steeds nieuwe groepen: steden, burgers, immigranten, protestanten, vluchtelingen, middenstanders, katholieken, werklieden, vrouwen, jongeren, ouderen, homo’s, allochtonen, … die ook gerespecteerd wensen te worden en een ruimer plekje onder de zon willen innemen. Dit ‘indringen’ binnen de gevestigde orde gaat vrijwel altijd gepaard met ‘auw’, aangezien reeds gevestigde groepen maar zelden willen inschikken. Wie niets of weinig heeft wil graag delen, maar wie iets heeft (te verliezen) deelt meestal niet graag. Gebrek aan perspectief of individueel onvermogen vertaalt zich bij onderliggende groepen vaak in lethargie. Vindt de emancipatie van de arbeid niet zijn oorsprong in de gilden, de aanvang van het emancipatieproces van de werklieden wacht ook niet totdat Nederland is geïndustrialiseerd, maar begint zich voorzichtig af te tekenen eind achttiende eeuw, een tijd waarin de Verlichting en de Franse Revolutie hun schaduwen vooruitwerpen en ook in Nederland aanhang verwerft. De ‘gelovigen’ van de Verlichting en de ‘gelovigen’ van de wonderen der techniek, menigmaal in dezelfde personen verenigd, komen zelden uit de hogere (bestuurlijke) klasse, maar uit de groep van gegoede burgers, vaak behorend tot een ‘disenter’ geloof en niet tot de staatskerk. Ze verenigen zich in genootschappen, die ze maatschappijen noemen en zich bezighouden met uitwisseling en verspreiding van de verlichte ideeën. De eerste maatschappij die zich bezig gaat houden met ‘verheffing’ van het gewone volk is de Maatschappij tot Nut van het Algemeen (opgericht in 1784), beter bekend als Het Nut, of ’t Nut, die dat nastreeft, en dat oogt nog steeds heel modern, door verbetering van onderwijs en leermiddelen. De eerste stapjes in de emancipatie van de werkman zijn hiermee gezet, al is dat dus niet door hemzelf.

Wat we eruit kunnen leren is dat de ideeën voor een arbeidersbeweging voortkomen uit de Franse Verlichting en in ons land zijn eerste aanzet krijgt eind achttiende eeuw, maar spoedig daarna welhaast in de kiem wordt gesmoord in de ‘Franse Tijd’, die desastreuze economische gevolgen heeft. Als halverwege de negentiende eeuw Nederland weer wat is opgekrabbeld wordt de ‘rode draad’ van noodzakelijke bestuurlijke, maatschappelijke, technische en economische veranderingen weer opgepakt.

Dik Nas
Gepubliceerd januari 2023 


[1] Oordjes- of oortjesband is lint dat voor een oortje (¼ stuiver) de el werd verkocht.

[2] Hildebrand, ‘De familie Stastok’ in: Camera Obscura (Haarlem 194647) p. 51.

[3] De ABC is een voortzetting van de Nederlandse Vereniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA) opgericht op initiatief van het NVV in 1907. De ABC fuseerde op 1 januari 1972 met de Algemene Bedrijfsgroep Textiel en Kleding (ABTK) ‘De Eendracht’ en de Metaalbedrijfsbond NVV en vormden gedrieën de Industriebond NVV.

[4] G.v.d. Houven, Een Halve Eeuw Gedenkboek van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond 1886-1936 (Amsterdam 1936).

[5] Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond opgericht 17 januari 1886. Sinds 1951 Alge­mene Nederlandse Metaalbedrijfsbond en vanaf 1968 Metaalbe­drijfsbond NVV. Is in 1971 opgegaan in de Industriebond NVV en vervolgens gefuseerd tot Industriebond FNV en FNV Bondgenoten.

[6] Fr. de Jong Edz., Om de plaats van de arbeid (Amsterdam 1956) p.3.

[7] G. Harmsen en B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid. Beknopte geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging (Nijmegen 1975) p. 36.