Het geheugen van de vakbeweging

Algemene Bedrijfsgroepen Centrale (ABC)

De Algemene Bedrijfsgroepen Centrale (ABC) en St. Willibrordus zien zich na WO II geconfronteerd met een chemische industrie die stevig expandeert. De Botlek en Europoort worden het dominante beeld van geďndustrialiseerd Nederland. De fabrieksarbeidersbonden, die vanaf hun oprichting vooral opereren in sectoren met laag geschoolde arbeid, zien hun werkterrein uitgebreid met een technisch hoogwaardige industrie.

Gedurende de 19de eeuw staat de chemische industrie in vergelijking met het buitenland op een laag niveau. Slechts traditionele chemicaliën worden volgens eeuwenoude procédés gemaakt zoals blauwsel, loodwit, zwavel- en salpeterzuur, zout, buskruit, zeep, stijfsel, lijm en kaarsen. Innovatie, een kenmerk van de chemische industrie, speelt in Nederland geen rol van betekenis. Eerst tegen het eind van de 19de eeuw breidt de chemische sector zich uit. Een nieuw chemisch product is bijvoorbeeld de lucifer die rond 1870 zwavelstok en tondeldoos vervangt. De belangrijkste tak van de chemie in de 19de eeuw is de kleurstoffenfabricage, op basis van natuurlijke grondstoffen als meekrap en indigo. Deze industrie gaat nog voor 1900 ten gronde door de komst van synthetische vervangers. Tot WO I komt er echter geen synthetische kleurstoffenindustrie in Nederland van de grond. De verfindustrie telt rond 1910 90 fabrieken met circa 1300 werknemers. De kaarsenindustrie concentreert zich, nadat in het midden van de 19de eeuw de stearine kaars is geďntroduceerd, in twee bedrijven, één te Gouda en één te Schiedam. In 1912 hebben ze samen 1200 werknemers in dienst. Zeepziederijen zijn eeuwenlang een kleinschalige bedrijvigheid. In de tweede helft van de 19de eeuw treedt schaalvergroting op. In 1906 telt de bedrijfstak 59 bedrijven met 1245 werknemers. Rond 1900 zijn er enkele bedrijven die zwavelzuur produceren. De belangrijkste zijn de twee bedrijven van Ketjen met zo’n 100 werknemers. Voor het maken van buskruit is salpeterzuur nodig die geproduceerd wordt door de Gezamenlijke Buskruitmakers te Muiden en Nieuwer Amstel. Een nieuwe tak van industrie is de kunstmestproductie op basis van zwavelzuur. De productie van superfosfaat start in Nederland in 1875 te Capelle a/d IJssel. Een belangrijke uitbreiding vormt in 1895 de productie van zwavelzuur bij CGF te Zwijndrecht. De kunstmestfabrieken in Pernis komen in 1907 resp. 1910 tot stand. In de fosfaatindustrie werken dan zo’n 700 werknemers. De fabricage van steenkoolgas levert een aantal bijproducten op. Natuurlijk cokes, maar ook teer en het z.g. ‘gaswater’. Uit dit gaswater wordt ammoniak, koolzuur en zwavelzure ammoniak gemaakt. Ammoniak is een grondstof voor de kunstmestindustrie. De koolteer vindt zijn weg als grondstof voor het vervaardigen van creosootolie, kunstmatige kleurstoffen, farmaceutische producten en asfalt.
In 1910 zijn er zes koolteerdestilleerderijen actief. Het aantal rubberfabrieken groeit tussen 1903 en 1913 van drie naar 29 bedrijven met tezamen 415 werknemers. In de reuk- en smaakstoffen industrie werken in 1912 185 werknemers in twaalf bedrijven, terwijl in de parfumerie-industrie – waarvan Boldoot wel de bekendste is – in acht bedrijven 280 mensen werken. De geneesmiddelen industrie vindt zijn aanvang in het midden van de 19de eeuw met de vervaardiging van kinine. In totaal zijn er in 1910 een twaalftal bedrijven actief in het produceren van farmaceutische preparaten en geneesmiddelen. Tijdens WO I stokt de aanvoer van grondstoffen. Dit maakt het noodzakelijk om zelf meer ‘onmisbare’ producten als zoutzuur, salpeterzuur, chloorbleekloog, ether en aceton te fabriceren. Tussen 1914 en 1917 komen 228 nieuwe bedrijven tot stand en 352 fabrieken breiden hun productie uit. Een deel van deze uitbreiding is slechts ‘oorlogswinst’ en verdwijnt weer snel na afloop van de oorlog. Maar de pijnlijk aan het licht getreden afhankelijkheid geeft de chemische industrie duurzame impulsen.

De Fabrieksarbeidersbonden

Fabrieksarbeiders komen – een aantal plaatselijke organisaties daargelaten – eerst na 1900 tot organisatie. Als in 1902 het R.K. Arbeiders-Secretariaat ‘St. Leonardus’ wordt ingesteld – een samenvoeging van transport- en fabrieksarbeiders – ontstaat een bont geheel. In feite krijgt St. Leonardus alles toegeschoven wat niet onder te brengen is bij een van de andere vaksecretariaten. Ondanks dat 14 plaatselijke organisaties – waaronder de vakafdeling van de R.K. Volksbond ‘Kardinaal Manning’, opgericht in 1891 te Rotterdam, de Vereeniging van Brandersknechts ‘Johannes de Doper’, opgericht in 1893 te Schiedam, de fabrieksarbeidersvereniging ‘Sint-Eustachius’ opgericht in 1899 te Delft en de Blekersgezellenvereeniging ‘St. Antonius van Padua, opgericht in 1903 te Gouda – zich direct aansluiten telt St. Leonardus niet meer dan 500 leden. In de verdere ontwikkeling komt het zwaartepunt in de ledentallen steeds meer bij de leden uit de transportsector te liggen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in 1918 een splitsing plaats vindt tussen transport- en fabrieksarbeiders. De fabrieksarbeiders gaan door in de R.K. Fabrieksarbeidersbond ‘St. Willibrordus, zoals sinds 1911 de organisatie is genaamd. De transportarbeiders gaan in een eigen organisatie verder. Tegen het eind van WO I telt de bond zo’n 4.000 leden.
Het kost het NVV zeker niet minder moeite om het weinig of niet geschoolde fabriekspersoneel te organiseren. In 1907 gaat in opdracht van het NVV verbondsbestuur Roel Stenhuis aan de slag om de fabrieksarbeiders te organiseren. Stenhuis is een 22-jarige strokartonarbeider met een enorme werkkracht en dito uithoudingsvermogen. Zijn pionierswerk leidt er toe dat nog in hetzelfde jaar te Veendam de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA) wordt opgericht. De start wordt gemaakt met 131 leden. Reeds bestaande verenigingen in de Zaanstreek en Delft sluiten zich aan. Alle inzet ten spijt in 1912 telt de bond nog maar 386 leden. Eerst nadat de bond successen boekt door cao’s af te sluiten met arbeidstijdverkorting en loonsverbetering begint de ledengroei. Tegen het eind van WO I telt de NVvFA 10.000 leden.
De fabrieksarbeidersbonden moeten op welhaast elk werkterrein of dat nu de steenindustrie, de brouwerijen, de lederindustrie of de papier- en kartonindustrie is hun positie veroveren, alvorens erkenning te krijgen en cao’s af te kunnen sluiten. Voor WO II zijn er jaarlijks wel een tiental stakingen waar bij de NVvFA en St. Willibrordus, alleen of gezamenlijk bij betrokken zijn. Het aantal cao’s waar de fabrieksarbeiders bij betrokken zijn groeit door de jaren heen – de eerste cao sloten ze af in 1905 – naar meer dan 200 bedrijfs- en bedrijfstak cao’s. Binnen hun eigen vakcentrale groeien de fabrieksarbeidersbonden, die naar verhouding een late start kennen uit tot middelgrote organisaties. In 1960 telt St. Willibrordus ruim 42.000 leden. De NVvFA, inmiddels omgedoopt tot Algemene Bedrijfsgroepen Centrale (ABC), vanwege de bedrijfstaksgewijze organisatie, enige duizenden meer.
Is in aanvang het werkterrein van de fabrieksarbeidersbonden vooral gelegen in het ongeschoolde werk. Naarmate de industrie zich verder ontwikkeld – met name de petrochemische industrie – naar technisch hoogwaardige bedrijven verschuift het werkterrein. Omdat te illustreren verdwijnt bij beide organisatie in de jaren vijftig van de 20ste eeuw het woord ‘fabrieksarbeiders’ uit de naamgeving.

Crisis

In de jaren twintig van de 20ste eeuw wordt regelmatig propaganda gemaakt door middel van huisbezoek. Bij werknemers van bijvoorbeeld de AKU (voorloper van AKZO) wordt regelmatig wel sympathie voor de bond ervaren, maar dat leidt niet tot lidmaatschap uit vrees voor de gevolgen. Ook speelt de overweging dat ze werkzaam zijn bij een bloeiende onderneming en dus geen vakbond nodig hebben. Onder deze omstandigheden is het aanvankelijk onmogelijk voor de fabrieksarbeidersbonden vaste voet bij de AKU te krijgen. Als de economische crisis ook doorwerkt in de chemische industrie veranderen de opvattingen bij het personeel. De omslag is zo volledig dat in 1929 en 1930 een tweetal stakingen plaatsvinden. Één te Rotterdam en één te Ede. De staking in mei 1930 in Ede onder de spinnerij werknemers is een verzet tegen de rationalisatie maatregelen van het bedrijf. Het AKU bedrijf in Rotterdam-Hillegersberg is uit personeelsgebrek in Ede in 1926 opgericht, met als oogmerk dat in Rotterdam beschikt kan worden over meisjes uit een geďndustrialiseerde omgeving. Het is geen productiebedrijf maar er wordt gesorteerd, verpakt en geëxpedieerd. De staking in Rotterdam onder het vrijwel uitsluitend vrouwelijk personeel is een verzet tegen de bezuinigingen op de arbeidsvoorwaarden. De plotselinge staking onder de vrouwen in de sorteerderij bij het AKU bedrijf in Rotterdam- Hillegersberg zorgt ervoor dat het bedrijf gedurende een aantal dagen stil ligt. De staking kan worden beëindigt met een verhoging van de uurlonen met 2 cent, een wijziging van het tariefstelsel, verhoging van de overwerktoeslag en een uitbreiding van vakantie en vakantietoeslag.

‘Booming bussiness’

De productie van de chemische industrie heeft in 1948 die van 1938 alweer overschreden. De export groeit van f85 miljoen in 1946 tot f495 miljoen in 1950. Het aantal werknemers groeit in dezelfde periode van 27.000 naar 50.000. In de jaren vijftig verdubbeld de omzet van f1,2 naar f2,35 miljard. De export groeit naar f1,2 miljard en het aantal werknemers naar 59.000. Chemische producten vervangen tal van natuurproducten. Voorbeelden zijn de kunsthars in verf en drukinkt, de synthetische vezels, wasmiddelen en bestrijdingsmiddelen voor de land- en tuinbouw. Gezamenlijk zorgen ze voor de sterke groei van de chemische sector. De productie van verf stijgt van 74 miljoen kilo in 1950 tot 116 miljoen kilo in 1960. In hetzelfde decennium groeit de wasmiddelenproductie van 124 naar 176 miljoen kg. Ook in andere sectoren is sprake van aanzienlijke groei. De cementproductie verdubbeld, de zoutafzet verdrievoudigd, de hoeveelheid stikstofmest wordt vier en de chloor en loog afzet vijf maal zo groot. West-Europa is de belangrijkste afzetmarkt van de Nederlandse chemische industrie. De komst van de Euromarkt in 1957 en de geleidelijke afbraak van de tolmuren tussen de lidstaten is gunstig voor de chemische bedrijven. De positie van Nederland als de poort van Europa komt tot zijn recht en met name de petrochemische industrie bloeit. De EG maakt het mogelijk dat onder meer de petrochemische concerns grotere aantallen kunnen produceren, zodat de prijs per eenheid daalt en de afzetmarkt verder groeit.

De olieboycot

In oktober 1973 wordt Nederland door een olieboycot getroffen. De aanvoer van ruwe olie uit de Arabische landen ligt na 30 oktober stil. Het lijkt desastreus aangezien 54% van de aangevoerde ruwe olie in het Botlek/Europoort gebied uit Saoedi-Arabië en Koeweit komt. De oliemaatschappijen, onder aanvoering van Shell, spiegelen ons een sombere toekomst voor. Ontslagen zijn onvermijdelijk en het lijkt er op dat de gevolgen van de oliecrisis vooral bij de werkgelegenheid en de inkomenspositie van de werknemers wordt gelegd. Gelet op de sombere economische vooruitzichten dringt het kabinet Den Uyl aan op een centraal akkoord tussen werknemers en werkgevers. Een principe akkoord wordt bereikt, maar kennelijk zijn de werkgevers niet zo onder de indruk van de dreigende economische crisis. Zij wijzen het principe akkoord af en het centraal akkoord is mislukt.
Overheid en olie-industrie starten een campagne om zuinig aan te doen met energie. Den Uyl zal in een rede de historische woorden spreken: “Dat het nooit meer zal worden als het was.” De autoloze zondag wordt bedacht en er zijn distributiebonnetjes voor brandstof.
De Industriebond NVV – ontstaan op 1 januari 1972 uit een fusie van ABC, Metaalbedrijfsbond NVV en de ABTK ‘De Eendracht – is niet overtuigd van het olie tekort. De bond wil, alvorens in te gaan op de gevolgen van de crisis, weten hoe het feitelijk staat met de olievoorraden. Aan de kaderleden van de bond in de petrochemische industrie wordt nadere informatie gevraagd. Wekelijks volgen daarna uit de bedrijfsafdelingen rapporten over aanvoer, verwerking, opslag, doorvoer en afzet van ruwe olie en olieproducten per onderneming. Uit de informatie blijkt dat de opslagtanks goed zijn gevuld. In februari 1974 komt er weliswaar minder olie uit Saoedi-Arabië aan, maar dat wordt gecompenseerd door verhoogde aanvoer uit andere olie producerende landen. Van een verminderde productie is nauwelijks spraken ook niet in de chemische industrie.
Ab Schravemade, districtshoofd van de Industriebond NVV in Rotterdam/Rijnmond, neemt geen blad voor de mond als hij de bevindingen van de kaderleden naar buiten brengt. Hij krijgt veel belangstelling in de media. Even lijkt het erop of we dagelijks naast de waterstanden ook het oliepeil te horen krijgen. De cijfers die door de Industriebond NVV worden gepubliceerd wijken af van de officiële cijfers van overheid en ondernemers en zijn veel minder verontrustend. Als Schravemade op 1 februari 1974 wordt uitgenodigd om op een congres van de Erasmus Universiteit in pakweg vijf minuten uit te leggen waarom de bond haar afwijkende cijfers naar buiten brengt heeft hij de vijf minuten niet nodig. Zijn hele inleiding luidt: “In het belang en als spreekbuis van de werknemers.”

De vijfploegendienst

Aan werken in ploegendienst kleven stevige bezwaren. Door wisselend in dag-, avond- en nachtdienst te moeten werken wordt het sociale leven beperkt. Deelnemen aan het verenigingsleven is niet goed mogelijk. Het werken op onregelmatige tijdstippen is niet echt bevorderlijk voor de gezondheid van werknemers. Het verstoren van het ‘biologische ritme’ eist zijn tol onder andere met slaapstoornissen. Daar staat tegenover dat een ploegentoeslag van 28 ŕ 30% zorgt voor een goed inkomen. In de periode dat de werkweek 48 resp. 45 uur bedroeg hebben werknemers in de volcontinu een kortere werkweek. Een week telt 168 uur, zodat een vierploegendienst een gemiddelde werkweek kent van 168 : 4 = 42 uur. Bij het invoeren van de 40-urige werkweek wordt de achterstand die het volcontinupersoneel oploopt gecompenseerd met 13 extra roostervrije dagen. Naast de zware nachtdienst is vooral het grote probleem van de vierploegendienst het veelvuldig moeten werken in de weekeinde. Slechts eenmaal in de vier weken is er sprake van een volledig vrij weekend. Vanaf 1972 staat invoering van een vijfploegendienst op het verlanglijstje van de bond. Voordelen zijn: een feitelijke arbeidstijdverkorting tot 33,6 uur per week en meer vrij in de weekeinde. Van vier naar vijf ploegen betekent tegelijkertijd uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen.
Stapsgewijs wordt bij de cao-onderhandelingen enige vordering gemaakt. Zo wordt bij Continental Columbian Carbon en bij de Rotterdam-Antwerpen Pijpleiding maatschappij een ‘oneigenlijke vijfploegendienst’ ingevoerd op basis van een vierploegenrooster met wisselend de vijfde ploeg in dagdienst. In een dergelijke ploegendienst zijn er meer vrije weekeinde. Het pad wat verder leidt naar een volledige vijfploegendienst ligt geplaveid met een aantal stakingen. Allereerst die bij ICI en Cyanamid in 1977. Bij ICI komt het tot een garantie van 47 vrije weekenddagen, wat nagenoeg gelijk is aan het aantal vrije weekenddagen in de vijfploegendienst. Bij Cyanamid en bij de andere chemische bedrijven als Shell en Albatros/UKF komt er een afspraak voor 42 vrije weekenddagen.
De Industriebond verzoekt de Erasmus Universiteit onderzoek te doen naar de sociale en medische aspecten van het werken in ploegendienst. Het onderzoek richt zich op de werknemers bij Shell in Pernis. Het bedrijf weigert niet alleen medewerking aan het onderzoek, maar verbiedt zelfs de werknemers in bedrijfstijd de vragenlijsten in te vullen. Het verhindert de volcontinuwerknemers niet om deel te nemen aan de enquęte. Bijna vijftig procent (1182) vullen de vragenlijst in. De wetenschappelijke resultaten van het onderzoek tonen onweerlegbaar aan dat de onregelmatigheid van het werk in vierploegendienst slecht is voor mensen. Misschien wordt het nog wel het beste aangegeven door de titel van de film die de unversiteit over het onderwerp maakten: “Bruine bonen bij het ontbijt.”
De inmiddels Industriebond FNV geworden bond doet voor de nieuwe cao-ronde natuurlijk opnieuw voorstellen voor invoering van een vijfploegendienst. Aan het arbeidsvoorwaardenbeleid is inmiddels toegevoegd arbeidstijdverkorting voor iedereen. Vooral herverdeling van arbeid uit werkgelegenheidsmotieven ligt hieraan ten grondslag. Bij Shell en Albatros lopen de onderhandelingen vast en in september 1979 leidt dat staking bij beide bedrijven. Bij Shell wordt de staking met geweld gebroken. Vooralsnog wordt de vijfploegendienst niet bereikt. In 1980 volgt een doorbraak in een staking bij Mobil Oil in Amsterdam. Het resultaat is een gemengde 4/5 ploegendienst. Twaalf weken vierploegendienst van 42 uur per week gemiddeld en 40 weken vijfploegendienst met een gemiddeld werkweek van 33,6 uur. Het gaat daarna snel in de cao-besprekingen met de diverse petrochemische bedrijven worden resultaten geboekt en in de loop van 1983 wordt bij de meeste bedrijven de vijfploegendienst ingevoerd. Vaak nog met terugkomdagen of soortgelijke schoonheidsfoutjes, maar in de jaren daarna worden die stuk voor stuk weggewerkt. Shell is de laatste in de rij. Eerst in 1985 komt daar de gemengde 4/5 ploegendienst en pas in 1989 is er sprake van een volledige vijfploegendienst. Piet Scheele, bestuurder van de Industriebond NVV/FNV in het Rijnmondgebied en van 1972 tot 1987 onderhandelaar – en hardnekkig pleitbezorger voor de vijfploegendienst – voor de bond in de petrochemie zegt het als volgt: “De rol van Shell bij het tot stand komen van de vijfploegendienst, was onnodig negatief geweest. Arrogant had de directie gedacht de ontwikkelingen te kunnen stoppen, tevergeefs.”
© Dik Nas/Vakbondshistorische Vereniging
30 november 2001

Geraadpleegde literatuur

A.van der Blom, Kunst die partij koos (Amsterdam 1980)
M. Dendermonde, Nieuwe tijden, nieuwe schakels. De eerste vijftig jaren van de A.K.U. (Arnhem 1961)
G. Harmsen e.a., Mensenwerk. Industriële vakbonden op weg naar eenheid (Baarn 1980)
J. ten Hove,’De chemische industrie in Nederland 1800-1990′ in: Delfstoffenwinning en chemische industrie. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993)
P. Scheele, Werken tussen leden en bondsbestuur. 15 jaar onderhandelen voor de Industriebond FNV in de petrochemische industrie in de Rijnmond (Amsterdam 1994)
Herdenking. Uitgegeven bij het 40-jarig bestaan der Nederlandse Vereniging van Fabrieksarbeiders (1947)
Herinneringsnummer ‘De Fabrieksarbeider’ (4 augustus 1932)
Jubileumnummer Industria 1911-1961 (Utrecht 1961)