Tot de rijke cultuurhistorische erfenis van de Limburgse mijnwerkers en hun bonden behoren naast onder meer vaandels, vlaggen, gedenkboeken ook gedenk- of jubileumborden. Hier het verhaal over en achter twee gedenkborden.
De Heilige Barbara, schutspatrones van de mijnwerkers
Op 13 september 1903 kwamen in Eijgelshoven de besturen bijeen van acht rooms-katholieke mijnwerkersverenigingen in de streek rond Heerlen en Kerkrade. De verenigingen hadden als doelstelling: onderlinge ondersteuning van de aangesloten mijnwerkers in geval van nood (ziekte, werkloosheid, ongeval). Deze verenigingen bleken echter te klein om dat doel afzonderlijk te kunnen verwezenlijken. Op de vergadering in Eijgelshoven besloten ze de krachten te bundelen in een Centrale Bond van RK Mijnwerkersvereenigingen. Dit was een van de voorlopers van de latere Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond (NKMB), die zich vooral na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde tot een invloedrijke vakbond, waarbij tienduizenden mijnwerkers aangesloten waren.
De NKMB beschouwde 13 september 1903 als de officiële oprichtingsdatum. In 1953 vierde de bond daarom feestelijk het gouden jubileum. Uit het hele land ontving de NKBM felicitaties en geschenken. Daaronder bevond zich een fraai aardewerken gedenkbord, aangeboden door het personeel van het Algemeen Mijnwerkersfonds voor de Limburgse Steenkolenmijnen (AMF). Het AMF was in 1919 opgericht door de voorloper van de NKMB en de vijf mijnbouwondernemingen die in Limburg actief waren. Het AMF garandeerde elke mijnarbeider en zijn gezin een uitkering in geval van ziekte, arbeidsongeschiktheid, invaliditeit, overlijden en ouderdom.
De opdracht voor het vervaardigen van het sierbord gaf het AMF aan de Maastrichtse aardewerkfabriek Sphinx, waar men veel ervaring had met het ontwerpen en produceren van gedenk- en sierborden. De Maastrichtse kunstenaar Pierre Daems (1911-1982) maakte namens Sphinx het ontwerp voor het gedenkbord van de NKMB. Daems was, na een korte onderbreking aan het eind van de jaren veertig, al sinds 1925 bij Sphinx in dienst. Hij was er begonnen als leerling, maar in 1953 opgeklommen tot hoofdontwerper. Tot 1970 zou hij bij Sphinx in dienst blijven. In die lange carričre ontwierp Daems ontelbare serviezen en siervoorwerpen als vazen en gedenkborden.
Centraal op het gedenkbord voor de NKMB beeldde Daems de Heilige Barbara af (foto boven). Ze houdt een brandende mijnlamp in de linkerhand. In de rechterhand draagt ze een toren, het attribuut waarmee ze doorgaans wordt afgebeeld. De toren telt drie ramen: een verwijzing naar de Heilige Drievuldigheid. De toren verwijst naar haar legende. Barbara, een beeldschone jonkvrouw uit de stad Nicomedia in Klein-Azië, werd door haar hardvochtige vader Dioscorus opgesloten in een toren, wellicht als straf voor haar bekering tot het christendom. Maar uit de hemel kwam een bliksemschicht die de muren van de toren spleet. Barbara kon ontsnappen. Lang kon ze niet van haar vrijheid genieten. Ze werd opgespoord en kreeg de doodstraf. Dioscorus voltrok het vonnis eigenhandig met het zwaard. Diens straf volgde onmiddellijk. Door een bliksemflits getroffen, zonk hij levenloos ter aarde en verging ter plekke tot as.
Sinds de zeventiende eeuw was Barbara de patrones van mensen die met springstof en buskruit om moesten gaan. Toen ook in de mijnbouw springstof meer en meer werd gebruikt, namen de mijnwerkers Barbara als beschermheilige aan. In de Limburgse mijnen dateerde de Barbaraverering uit het begin van de twintigste eeuw. De Barbaraverering werd in Limburg geďntroduceerd door buitenlandse arbeiders die in de mijnen rond Heerlen en Kerkrade kwamen werken. Barbara’s feestdag werd gevierd op 4 december. De mijnwerkers hadden die dag vrij.
Rondom de figuur van Barbara groepeerde Daems taferelen en landschappen die alle een relatie hadden met de sociale doelstellingen van zowel het AMF als de NKMB. Beide instellingen worden links en rechts aan de voeten van Barbara gesymboliseerd door de kantoorgebouwen in Heerlen, van waaruit ze hun zegenrijke werk deden. Dankzij de ziekte-, ongevals- en pensioenkassen van het AMF waren de mijnwerker en zijn gezin altijd verzekerd van verzorging bij ziekte en oudedag. (zie voor de fragmenten de foto’s hieronder)
De NKMB waakte over de lonen en arbeidsvoorwaarden, zodat er genoeg geld binnenkwam om een gezond familieleven mogelijk te maken. Essentieel voor een gelukkig leven was goede huisvesting, waarvoor de katholieke arbeidsbeweging zich altijd had ingezet. Links zien we bouwvakkers op de steiger in de weer bij de bouw van gezinswoningen. Rechts (naast de mijnlamp in de hand van Barbara) is het gebouw afgebeeld van ‘Ons Thuis’ in Heerlen met kamers voor ongehuwde mijnwerkers. De taferelen worden verbonden door wimpels waarop een tekst is aangebracht: ‘Een mijnwerkersbevolking die goed gehuisvest is, een goed inkomen heeft voor de dagen van zijn arbeid maar ook voor de dagen van ziekte, invaliditeit en ouderdom; die weet voor de christelijke opvoeding harer kinderen te zorgen, een mijnwerkersbevolking die tot eere strekt van den geheelen arbeidersstand.’ Al die initiatieven vinden plaats tegen de achtergrond van een industrieel landschap met rokende schoorstenen, bedrijfsgebouwen, schachtbokken en koeltorens.
De rand van het bord tenslotte toont aan de bovenzijde het symbool van de mijnbouw: een mijnlamp met gekruiste Schlägel und Eisen, de traditionele gereedschappen van de mijnwerker. Rechts op de rand is het wapen van de provincie Limburg afgebeeld en links het gemeentewapen van Heerlen. Het bord is handgeschilderd en heeft een diameter van 54 centimeter. Aan de achterzijde is het door de ontwerper Pierre Daems gesigneerd.
Op 1 mei 1927 bestond Staatsmijnen in Limburg precies 25 jaar. Het jubileum werd groots gevierd. De minister van Waterstaat, het departement waaronder Staatsmijnen ressorteerde, stelde er 350.000 gulden (€ 159.000) voor beschikbaar. Dat bedrag werd besteed aan recepties, dansavonden, sport en spel, optochten, vuurwerk en aan gratificaties voor mijnwerkers, gepensioneerden en weduwen. Op zaterdag 7 mei vonden de festiviteiten plaats rond de vier staatsmijnzetels. Voor zover het bedrijfsbelang het toeliet, hadden de mijnwerkers die dag vrijaf. Een blijvend aandenken aan het zilveren feest was er in de vorm van een gedenkbord.
In een brief van 16 maart 1927 aan de minister van Waterstaat deed de directie van Staatsmijnen de plannen en de begroting voor de festiviteiten rond het 25-jarig bedrijfsjubileum uit de doeken. Het voornemen een gedenkbord te laten vervaardigen werd ook kenbaar gemaakt: ‘Voorts ligt het in onze bedoeling aan iederen beambte en werkman een blijvende herinnering aan te bieden in den vorm van een wandbord van aardewerk’, schreef de Staatsmijndirectie. Ook gepensioneerden zouden een bord krijgen. Al twee dagen later bracht de Maastrichtse aardewerkfabriek De Sphinx offerte uit voor de levering van 21.000 gedenkborden tegen 38 cent (€ 0,17) per stuk. Aan de achterzijde zouden gaatjes worden aangebracht, zodat het bord kon worden opgehangen. Voor het ontwerp tekende Willem Jacob Rozendaal. In zijn ontwerp liet hij zich inspireren door de verschillende vestigingen en activiteiten van het jubilerende bedrijf. Op de rand van het bord plaatste hij de beginletters van de vier staatsmijnzetels en beeldde hij de karakteristieke gebouwen daarvan af. Van boven af en met de klok mee zijn dat de Wilhelmina, de Hendrik, de Maurits en de Emma. In het hart van het bord verbeeldde de ontwerper het spoorbedrijf, de gasvoorziening en de cokesfabriek van Staatsmijnen.
In de dagen rond 7 mei 1927 werden de gedenkborden aan het personeel uitgereikt. Uitnodigingen om een exemplaar af te halen, werden in de bedrijven opgehangen en afgedrukt in het officiële feestprogramma van de jubileumviering. Uit een overzicht dat bij Staatsmijn Wilhelmina werd bijgehouden, is af te leiden dat bijna alle mijnwerkers hun bord daadwerkelijk ophaalden. Op deze mijnzetel hadden 4.480 personen recht op een bord, waaronder bijna 250 gepensioneerden. Op 30 mei 1927 waren er 4.225 jubileumborden uitgereikt. Uiteindelijk waren er wat borden over. Daar had Staatsmijnen een oplossing voor. Wie nog belangstelling had voor een tweede wandbord, kon een exemplaar kopen. Zolang de voorraad strekte en tegen betaling van 40 cent.
Niet alle mijnwerkers waren even enthousiast over het jubileumgeschenk. Er waren er die wat schamper reageerden. Stond een sierbordje wel in verhouding tot het zware en gevaarlijke werk dat de mijnwerkers dag in dag uit voor het bedrijf verrichtten? Gerard Verschooten, een oud-mijnwerker die zijn mémoires publiceerde, herinnerde zich veel later nog goed dat mijnwerkers hun eigen spreuk maakten van de letters M, E, W en H die op het wandbord te lezen waren: Mijn Ezels Werken Hard!