Tussen flexibiliteit en zekerheid
Flexibele arbeid in de Nederlandse polder (1950-2020)
Tekst: Tim Ruting
Januari 2026
Alle illustraties zijn afkomstig van het IISG, beeldredactie: Kier Schuringa.
Sinds een aantal jaar staat flexibele arbeid weer helemaal op de politieke agenda. Vanaf 2010 zijn er nieuwe wetten tot stand gekomen waardoor de risico’s van flexibele arbeid daalden. Tegelijkertijd namen de rechten van flexwerkers binnen flexibele arbeidsovereenkomsten toe. Werkgevers moeten bijvoorbeeld mensen met een nulurencontract na een jaar vaste uren aanbieden.
Ondanks deze nieuwe regulering, staan de kranten nog altijd vol met artikelen die flexibele arbeid ter discussie stellen. Moeten we al die fietskoeriers wel willen en wordt het niet hoogst tijd dat vrouwen ook voltijd gaan werken? We stellen zelden de vraag hoe deze situatie is ontstaan en wat voor zoveel Nederlandse arbeiders de huidige situatie op de werkvloer verklaard. Door een kijkje te nemen in de onderzoeksresultaten van het project ‘Flexibele arbeid in de Nederlandse polder (1950-2020)’ krijgen we inzicht in de lange ontstaansgeschiedenis van het moderne flexwerk.
Ontstaansgeschiedenis flexibele arbeid
Het Instituut Gak dat het project financierde stelde onderzoekers dr. Timon de Groot en drs. Jeroen van Veldhoven, onder begeleiding van prof. dr. Lex Heerma van Voss, de afgelopen jaren in staat om onderzoek te doen naar de lange ontstaansgeschiedenis en de verschillende vormen van flexibele arbeid in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Onder deze brede term vallen namelijk verschillende soorten werk, zoals deeltijdwerk, oproepwerk, uitzendwerk en zelfstandig werk, beter bekend als zzp. De historici probeerden de ontwikkeling van flexibele arbeid vanuit de sociale partners (de vakbonden en de werkgeversorganisaties) en de politiek te verklaren. Zij keken bijvoorbeeld naar de macht van kapitaal en arbeid, de kracht van politieke partijen en vakbonden, en het belang van verbeeldingskracht in het maken van beleid. Al met al schreven zij een bijzondere geschiedenis die ik, Tim Ruting, de rapporteur van het project, op basis van de vier werksoorten hieronder zal samenvatten.
Deeltijd? Van alle tijden! Ook toen stond de vrouw vooraan
In 1945 was de oorlog voorbij en voor de wederopbouw moesten Nederlanders weer volop aan het werk. Toch was werken niet voor iedereen bedoeld. Werkgevers en overheid gingen uit van het kostwinnermodel, een traditioneel christelijk concept: het inkomen van de vader van het gezin moest volstaan in de kosten van het gemiddelde gezin: twee ouders en twee kinderen (met daarboven op de zorg voor grootouders). Tegelijkertijd werkte de Nederlandse politiek in de eerste decennia na de oorlog aan de zogenoemde geleide loonpolitiek. Om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren, moesten de productiekosten van de industrie (en dus de lonen) laag blijven. Hiervoor werden afspraken gemaakt tussen de sociale partners en de overheid.
Geleide loonpolitiek
De geleide loonpolitiek gecombineerd met het kostwinner model liet te wensen over voor veel Nederlanders. In dit model werkte enkel de vader om het gezin financieel te voorzien. Kostwinners en hun gezinnen hielden maar net genoeg geld over en wilden maar al te graag iets meer verdienen. De wens onder vrouwen om te gaan werken was groot, maar het was niet de bedoeling, aldus de sociale partners en de (voornamelijk christelijke) politieke partijen. De volledige integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt zou het kostwinnersmodel in gevaar brengen door het grotere aanbod van arbeid en tegelijkertijd zouden vrouwen hierdoor minder tijd over hebben voor hun rol in het gezin. De argumenten klinken ouderwets, maar ook vandaag de dag zien we de verleiding van de oplossing die de sociale partners uit de jaren ’50 bedachten: deeltijdwerk.
Gezin in gevaar

De vakbonden, de werkgeversorganisaties en de politiek waren unaniem in hun oordeel: volledige banen voor vrouwen brengt het gezin in gevaar. Na de oorlog was er vanuit de overheid een vergunning vereist als een getrouwde vrouw wilde werken. Hierdoor nemen we een kijkje in de gestage groei van het aantal tweeverdieners. Tussen 1947 en 1960 groeide het aantal werkende getrouwde vrouwen met bijna 200%. Toch waren veel vrouwen niet tevreden met hun werk. Het aantal deeltijdbanen groeide maar beperkt vanwege weerstand in verschillende sectoren, zoals de industrie. Deeltijdwerk vond in de jaren ’60 en ’70 vooral plaats in de detailhandel waar vanwege de lange openingstijden en opening op zaterdag veel deeltijdwerkers werden ingezet. Daarin stond Albert Heijn voorop. Vrouwen deden vaak ongeschoold werk in deeltijd via tijdelijke contracten voor minder dan het minimumloon en werden een lange tijd niet vertegenwoordigd in de CAO’s. In de jaren ’70 kwam de Dienstenbond in de sector detailhandel op voor betere rechten voor deze werkende vrouwen, waaronder gelijke rechten op de WW en hogere lonen.
Oproep leidt tot afkeer. Flexibilisering in de jaren ’80 en ’90
Zo leek het erop dat nieuwe regulering flexibele arbeid gelijk zou stellen aan voltijd werk, maar dat veranderde met de komst van de tweede oliecrisis eind jaren zeventig. De klap van de oliecrisis dreunde na in de Nederlandse economie tot diep in de jaren tachtig. De werkloosheid bereikte nieuwe hoogtes die niet meer waren gezien sinds de jaren ’30. Veel ongeschoolde arbeiders kwamen op straat te staan, waaronder deeltijdwerkers. Het sociale zekerheidsstelsel kwam vanwege de werkloosheid en het groeiende aantal WW-uitkeringen onder grote druk te staan.
Nieuwe banen
Als gevolg van de nieuwe situatie zette de overheid volop in op flexibele arbeid. Het aansturen op nieuwe werkplekken zou de last op de WW en de rest van het socialezekerheidsstelsel verlichten en het korten op arbeidstijden zou nieuwe banen opleveren. Flexibele arbeid moest aantrekkelijk gemaakt worden. In eerste instantie werd dit plan uitgevoerd in de publieke sector, maar vanaf 1985 kwam er ook een gestage groei in het aantal oproepkrachten buiten de publieke sector. Deze werkvorm was flexibeler dan de gebruikelijke deeltijdbaan, want een werknemer werd afhankelijk van het wisselende aanbod van werk en had geen recht op vaste werkuren. Werkende moeders die de kinderopvang moeilijk konden betalen, gingen nu vaak minder dan 13 uur per week werken. De dure Nederlandse kinderopvang in vergelijking met omliggende landen, maakte dat vrouwen minder werkten dan ze zouden willen.

Polarisatie
Met name de situatie van alleenstaande moeders in deze precaire arbeidsrelaties kwam gedurende de jaren ’80 en ’90 hoog op de politieke agenda te staan. Er moest gewerkt worden aan regulering, maar door polarisatie was samenwerking tussen de sociale partners aan het einde van het millennium ver te zoeken. De vakbonden FNV en CNV benadrukten het belang van gepast beleid om deze precaire vorm van flexibele arbeid te verbeteren. Arbeidsvormen van minder dan 1/3 van voltijd werkuren vielen vanaf 1993 onder het minimumloon, het socialezekerheidsstelsel en de beroepspensioenregeling. Oproepkrachten werden alleen nog niet gerepresenteerd in de CAO-onderhandelingen.
De politiek was net zo verdeeld als de sociale partners. In de jaren ’90 steunden PvdA en GroenLinks een voorstel van een parlementaire commissie om oproepdiensten een vaste duur te geven. Er was geen standaard voor de minimale duur van oproepdiensten, maar vanuit de vakbonden werd aangestuurd op een richtlijn van minimaal drie uur. De VVD bood aan om dit te verlagen naar twee uur, maar het CDA wilde liever dat zulke onderhandelingen via de sociale partners verliepen. Uiteindelijk werden in de kabinetten Lubbers III (1989-1994) en Kok I (1994-1998) toch afspraken gemaakt die het oproepwerk reguleerde naar minimale standaarddiensten, maar de afweging tussen flexibiliteit en zekerheid bleef een moeilijk thema.
Hernieuwde belangstelling
Het bleef lang stil in de politiek na de afspraken van de jaren ’90, maar sinds 2010 groeide er hernieuwde belangstelling voor het thema. Steeds meer mensen zaten vast in een eindeloze reeks tijdelijke contracten zonder kans te maken op een permanent contract en zekerheid van werkuren. In kabinetten Rutte II (VVD-PvdA, 2012-2017) en III (VVD-CDA-D66, 2017-2022) speelden PvdA, D66 en de sociale partners een cruciale rol in het aanpakken van deze situatie. De Wet Werk en Zekerheid (2015) bepaalt nu dat werkgevers maar een beperkt aantal tijdelijke contracten achtereenvolgend mogen geven. Tegelijkertijd gaan nieuwe plannen nog veel verder. Zo wil de politiek de zekerheid van werk verhogen door het nulurencontract langzamerhand uit te faseren en in 2027 te laten verdwijnen. De tijd zal het leren.
De baan als winstoogmerk. De opkomst van de moderne uitzendbureaus
Net als de oproepkracht is de arbeidsrelatie van uitzendkrachten enorm veranderd door de jaren heen. Tot 1964 gold in Nederland het uitgangspunt dat arbeidsbemiddeling uitsluitend zonder winstoogmerk mocht plaatsvinden. Met de invoering van een vergunningensysteem voor uitzendbureaus kwam daarin verandering. Bedrijven konden voortaan legaal personeel uitzenden, en uitzendkrachten gingen vaak op freelancebasis werken, zonder vast dienstverband. Deze vorm van flexibele arbeid bevond zich in een juridisch grijs gebied. De politiek discussieerde over de regulering van deze bureaus en over de opname van uitzendkrachten in het sociale zekerheidsstelsel. Hoewel dit het inhuren van uitzendkrachten duurder maakte, werd hun positie door de nieuwe wetgeving wel gelegitimeerd.
Meer grip

In de jaren ’70 en ’80 probeerde de overheid meer grip te krijgen op de duur van tijdelijke contracten. Vanaf 1974 mochten uitzendkrachten maximaal zes maanden bij één inlener werken en vanaf 1980 slechts drie maanden. Na de tweede oliecrisis (1979) kwam er een omslag in het beleid. Om banen te behouden en nieuwe werkgelegenheid te creëren, begon de overheid flexibele arbeidsvormen zoals uitzendwerk juist te stimuleren. De regels voor uitzendwerk werden versoepeld en de maximale contractduur werd verlengd. Het aantal uitzendkrachten groeide gestaag, evenals het aantal uitzendbureaus.
Wildgroei
Door de wildgroei aan uitzendbureaus en uitzendstructuren groeide ook de druk om arbeidscontracten beter te beschermen. Tegelijkertijd werd duidelijk dat het vergunningensysteem voor uitzendbureaus steeds minder goed functioneerde. Binnen het eerste kabinet-Kok (1994-1998) liepen de hervormingen vast, waarna de sociale partners zelf tot een compromis moesten komen. Dat leidde in 1999 tot de Wet Flexibiliteit en Zekerheid, beter bekend als de Flexwet. Deze wet moest een balans creëren tussen flexibiliteit voor werkgevers en zekerheid voor werknemers. Het vergunningensysteem werd afgeschaft en het aantal opeenvolgende tijdelijke contracten dat mocht worden aangeboden, werd verhoogd. Daarmee werd flexibele arbeid een structureel onderdeel van de Nederlandse arbeidsmarkt, de zogeheten flexibele schil.
Toenemende ongelijkheid
Na de invoering van de Flexwet verdween flexibele arbeid tijdelijk uit het politieke debat, maar vanaf 2010 groeide de aandacht door toenemende ongelijkheid tussen vaste en flexibele banen. Kabinet Rutte 1 (2010-2012) wilde meer regulering en hervormingen in de sociale zekerheid, maar dit voorstel stuitte op weerstand van de sociale partners. Zij ontwierpen een alternatief akkoord dat leidde tot de Wet Werk en Zekerheid, met beperkingen op tijdelijke en nulurencontracten. Payrolling, een andere vorm van uitzendwerk, bleef buiten beschouwing. Payrollbedrijven namen werkgeversadministratie over, wat tot ongelijke behandeling leidde. Pas onder Rutte III werden met de Wet Arbeidsmarkt in Balans (2020) stappen gezet richting betere regulering van deze nieuwe structuur.
De diversiteit van zelfstandigheid. Zelfstandig werk door de jaren heen
Oproep-, uitzend- en deeltijdwerkers hebben veel overeenkomsten. In vergelijking met deze werknemers lijken zelfstandigen een vreemde eend in de bijt. Dat komt doordat het imago van zelfstandig werk in de loop der jaren enorm is veranderd. Voorheen waren zelfstandigen vooral mensen met kleine zaken, zoals loodgieters of zelfstandige boeren. In de jaren ’80 veranderde dat imago. De zelfstandige arbeider werd vanuit de overheid aanschouwt als een ondernemer die de economie en werkgelegenheid weer op gang kon brengen. Veel recenter is het beeld van schijn- en schrijnzelfstandigheid ontstaan, waarbij fietskoeriers en taxichauffeurs voor een grote onderneming werken en soms nauwelijks kunnen rondkomen. Net zoals in het oproepwerk en het uitzendwerk waren de gevolgen van de tweede oliecrisis op zelfstandig werk enorm. Om te snappen hoe steeds meer arbeiders zelfstandig werden, moeten we een kijkje nemen in de geschiedenis.
Belastingvraagstuk
Zelfstandigen zijn divers in hun zaken, maar hadden altijd moeite om stand te houden tegenover groeiende concurrentie vanuit grote bedrijven. Al in de jaren ‘70 was er veel discussie over hoe de overheid zelfstandigen kon helpen om overeind te blijven. Zo bood kabinet De Jong (1967-1971) aan om 10% van hun taxeerbare winst belastingvrij te maken. Hiermee begon een verhitte discussie over het verschil tussen arbeiders, zelfstandigen en bedrijven. Om zelfstandigen tegemoet te komen, zonder een algemene belastingvrije voet op winst te creëren, werd deze maatregel vervangen met een pensioenregeling voor zelfstandigen.
Veel zelfstandigen hadden namelijk nauwelijks pensioen opgebouwd in vergelijking met werknemers. Toch keerde het belastingvraagstuk terug in het kabinet Den Uyl (1973-1977). Het voorstel zou worden aangepast, waardoor alleen zelfstandigen onder een bepaalde inkomensgrens in aanmerking zouden komen voor de belastingvrije voet op winst. Het kabinet wilde zelfstandigen en werknemers gelijk belasten, maar de druk vanuit het politieke midden en het MKB was groot. Uiteindelijk kwam in 1974 de belastingmaatregel, hoewel tijdelijk, tot stand. Nou ja, tijdelijk, de maatregel werd vervolgens meermaals verlengd en uiteindelijk zelfs permanent gemaakt onder kabinet Lubbers I (1982-1984).

Verandering van focus
Met de komst van de tweede oliecrisis moest de overheid halsoverkop aan de slag met het redden van de werkgelegenheid. De belasting voor bedrijven werd verlaagd om de arbeidskosten te kunnen dekken, maar ook zelfstandigen profiteerde hiervan. De discussies uit de jaren ‘70 leidden ertoe dat de belastingdruk voor bedrijven en zelfstandigen zoveel mogelijk gelijk werd getrokken. De zelfstandige kon daarnaast als ondernemer doorgroeien en nieuwe banen creëren. Het aantal zelfstandigen rees fors, maar het was niet altijd een vrije keuze. Werknemers werden ten tijde van economische malaise vaak uit noodzaak zelfstandig om aan het werk te blijven en inkomen te genereren. Om deze nieuwe ondernemers meer financiële ruimte te geven werden verplichte betalingen aan het sociale zekerheidsstelsel afgeschaft en een arbeidsongeschiktheidsverzekering werd niet langer verplicht. De focus van de overheid op het behouden en stimuleren van de werkgelegenheid door het verlagen van de belastingdruk in de jaren ‘80 en ‘90 zorgde dat de verschillen tussen werknemers en zelfstandigen bleven groeien, maar ten koste van hun sociale zekerheid.
Geduld raakt op
Na de millenniumwisseling bleef de deregulering van zelfstandige arbeid doorgaan, maar het geduld van nieuwe zelfstandigen raakte op. De deregulering onder Balkenende II (2003-2006) leidde rond 2010 tot groeiende problemen: 40% van de zelfstandigen deed werk vergelijkbaar met werknemers, maar vaak onder slechtere voorwaarden. Fietskoeriers en taxichauffeurs waren jarenlang wellicht de bekendste voorbeelden hiervan in Nederland. Precaire arbeidsomstandigheden en schijnconstructies namen toe, terwijl de Sociaal Economische Raad regulering niet nodig vond. Maatschappelijke druk groeide om werkgevers verantwoordelijker te maken.
In het akkoord van 2013 vroegen sociale partners om maatregelen tegen schijnzelfstandigheid. Kabinet Rutte II wilde de Verklaring arbeidsrelatie, ook wel de VAR, vervangen door een web module voor betere handhaving, maar door zware kritiek werd dit teruggedraaid. Als alternatief introduceerde het kabinet in 2016 modelovereenkomsten via de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties om voortaan arbeidsrelaties te beoordelen.
Waar staan we nu? Waar gaan we heen? Flex en de toekomst
Flexibele arbeid is door de loop der jaren veel veranderd en steeds meer Nederlanders krijgen ermee te maken. De afgelopen jaren steeg het aantal arbeiders in flexibele arbeidsposities naar 40% van het totaal aantal werkenden. Vanaf 2010 heeft de hernieuwde aandacht voor deze arbeidsgroep ervoor gezorgd dat de regulering en de doorstroom naar vaste arbeidsposities verbeterde. Toch zijn er nog tal van thema’s waarover het laatste woord nog niet is gesproken. Ook in het nieuwe kabinet zullen er nieuwe afwegingen gemaakt worden tussen flexibiliteit en zekerheid. Het project ‘Flexibele arbeid in de Nederlandse polder’ organiseert daarom kennissessies zodat mensen kunnen leren, luisteren en meepraten over de geschiedenis en de koers van flexibele arbeid in Nederland. Iedereen is van harte welkom! Heeft u na het lezen van dit artikel interesse gekregen in de artikelen van Timon de Groot of het proefschrift van Jeroen van Veldhoven? Hun onderzoek is na te lezen op de website van Instituut Gak. Zie: Flexibele arbeid – Instituut Gak – Lex Heerma van Voss
Save the date: bijeenkomsten bij het IISG
Kom vooral langs op een van de aankomende evenementen, meer info op de IISG-website:
5 februari 2026![]() | 12 maart 2026![]() |



