Het geheugen van de vakbeweging

Hans Hubregtse kijkt terug op twaalf heftige vakbondsmaanden 

Kaderleden Industriebond FNV in opstand (1)

Kaderleden van de vakbond waren (en zijn) met name actief in hun eigen bedrijf, waar zij te midden van de collega’s werknemersbelangen bespreken en zo nodig van strijd voorzien in afstemming met de (bezoldigde) vakbondsbestuurder. Die laatste geeft daar doorgaans leiding aan. Overleg en zelfs acties over bedrijven heen werden niet door kaderleden geëntameerd, dat behoorde tot het domein van de vakbondsbestuurders.

Dit artikel is deel 1 van een ‘drieluik’. Klik hier voor de introductie- en overzichtspagina

Kadergroepen veroveren positie binnen de Industriebond FNV

Toch gebeurde dat ‘overschrijden van de bedrijfsgrens’ door kaderleden wel degelijk in 1980, en wel bij de Industriebond FNV. Terwijl in maart 1980 nog zo’n 100.000 vakbondsmensen actie voerden tegen de loonmaatregel waarmee het Kabinet Van Agt in de cao-onderhandelingen wilde ingrijpen,   riep enkele maanden later de vakbondskoers van voorzitter Arie Groenevelt en de zijnen, zoals verwoord in ‘Doormodderen of Durven’, omvangrijk en boos verzet op bij veel kaderleden.  Bijeenkomsten van activistische kaderleden in de zogenaamde Ford-groep waren daar mede een uiting van. Hoe kwam dat eigenstandig verzet van kaderleden tot stand? Hoe kwam het dat de leiding van de Industriebond FNV zich zo loszong van zijn achterban in de bedrijven? En hoe paste dit in de economisch-sociale ontwikkeling in Nederland van die jaren, waarin een scherpe recessie gevoeld werd?

De grote Industriebond FNV, na de federatie en later fusie van NVV en NKV-bonden in de industrie met ruim 300.00 leden), heeft qua omvang en strijdbaarheid een belangrijke positie binnen de Nederlandse vakbeweging. In de jaren ’70 krijgt de democratiseringsgolf in de maatschappij ook binnen de vakbond gestalte door het ‘bedrijvenwerk’. Bij bedrijven met actieve kaderleden zetten vakbondsbestuurders ‘bedrijfsledengroepen’(BLG’s) op met een eigen bestuur. De bedoeling is om ‘meer organisatie van onderop’ vorm te geven. Daar horen ook eigen actieplannen en ledenbulletins bij.

Gevolg is ook dat er meer afstemming nodig is tussen de bezoldigde vakbondsbestuurders met hun (vaak centralistische) aanpak en de groepen kaderleden die samen met hun achterban een eigen agenda beginnen na te streven. Kaderleden proberen in bedrijven hun nieuwe zelfstandigheid uit met eigen activiteiten, voorstellen en communicatiemiddelen. Het stelt nieuwe, andere eisen aan de kwaliteiten van vakbondsbestuurders, terwijl vakbondsvoorzitter Arie Groenevelt en ook menig (oudere) vakbondsbestuurder vaak nog een autoritaire stijl hanteren. Eigenlijk een recept voor botsingen. Dat kan stevige discussies opleveren en ontaardt soms in een  machtsstrijd die alleen in een ledenvergadering ultiem beslist kan worden.

1979: nieuwe Wet op de Ondernemingsraden

Krantekop 1978 (Bron: “Wie zwijgt…wordt niet gehoord”)

In de democratiseringsgolf van de zeventiger jaren is met een nieuwe Wet op de Ondernemingsraden de ‘zelfstandige ondernemingsraad’ ontstaan, met bevoegdheden zoals instemmingsrecht over sociale kwesties, adviesrecht over bedrijfseconomische veranderingen, informatierecht en een recht op initiatief. En met eigen faciliteiten. Eerder opereerden ondernemingsraden onder voorzitterschap van de directeur, die zo handig verdeel-en-heers kon spelen.

Veel prominente vakbondskaderleden ontdekken in die nieuwe OR een machtspositie en een eigen onderhandelingskanaal met de werkgever, dat zelfs de mogelijkheid biedt tot het voeren van rechtszaken. Dat versterkt het zelfbewustzijn bij kaderleden, ook richting de vakbond en vakbondsbestuurder.

 

Intussen bij Howson-Algraphy…

Begin 1980 ben ik kaderlid en OR-voorzitter van offsetplatenfabriek Howson-Algraphy in Soest. Daar ontstaat begin 1980 fel verzet tegen een verhoging van de pensioenpremie, die de directie wil opleggen.

Ook bij Howson-Algraphy komt in 1979 een BLG tot stand, juist in een periode dat productie en personeelsbestand fors groeien.
Er bestaat veel ergernis over de top-down mentaliteit van veel leidinggevenden, gevoed door het klassedenken van het Engelse moederconcern. In het BLG-bulletin wordt daar scherp stelling tegen genomen. Er groeit een stevige kadergroep waar ook enkele leidinggevenden(chef productie, ploegleiders en voorlieden) deel van uitmaken.

Vanaf 1 september 1979 is ook bij Howson-Algraphy de Algemeen directeur geen voorzitter meer van de OR. Daarmee verliest hij ruimte om individuele OR-leden te bevragen, en tegen elkaar uit te spelen. Lering trekkend uit het ontslag van een opstandig OR-lid, stelt de OR in een cursus dat ‘macht van de achterban’ het enige middel is dat kan helpen om de werknemersbelangen te dienen.
Daarbij kunnen de faciliteiten van de nieuwe WOR goed gebruikt worden. Vakbondswerk en OR-werk vormen bijna
één geheel.
Het culmineert in januari 1980 in een scherpe, publieke stellingname van de OR tegen een door de directie voorgenomen verhoging van de pensioenpremie, die eerst op een personeelsbijeenkomst aan de achterban wordt voorgelegd. In
één klap is die massaal opgekomen en in stelling gebracht, naast het weigeren van de wettelijke instemming aan dat directievoornemen door de OR.

OR en kadergroep van de Industriebond FNV bouwen op die wijze een machtspositie op tegen het rigide beleid van de directie. Tegenmacht op basis van steun van de achterban is wat wij nodig hebben, zo is de insteek. Daarmee zijn parallellen aan te wijzen tussen die bedrijfsstrijd en wat landelijk in 1980 plaatsvond.

Het begin van 1980: recessie, loonmaatregelen, acties

De Dam, 4 maart 1980

Na de economische groei van de jaren ’60 en ’70, volgt een recessie rond 1980. Er zijn veel grote bedrijven, waaronder scheepswerven, waar reorganisaties worden aangekondigd, met veel ontslagen. De al eerder toegenomen internationale concurrentie (scheepsbouw, textiel) veroorzaakt dit, nu komt daar een recessie door overproductie bij.

Het lijkt wel het einde van een industrieel tijdperk, zo hard gaat het. Sommige werkgevers liften mee op die golf door een efficiencyslag uit te voeren, en zo winsten op te krikken of onwelgevallig personeel te lozen. Centraal overleg heeft eind 1979 niets opgeleverd. Enkele bonden binnen de FNV hebben een matigingsdeal geblokkeerd, al was de Industriebond op dat moment al wel akkoord.
In die sfeer is het Kabinet Van Agt-Wiegel aan de macht gekomen, dat met Bestek ’81 in februari 1980 zijn economische hervormingsprogramma uiteenzet. Onder druk van dit rechtse kabinet stelt minister Albeda van Sociale Zaken op 10 januari 1980 een loonpauze in van 2 maanden. Hij dreigt met ingrijpen in de onderhandelingsvrijheid via een loonmaatregel, om zo internationaal concurrerender te worden. In februari leidt de dreigende ingreep om lonen te korten al tot allerlei acties, culminerend in een landelijke 24-uurs staking op 4 maart voor alle sectoren. Onder de leuze “Ik pik het niet” gaan de acties daarna door.

Op diezelfde 4 maart vindt er ook een grote demonstratie plaats in Amsterdam, nog altijd bekend van het ‘Willen we naar de Dam, dan gaan wij naar de Dam’ van Herman Bode. Liefst 100.000 mensen laten het strijdbare gezicht van de FNV zien.

Ondanks dit opmerkelijke verzet besluit het parlement om de voorgestelde loonmaatregel goed te keuren.

Wat te doen? Dat is de vraag binnen de FNV. De ambtenarenbond trekt zich terug, de Voedingsbond wil doorgaan met acties, die drang leeft ook binnen de Vervoersbond en de Industriebond.
Op 3 april 1980 beslist de Beleidsraad van de Industriebond FNV over het vervolg. Voorstel van het bondsbestuur is om een terugtrekkende beweging te maken: geen acties meer en aanpassing van de centrale looneis zodat die binnen de kaders van de loonmaatregel gaat vallen. Veel van de kaderleden vinden dit een te snel toegeven. Ten slotte wordt na een uitvoerige discussie besloten, niet langer vast te houden aan ‘het 12 november 1979 pakket’, ofwel: aan de oorspronkelijke looneis Een voorstel om dit wél te doen wordt verworpen met 27 stemmen voor, 30 stemmen tegen en 1 onthouding.

Daarmee komt niet alleen een einde aan de acties van de Industriebond FNV tegen de loonmaatregel van het Kabinet Van Agt, maar past de bond ook zijn beleid aan. Wel is volstrekt duidelijk dat er veel weerstand is tegen ‘dit toegeven aan het rechtse kabinetsbeleid’.

Het jaar 1980: NVV en NKV van federatie naar fusie

Halverwege de jaren ’70 zijn gesprekken op gang gekomen tussen de katholieke en socialistische bonden. Zij hebben hetzelfde werkveld, en de standpunten liggen dicht bij elkaar. Het enige moeizame zijn de persoonlijke verhoudingen en stekeligheden, die ook extern geventileerd zijn. De katholieken met veel CDA-binding vinden het NVV te socialistisch, waarbij ze met name kijken naar de beleidsnota ‘Fijn is anders’. Het NVV vindt dat de NKV’ers teveel aan de hand van bisschoppen en pastoors lopen.

Als laatste stappen ook de beide industriebonden over hun bezwaren heen, enige druk vanuit de vakcentrale met Wim Kok aan het hoofd was nodig. Andere bonden binnen de FNV zijn al eerder zo ver. De afspraak is om eerst per bond een federatie te vormen, waar beide organisaties nog intact blijven. En die in 1981 om te zetten in een compleet gefuseerde vakbond.

Arie Groenevelt wordt als oud-NVVer voorzitter en NKVer Piet Spijkers vicevoorzitter. Als ‘parlement’ van de in 1980 nog federatieve Industriebond FNV functioneert de ‘Beleidsraad’. Daarin zitten gekozen kaderleden uit bedrijven en uit woonafdelingen. Belangrijke beleidsbeslissingen moet het hoofdbestuur daar goedgekeurd krijgen.

1980 is dus voor de Industriebond FNV een overgangsjaar, of beter gezegd een ‘voorbereidingsjaar’ om de fusie definitief vorm te geven. Dat betekent ongetwijfeld dat er met allerlei gevoeligheden rekening gehouden moet worden om de fusie niet spaak te laten lopen.

De planning is om in december 1980 een fusiecongres te houden voor finale besluitvorming. Daar moet een Middellangetermijnbeleid worden vastgesteld, een nieuw hoofdbestuur worden gekozen en moet de fusie worden geaccordeerd.
Het hoofdbestuur produceert als eerste voorstellen daartoe. In een democratische organisatie als de bond betekent dit vervolgens dat vanuit bedrijven en woonafdelingen amendementen en moties kunnen worden ingediend. Het hoofdbestuur voorziet die weer van ‘preadviezen’, en het geheel komt ter stemming op het congres. Kortom, een intensief democratisch circus.

Intussen bij Howson-Algraphy…

In de Ondernemingsraad van Howson-Algraphy zitten dan 7 NVV-leden, 1 NKV-lid en 1 CNV-lid. Qua standpunten zit daar geen verschil tussen, met name door een intensieve cursus waarin de analyses gedeeld zijn en een gemeenschappelijk visie en aanpak ontwikkeld is: wij moeten met een ‘achterbanstrategie’ tot machtsvorming komen om met de zeer autoritaire directie tot goede afspraken te komen. De fusie van NKV en NVV tot FNV is daar werkelijk geen onderwerp. Voor ons had ook het CNV gelijk mee mogen doen.

April 1980: ‘Verder kijken’

In de nota ‘Verder kijken’ vinden we de voorstellen voor het middellangetermijnbeleid van de gefuseerde Industriebond FNV, dat in december 1980 moet worden geaccordeerd door het congres. Tijdens de verkenningen, voorafgaand aan de fusie van de Industriebonden, is naar voren gekomen dat nota’s als ‘Fijn is anders’ en ‘Breien met een rooie draad’ van de toenmalige Industriebond NVV als te socialistisch worden beleefd binnen het katholieke volksdeel, dat door de Industriebond NKV wordt vertegenwoordigd.
Toch presenteert het nieuwe hoofdbestuur met ‘Verder kijken’ een scherpe koers. Om de latere opstelling van (kader)leden goed te begrijpen, is het uitdiepen van de inhoud belangrijk.

Een eerlijker verdeling van kennis, inkomen en macht is een belangrijk uitgangspunt. Maatschappijverandering is evenzeer van belang als de behartiging van materiële belangen, richting werkgevers en richting de overheid. De bond wil een ‘brede vakbeweging’ zijn: “Het gaat ons om het welzijn van de werknemers in de meest ruime zin van het woord, werkenden en niet-werkenden. De zorg voor goede collectieve voorzieningen is een even wezenlijk onderdeel van onze belangenbehartiging als de zorg voor goede arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. Wonen, leven en werken horen alle drie in ons beleid thuis.[1]

De fusienota heeft ook een duidelijk standpunt over de oorzaken van de heersende recessie: “Wij menen dat de economische groei en de werkgelegenheidsontwikkeling niet zijn vastgelopen op de hoge arbeidskosten. Wij menen dat de hoge kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het vastlopen van de economische groei. Wij menen dat die groei wel moest vastlopen gezien het fanatisme waarmee de opnamecapaciteit van de markten is genegeerd, de beschikbaarheid van productiefactoren werd overschat en de gevolgen van groeiende verschillen in de internationale welvaartsontwikkeling werden gebagatelliseerd.[2]

Zo’n stellingname betekent natuurlijk veel voor de oplossingsrichtingen. En wie de prijs voor die oplossingen moet betalen: niet de werknemers!

De nieuwe Industriebond stelt stevige eisen aan effectief werkgelegenheidsbeleid en inkomensverdeling, voorziet ze van een duidelijke planning en zet sociale doelstellingen voorop. “Bij planning vragen we ons niet meer angstig af wat de sociale gevolgen zijn van als gegeven en onvermijdelijk beschouwde economische en technologische ontwikkelingen, maar stellen we de sociale doelstellingen voorop en proberen de ontwikkeling van economie en technologie te richten op de verwerkelijking van die doelstellingen.[3] En verderop: “Wij zullen de overheid voortdurend achtervolgen met onze opvattingen over de noodzaak van planning.[4]

Tegelijk wil de bond in onderhandelingen met werkgevers arbeidsplaatovereenkomsten(APO) bereiken, met daarin ook aandacht voor arbeidstijdverkorting. “Het is geen Wet van Meden en Perzen dat uitsluitend de werkgevers beslissen over het aantal arbeidsplaatsen, de functies, de functie-eisen en de rangorde van functies in de arbeidsorganisatie, de kwaliteit, veiligheid en gezondheid in het werk, enz., terwijl de vakbeweging als alles beslist is, alleen nog mag komen meepraten over de arbeidsvoorwaarden en over afvloeiingsregelingen.[5]

Ten slotte trekt de nota enkele beleidsconclusies:  (blz. 24)

“De bond kiest voor zijn beleid de volgende prioriteiten:

  • volledige en volwaardige werkgelegenheid voor allen die willen en kunnen werken;
  • gelijke kansen op de arbeidsmarkt, bestrijding van discriminatie van welke groep dan ook zowel in algemeen maatschappelijk opzicht als wat betreft de arbeidsvoorwaarden;
  • handhaving van de koopkracht zowel van werknemers als van uitkeringsgerechtigden van sociale verzekeringen, beide groepen in elk geval tot het niveau van het modale inkomen;
  • productie sterker richten op maatschappelijke doelstellingen. [6]

Deze fusie-uitgangspunten tonen een stevige, zelfbewuste koers van een sterke vakbond in de industrie, zonder overigens alle bedreigingen van multinationals, automatiseringen, flexibilisering en internationale concurrentie te ontkennen.

Toen dit beleidsstuk de kaderleden bereikte in april 1980, had men juist de acties van maart 1980 achter de rug die veel mensen strijdbaar had gemaakt.

Intussen bij Howson-Algraphy…

 In mijn eigen beleving als kaderlid en OR-voorzitter bij Howson-Algraphy past deze houding van kracht als een handschoen. Met zo’n beleid hebben wij een goed verhaal naar de collega’s in het bedrijf, en het vormt een gezamenlijk basis tussen vakbondsbestuurder en kaderleden richting de werkgever. In dat vroege voorjaar van 1980 hadden wij de steun van een volle personeelskantine verworven tegenover de werkgever die pensioenpremies op werknemers wil verhalen, ondanks eerdere beloftes over een premievrij pensioen. De actiebereidheid voelt ook als gebaar tegenover de intimiderende managementcultuur. De zaken gaan goed voor het bedrijf, dus durven de werkers ook een stakingsdag in april te houden, in het kader van landelijke cao-strijd en de landelijke politieke acties.

Hans Hubregtse
juni 2023

[1] ‘Verder kijken’ blz.7

[2] ‘Verder kijken’ blz.12

[3] ‘Verder kijken’ blz.13

[4] idem

[5] ‘Verder kijken’ blz.14

[6] ‘Verder kijken’ blz. 24