Het geheugen van de vakbeweging

Algemeene Nederlandsche Metaalbewerkerbond (ANMB)

Eerst in de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelt zich in Nederland de metaalindustrie. Alhoewel er eerder sprake is van plaatselijke organisaties komt de vakorganisatie onder metaalbewerkers eerst tegen het einde van de 19de eeuw van de grond. Het duurt tot de jaren twintig van de 20ste eeuw aleer de metaalbewerkersbonden toonaangevend zullen zijn in de Nederlandse arbeidsverhoudingen.

Het ijzeren tijdperk
Het dal van de Severn in Engeland is de bakermat van het ‘moderne’ gietijzer en daarmee de geboorteplaats van de ‘Industriële Revolutie’. Het diepe dal beschikt over belangrijke delfstoffen voor de ijzerindustrie: kalkzandsteen, ijzererts en kolen. De plaats die nu bekend is als Ironbridge luisterde eertijds naar de naam van Coalbrokedale. Het is hier dat de ijzerindustrie zijn start vindt. Het is Abraham Darby, een Quaker en messinggieter, die er in 1709 in slaagt, in een gehuurde oude houtskooloven, ijzer te smelten met goedkope kolen in plaats van dure houtskool. Reeds anderen hebben voor Darby getracht ijzer te winnen met behulp van kolen. Het is de zwavel in de kolen die deze pogingen tot dan toe hebben doen stranden. De Gorge helpt Darby een handje. De aanwezige kolenlagen leveren zwavelarme kool, de z.g. ‘Sweet Coal’. Darby staat met zijn ontdekking aan de wieg van de Industriële Revolutie. Zijn gietijzer zal de wereld van aanzien doen veranderen. Alle omstandigheden die uiteindelijk tot succes leiden zijn in de Gorge aanwezig: waterkracht, transport over water, kolen, erts en kalksteen voor de toeslag. Het duurt evengoed toch nog zes jaar voor Darby een goed product levert en dan nog voor een beperkte markt. Gietijzer is hard en niet goed smeedbaar en derhalve alleen geschikt voor gietstukken. Vooralsnog blijft smeedijzer, geproduceerd in hoogovens gestookt met houtskool, in gebruik. Eerst nadat ontdekt is hoe in een z.g. Cupol-oven door poedelen (opnieuw verhitten en roeren) het koolstofpercentage kan worden verlaagd, komt er een ’taaier’ soort ijzer, dat ook als smeedijzer bruikbaar is.
De Industriële Revolutie is allerminst een ‘revolutie’, maar een ontwikkeling van jaren en jaren. Het meest interessant zijn de min of meer parallelle gebeurtenissen die elkaar beďnvloeden en versterken. De samenhang laat zich niet in een paar woorden duiden, daarvoor is het te complex. Het is een spectaculaire evolutie, vanwege zijn duurzame en indringende invloed op de samenleving, maar geen revolutie hetgeen immers een fundamentele verandering met onmiddellijke ingang betekent. Je kan zeggen dat de ‘Industriële Evolutie’ zijn basis vindt in ijzer en kolen. Samen maken ze de (stoom)machines. Ze leveren de energie en de apparatuur. De negentiende eeuw zou je met enige dichterlijke vrijheid het ijzeren tijdperk kunnen noemen. Gietijzer aanvankelijk alleen aangewend voor huishoudelijke attributen, als potten en pannen krijgt een steeds wijdere aanwending. Het meest in het oog springend is het gebruik van ijzer als constructiemateriaal van bruggen, stationsoverkappingen en grote hallen zoals, het Paleis van Volksvlijt te Amsterdam of het Chrystal Palace in Londen. ‘Wolkenkrabbers’ zoals het beroemde New York Statebuilding worden mogelijk vanwege de toepassing van staalconstructies. Ook veel ‘straatmeubilair’ is van gietijzer. Voorbeelden daarvan zijn de lantaarnpalen rond het Paleis op de Dam in Amsterdam of op het Bickerseiland, eveneens te Amsterdam. Deze lantaarnpalen zijn afkomstige van de voormalige gieterij De Prins van Oranje te ‘s-Gravenhage.

De wereld van ijzer

Zowel de beperkte binnenlandse vraag als het ontbreken van de nodige grondstoffen zijn bepalend voor de ontwikkeling en het karakter van de Nederlandse metaalindustrie. Ondanks deze beperkingen bestaat er aan het eind van de 19de / begin 20ste eeuw een belangrijke metaalindustrie. ‘Metaalindustrie’ is een lastig begrip aangezien een groot aantal qua product en productieproces geheel verschillende bedrijven tot deze bedrijfstak worden gerekend. De metaalindustrie kan worden onderscheiden in: basis-metaal- (o.m. Hoogovens en gieterijen), metaalproducten-, machinebouw-, transportmiddelen-, electrotechnische- en optische en instrumentenindustrie. De ijzerproductie is in het midden van de 19de eeuw beperkt tot vier hoogovens met ongeveer 400 werknemers. Daarnaast is er sprake van een groot aantal gieterijen, blikslagerijen en (grof-) smederijen. Het betreft hier kleinschalige bedrijven, die weinig gemechaniseerd en gespecialiseerd zijn en voornamelijk producten op bestelling leveren voor huishoudelijk gebruik of voor het leger. Na 1850 komt de machine-industrie op en is er sprake van toenemend gebruik van ijzer voor de scheepsbouw en voor constructiedoeleinden. De ontwikkeling naar de verschillende bedrijfstypen is qua werkgelegenheid geheel verschillend. Deels is er sprake van grootbedrijf, zoals de scheepsbouw, Hoogovens en Philips, met honderden en in een aantal gevallen zelfs duizenden werknemers. Maar overwegend blijft het kleinbedrijf overheersen. In 1980 nemen bedrijven met minder dan tien werknemers 70% in van het totaal aantal bedrijven in de metaalindustrie. Tussen 1900 en 1960 groeit de bedrijfstak van 50.000 tot 225.000 werknemers.

De oprichting van de ANMB

Op zondag 17 januari 1886 komen in het gebouw Walhalla in Den Haag de bestuursleden bijeen van de Amsterdamse IJzer- en Metaalbewerkers-vereeniging met die van de Haagse metaalbewerkersvereniging Vooruit. Op die zondag wordt de IJzer- en Metaalbewerkersbond in Nederland opgericht. Slechts twee afdelingen kent de bond bij oprichting. Al zal nog in hetzelfde jaar de Dordtse Machinewerkliedenvereeniging zich aansluiten. De bond, die bekend zal worden onder de naam Algemeene Nederlandsche Metaalbewerkerbond (ANMB), is de oudste voorloper van FNV Bondgenoten. Het bedrijf Enthoven in Den Haag is de bakermat van de Haagse arbeidersbeweging in de metaalindustrie en mede de bakermat van de ANMB. In 1871 wordt in Den Haag een afdeling opgericht van de Eerste Internationale. De reeds bestaande vereniging van smeden sluit zich bij de deze afdeling aan. Één van de oprichters is Louis Abas, een werkman in dienst van Enthoven. Dat de smedenvereniging zich vrijwel onmiddellijk aansluit bij de Internationale is ongetwijfeld aan Abas te danken. De pletterij Enthoven heeft in 1871, vanwege een grote order van het Staatsspoor, volop werk, als er door de werknemers om een loonsverhoging wordt gevraagd. De werkgever in het nauw gebracht antwoordt op de vraag: dat een ieder die loonsverhoging wenst zich kan melden. Na aflevering van de order worden krijgen de werknemers die zich hebben gemeld in plaats van een loonsverhoging ontslag. Aan een delegatie van de werknemers deelt de werkgever mee dat de ontslagenen hun arbeidscontract hebben verbroken. Onder hen zijn werknemers met tien en meer dienstjaren. Door een honderdtal werknemers wordt het werk neergelegd. Na enkele weken moet de staking worden opgegeven omdat steun van de Internationale, waarop de stakers rekenen, uitblijft. Zonder precies te weten wanneer Thomas, de eerste secretaris van de ANMB, in dienst is getreden bij Enthoven, moeten we aannemen, dat zowel hij als zijn vader de staking van nabij hebben meegemaakt. Na een congresbesluit van de Sociaal-democratische Bond (SDB) in 1883 spoort Domela Nieuwenhuis Thomas aan om een vakvereniging van metaalbewerkers op te richten. Op 10 januari 1885 wordt, door Thomas en vier andere arbeiders van wie er drie eveneens bij Enthoven werken, de Haagse metaalbewerkersvereniging Vooruit gesticht. De zinspreuk van de vereniging is ‘loon naar behoefte’. Het is deze vereniging, die samen met de Amsterdamse metaalbewerkersvereniging, op 17 januari 1886 de IJzer- en Metaalbewerkersbond opricht. Het eerste levensteken van de IJzer- en Metaalbewerkersbond, verschijnt in Recht voor Allen van 6 februari 1886. Het is een beknopt politiek programma, ondertekent door Thomas. De activiteiten van Thomas leveren hem een vermaning op van zijn werkgever. Enthoven schijnt gezegd te hebben: “je moet dan zelf maar weten wat je buiten de fabriek wilt doen. Maar denk er om, de fabriek moet je ongemoeid laten. Zodra je daarover in ’t openbaar gaat spreken, ben ik verplicht je te ontslaan”. Het mag nu misschien verwondering wekken dat juist Den Haag zo´n vooraanstaande rol speelden onder de metaalbewerkers, maar in de tweede helft van de negentiende eeuw kent de stad met o.m. de pletterij Enthoven en de gieterij De Prins van Oranje een belangrijke metaalindustrie.

De grote metaalstaking

1921 is een jaar van economische malaise. Door lage lonen en lage invoerrechten kunnen Duitse metaalbedrijven zwaar concurreren op de Nederlandse markt. Op 5 en 6 oktober 1921 plaatsen de Nederlandse metaalwerkgevers een advertentie waarin zij een loonsverlaging aankondigen van tenminste 10% voor volwassenen en 15% voor minderjarigen. Overleg met de werknemers wordt niet nodig gevonden. Op 31 oktober wordt door 14.000 werknemers bij 55 bedrijven het werk neergelegd als verzet tegen deze loonsverlaging; al spelen zaken als het invoeren van een persoonlijk minimumloon en arbeidstijdverlenging ook een rol. Op 15 december wordt bij nog eens 14 metaalbedrijven het werk stil gelegd. Bemiddelingspogingen falen omdat aan werkgeverszijde wordt vastgehouden aan de omvang van de loonsverlaging. Alleen een meer geleidelijke invoering is bespreekbaar. Deze vastberadenheid doet het werknemersfront scheuren. Per referendum worden de leden geraadpleegd. 65% van de leden van de ANMB wil doorstaken. Bij de christelijke bonden is er slechts een minderheid voor doorstaken. De ANMB ziet geen heil in het alleen voortzetten van de staking. De loonsverlaging moet worden aanvaard.
Het zwaartepunt van de staking, welke in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog veruit de omvangrijkste staking in Nederland is, ligt in Rotterdam. Van de 1,4 miljoen gulden die de ANMB aan haar stakende leden betaalt, wordt bijna 0,8 miljoen gulden uitgekeerd in Rotterdam. Vanwege de grote omvang van de staking in het Waterweggebied wordt Jan Wacht ’tijdelijk’ overgeplaatst naar Rotterdam. Wacht moet samen met een collega elke vrijdag een cheque van 85.000 gulden verzilveren. De ‘bankjes van duizend’ worden bij de Nederlandse bank gewisseld in ’tientjes’ en muntgeld voor de zaterdagse uitkering aan de stakers. Ondanks de ijzig, strenge winter vindt de betaling plaats in een onverwarmd pakhuis. Na een dag uitbetalen zijn de bestuurders ijsklompen. Eenmaal ontstaat een incident met het verzilveren van de cheque. De bankklerk heeft het geld van tevoren uitgeteld voor twee klanten en er liggen dus twee rollen met bankbiljetten klaar. Wacht telt het na en schuift de rol terug met de mededeling: “deze is niet voor ons”. De klerk beweert van wel en de geldrol schuift zo enige malen door het loket. De bankdirecteur komt tussenbeide en bij het natellen blijkt er 110.000 gulden in de geldrol te zitten. De klerk heeft de rollen verwisseld. De vraag: is het een vergissing of wordt de bond op de proef gesteld, is altijd blijven bestaan.

75 gulden ja, 25 gulden nee

?75,- ja, ??25,- nee. De slogan van de werf- en havenstaking in 1970 klinkt duizendvoudig op de Coolsingel in Rotterdam. De staking welke eigenlijk een dubbele staking is, begint op 25 augustus bij Wilton-Fijenoord. Een dag later sluiten de werknemers van de Rotterdamse Droogdokmaatschappij en De Nieuwe Waterweg zich bij de staking aan. Per dag zal de staking zich uitbreiden en op 30 augustus ligt de gehele metaalindustrie in het Waterweggebied plat en staken er zo’n 20.000 werknemers. De staking in de metaalindustrie wordt beëindigd op 4 september. De havenstaking begint op 27 augustus bij de avondploeg van Thomsens Havenbedrijf. Deze staking duurt tot 15 september en kent op het hoogtepunt zo’n 14.000 stakers. Het conflict breekt uit bij Wilton-Fijenoord met als eis ??25,- tot ??30,- meer per week voor het vaste personeel. De eis is het gematerialiseerde ongenoegen rond de ontduiking van de cao door de werkgevers en daaraan gepaard het ongebreideld gebruik van koppelbazen. Op dinsdagochtend 25 augustus komt het conflict aan de oppervlakte in de ondernemingsraad van Wilton-Fijenoord. De ondernemingsraad verwijt de directie ontduiking van de cao (art.IX.1). De cao-tekst luidt: “De werkgever draagt in zijn onderneming zonder voorafgaand overleg met de ondernemingsraad aan vreemde werknemers geen werkzaamheden op, welke naar hun aard door de werknemers in zijn dienst plegen te worden verricht en laat evenmin toe dat deze werkzaamheden door vreemde werknemers worden verricht”. Afgezien van het ietwat hoogdravende taalgebruik, CAO’s eigen, is de tekst ondubbelzinnig en is het achterwegen laten van overleg inderdaad ronduit ontduiking van de zijde van de werkgevers te noemen. Deze ontduiking gebeurt niet alleen bij Wilton-Fijenoord, maar breed in de gehele metaalindustrie in het Waterweggebied. De arbeidsmarkt is overspannen en dat is het duidelijkst aan te geven door het feit dat op elke 100 arbeidsplaatsen in de metaal er 7 ŕ 8 onbezet zijn. De ‘vreemde werknemer’ die via koppelbazen wordt betrokken is niet alleen de ‘concurrent’ op de arbeidsmarkt voor het vaste personeel, maar ook nog eens een concurrent die met minder vakbekwaamheid, meer krijgt betaald. Er is natuurlijk geen betere manier om een werknemer van zijn marktwaarde bewust te maken dan door aan een minder geschoolde ‘losse werknemer’ meer te betalen dan aan de vakman in vaste dienst.
Artikel IX.1 is in 1964 in de cao opgenomen, zij het met een enigszins andere tekst. Aanleiding hiertoe waren wilde stakingen, onder meer bij de Nederlandse Dok- en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM) en de Amsterdamse Droogdok Maatschappij (ADM) in 1963, tegen het feit dat via koppelbazen meer te verdienen valt. De ‘loonexplosie’ in 1964 van 10% vindt hier zijn bron; al is het zeker niet de enige verklaring voor de loonexplosie. Er kan dus rustig worden gesteld, dat de ‘les van 1963’ in 1970 nog steeds niet is geleerd. Bij NDSM en ADM hebben de wilde stakingen tot ‘stevige’ toeslagen op het loon geleid. De ADM zegde het lidmaatschap van de werkgeversorganisatie – de Metaalbond nu FME-CWM – zelfs op om tot de betaling over te kunnen gaan. Het verschil in beloning, welke nu niet alleen meer bestaat tussen vast- en ingeleend personeel, maar ook tussen de regio’s Amsterdam en Rotterdam, leidt in 1965 opnieuw tot stakingen. Eerst door ‘proteststakingen’ van 1 of 2 dagen die beginnen bij Wilton-Fijenoord, later gevolgd door wilde stakingen eerst bij Verolme op Rozenburg, en nadat daar een akkoord is bereikt, bij Wilton-Fijenoord. Deze wilde staking loopt uit op de eerste bedrijfsbezetting in Nederland, later bekend geworden als de ‘De Zwarte Nacht van Wilton’. Inmiddels is het conflict allang zijn eigen leven gaan leiden en is de oorzaak geheel uit beeld verdwenen. Hoezeer het inmiddels verengd is tot een loonconflict blijkt uit de woorden van Bart Blommers, de secretaris van de ondernemingsraad van Wilton-Fijenoord. Blommers geeft als zijn mening te kennen, dat het hier gaat om een stuk loon, dat moet worden gerealiseerd. Hij verzoekt de directie om spoed te zetten achter de bespreking met de erkende vakorganisaties. Het conflict eindigt uiteindelijk met een forse loonsverhoging. Opmerkelijke feiten in het conflict in 1965 zijn de onderhandelingen op ondernemingsniveau terwijl na 1945 toch de centrale onderhandelingen domineerden en het feit, dat de stakingsuren worden uitbetaald, recht tegen de principiële stellingname van de werkgeversorganisatie in. Ondanks het feit dat in betrekkelijk korte tijd tweemaal de lonen fors worden opgetrokken, lost dat het probleem van een overspannen en ontwrichte arbeidsmarkt niet op.
Voor Ab Schravemade, districtshoofd van de Metaalbedrijfsbond NVV in Rotterdam, is het geen raadsel: “Op een aantal scheepswerven wordt een soort discriminatie toegepast die de sfeer grondig verpest. De werven worden overspoeld door allerlei lieden, die met het grootste gemak als ‘geschoold’ worden aangemerkt en waartegen nauwelijks disciplinaire maatregelen worden genomen, wanneer ze er met de pet naar gooien. Voor het vaste personeel een steeds meer onaangename situatie.” Volgens Schravemade is de situatie bij Wilton-Fijenoord snel verergerd. Tot voor kort werd daar weinig gebruik gemaakt van koppelbazen. De behoefte aan personeel is groot.
De orderportefeuille bij de werven van de Rijn-Schelde-Groep is zeer goed gevuld. Schravemade geeft dit commentaar kort na het uitbreken van de staking. Er volgt snel overleg op centraal niveau en daaruit komt ook snel een resultaat en wel: beperking van het loonverschil tussen eigen en vreemd personeel tot 10% en ?150,- ineens. Het onderhandelingsresultaat wordt verworpen door de ondernemingsraadsleden. Het overleg met de Wilton-Fijenoord directie loopt op niets uit. Het overleg is in handen van de landelijke vakorganisaties en de concernleiding gekomen. Opnieuw komt het tot een principeakkoord. Het verschil met het eerste akkoord zit hem in een uitkering ineens van ??400,-. Dit akkoord wordt niet meer voorgelegd aan kader of leden. Met een pamflet wordt opgeroepen met dit resultaat weer aan het werk te gaan. De pamfletten worden door postende werknemers afgepakt en verbrand. De breuk tussen stakers en bond is een feit. De staking drijft nog enige tijd mee op de golven van de havenstaking die inmiddels zijn hoogtepunt heeft bereikt, maar bloedt na enige dagen dood door gebrek aan leiding. De omslag die de bond gemaakt heeft in het conflict wordt wel het best geďllustreerd door Ab Schravemade. Hij voorspelt dat bij het uitlopen van de staking formidabele catastrofes dreigen, onder meer door de zware boeteclausules bij het te laat opleveren van orders. De vakbondsbestuurder is ook van mening dat het grootste deel van stakers weer aan het werk wil, zij worden echter belet door actiecomités. De werf- en havenstaking is de grootste staking in Nederland sinds 1947, welke in ieder geval de 400-gulden-golf oplevert. Zij sluit het laatste decennium af van het bestaan van de Metaalbedrijfsbond NVV. Een decennium dat veel acties en stakingen kende. Een decennium dat de grondslag legde voor de verandering in arbeidsverhoudingen die eerst in de jaren zeventig volledig zichtbaar zullen worden. Maar die geschiedenis zal worden geschreven door de Industriebond NVV, waarin de Metaalbedrijfsbond NVV in 1971 is opgegaan.
© Dik Nas / Vakbondshistorische Vereniging
5 juli 2001

Geraadpleegde literatuur

ANMB Verslag 1920-1921 (Amsterdam 1922)
ANMB Verslag 1962-1964 (Den Haag 1965)
Archief: Archief Jan Wacht in het IISG te Amsterdam
H. Binneveld, De Rotterdamse metaalstaking van 1965 (Amsterdam 1977)
L. Brug e.a., Organisatie in het ijzeren tijdperk (Amsterdam 1995)
A.R.J.R. Callewaert,’De Nederlandse metaalindustrie 1850-1990′ in: Basis-metaal-, metaalproduktenindustrie en scheepsbouw. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1992)
Collectieve arbeidsovereenkomst in de Metaalindustrie 1964 en 1969 P.Danz, De grote strijd in de metaalindustrie (Amsterdam 1922)
G. v.d. Houven, Een Halve Eeuw (Amsterdam 1936)
De Metaalbewerker (Amsterdam/Den Haag 9-01-1932, 16-04-1932, 24-01-1948 en 22-09-1967)
Het Parool (Amsterdam 2-08-1970)
M. Schrevel, Ongehoord. Brieven van C.F. Thomas en andere arbeiders (Amsterdam 1986)
A. Teulings/F. Leijnse, ??75,- ja, ??25,- nee. Een eerste verkenning van de Rotterdamse werf- en havenstaking (Rotterdam 1970) Het Vrije Volk (Rotterdam 27-08-1970 en 1-09-1970.