Het geheugen van de vakbeweging

Opinie

OR en vakbond: vrienden of vijanden?

Jos Everaers, auteur van dit artikel

Veel mensen denken dat een vakbond vanuit zijn beginselen automatisch een ondernemingsraad (OR) zal ondersteunen. Het gaat immers om medezeggenschap van werknemers over hun bedrijf, over wat er gebeurt op de werkvloer. Een door werknemers gekozen ondernemingsraad die de directie controleert op zijn besluiten, omdat die besluiten ook gevolgen voor hen hebben. Daar kan een vakbond toch niet tegen zijn?
Jos Everaers, namens de NVJ lid van het FNV Ledenparlement en oud hoofdredacteur van het Praktijkblad Ondernemingsraad, wijdt er een kritische beschouwing aan.

Voor de oorlog

Feit is dat de relatie tussen vakbond en OR er een is van vallen en opstaan, van machtsstrijd tot al dan niet stroeve samenwerking. Dat begint al bij de eerste vorm van medezeggenschap, begin 1900. De vakbonden bestaan al enkele tientallen jaren, maar de sociale nood was nog steeds hemeltergend.
Enkele werkgevers (Stork in Hengelo, Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek – later Gist-Brocades – in Delft) kwamen op het idee om met een delegatie van hun arbeiders te praten over wat er op de werkvloer gebeurde. Ze noemden dat een kern. Men zou dat een revolutionair initiatief van enkele ‘verlichte’ werkgevers kunnen noemen, maar de jonge vakbonden vonden dit helemaal niets. De kern was in hun ogen een verderfelijke manier van de kapitalisten om de arbeiders in het gareel te houden. Want de vakbond was immers het enige middel om op te komen voor de positie van de arbeiders.

Toch was er ook voor de Tweede Wereldoorlog ambivalentie in het vakbondsbeleid. Want terwijl de ‘concurrentie’ van de kern werd bestreden, bespeuren we in de nota ‘Bedrijfsorganisatie en medezeggenschap’, een gezamenlijke uitgave van NVV en SDAP uit 1923, reeds opmerkelijk veel contouren van de huidige medezeggenschapswetgeving.

De Wet op de Ondernemingsraden

Pas na de Tweede Wereldoorlog, in 1950, kregen we in Nederland de eerste ondernemingsraden. Dat werd geregeld in de eerste versie van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR). Die kwam er overigens niet vanzelf. Het waren de Amerikanen, die in Duitsland de eerste ondernemingsraden wettelijk verplicht stelden, in de vorm van de Betriebsrat. De reden om werknemers meer invloed te geven op de koers van het bedrijf, was dat het bedrijfsleven in de jaren dertig en tijdens de oorlog massaal Hitler had ondersteund in zijn vreselijke oorlog. Zonder scrupules hadden ze de oorlogsindustrie opgestart en ze legden Hitler geen strobreed in de weg, integendeel. De Amerikanen dachten dat als de Duitse werknemers beter toezicht konden houden op de bedrijfsvoering, het nooit meer zover zou komen.

Naast West-Duitsland en Nederland werden ook in Frankrijk, Engeland en België soortgelijke ondernemingraden opgericht. Maar er was in vergelijking met Nederland één groot verschil. Waren de OR-en in die landen volledig bezet door vakbondsleden en aangestuurd door de vakbondbestuurders, in Nederland koos men er in 1971 voor om ook ongeorganiseerde werknemers (niet-vakbondsleden) in de OR toe te laten. De Nederlandse vakbeweging heeft dit destijds moeten toestaan, maar het was en bleef een doorn in het oog.

Er zouden nog de nodige verbeteringen in de WOR worden aangebracht. Met name in 1979, tijdens het kabinet Den Uyl, kreeg de OR sterke bevoegdheden. De OR kreeg scholingsrecht, het instemmings- en adviesrecht werd verder uitgebreid, de OR kon naar de rechter stappen, de kosten van een advocaat moest de werkgever betalen. Kortom, de OR werd vanaf 1979 een zelfstandig orgaan waarmee de directeur serieus rekening moest gaan houden.

Bedrijvenwerk: van competitie naar coalitie?

Ongedateerde brochure Industriebond FNV (waarschijnlijk 1983)

In de jaren zestig ontstond bij de vakbonden het idee om in de bedrijven ‘bedrijfsledengroepen’ op te richten. Dat waren groepen van actieve vakbondsleden, die naast de OR, de bedrijfsvoering in de gaten gingen houden en zo nodig actie voerden. Hier begon weer de tegenstelling tussen OR en vakbond op te spelen. De bedrijfsledengroepen werden aangestuurd door de vakbondsbestuurder, de OR voerde zijn eigen beleid. Dat botste regelmatig. Leden van de bedrijfsledengroep (blg) zaten vaak óók in de OR, maar voordat de OR bij elkaar kwam, werd in de blg vaak de OR-agenda doorgenomen en een tactiek afgesproken om via de OR-fractie van de bond hun standpunten door de OR te laten aannemen. Niet alle OR-leden – met name de niet-vakbondsleden – waren hier blij mee. Ook kwam het regelmatig voor dat een OR door een vakbondsbestuurder werd geschoffeerd omdat die niet deed wat de vakbondsbestuurder wilde.

In de jaren negentig luwde de strijd. De vakbonden zagen in dat het beter was om samen met de OR op te komen voor de positie van werknemers, in plaats van onderlinge machtsstrijdjes te voeren. De blg’s kregen minder gewicht, beperkten zich tot de cao-onderhandelingen of hielden zelfs op te bestaan. Vakcentrales en vakbonden hadden ondertussen eigen OR-scholingsinstituten en richtten zich meer op het ondersteunen van de OR. Vrijwel elke bond had een of meer medewerkers die zich daarmee bezig hielden. Er was een gratis OR-Centrum, waar je met vragen terecht kon, er waren, speciale OR-cursussen over de specifieke problemen in de bedrijfstak, tal van folders en boekjes. OR en vakbond leken steeds beter samen te werken.

Medezeggenschap bij de overheid

Medio jaren negentig stapte ook de overheid over op de WOR. De ambtenaren hadden altijd een apart medezeggenschapsregime, met een dienstcommissie (dc) voor de rijksoverheid en een medezeggenschapscommissie (mc) voor de gemeenten. Maar dat werden dus OR-en volgens de WOR. Men besloot bij de invoering om voortaan één landelijke OR-verkiezing te houden. Een novum, want alle andere OR-en houden hun verkiezingen op verschillende tijdstippen: elke dag worden er wel ergens OR-verkiezingen gehouden. Niet bij de overheid, die ging dat elke vier jaar op één dag doen. Voordeel hiervan was dat op deze dag de OR in het zonnetje van de publiciteit werd gezet, er kwamen folders, er was aandacht in de pers, en de OR-bladen publiceerden graag de uitslagen. Ook die uitslagen werden namelijk landelijk gebundeld. Een van de elementen die goed in de gaten werd gehouden was de verhouding tussen de vakbondslijsten en de zogenoemde vrije lijsten, zeg maar de niet-vakbondsleden. Wie kreeg de meeste leden in de OR? Na de nulmeting van de eerste verkiezingsdag in 1995, was er elke vier jaar weer een meting van die verhouding. En wat zagen we gebeuren? Ondanks het feit dat het makkelijker is om een vakbondslijst in te dienen dan een vrije lijst (daar waren handtekeningen voor nodig) steeg het aantal OR-leden van de vrije lijsten gestaag. Elke verkiezing zakte het aandeel van de vakbondslijsten. Momenteel ligt het percentage ongeorganiseerde OR-leden op circa 60%. Ooit was dat omgekeerd en was meer dan 60% van de OR-leden georganiseerd. Op zich een slechte ontwikkeling, want onderzoek had aangetoond dat OR-en met veel vakbondsleden beter en sterker functioneerden dan een OR zonder vakbondsleden. Er zijn geen cijfers over, maar de reële verwachting is dat dit ook in het bedrijfsleven het geval is. Men zou denken dat dit voor de ambtenarenbonden slecht nieuws was en dat ze zich gingen beraden over wat er aan de hand was. Maar de bonden zagen dit duidelijke teken, dat ze op de werkvloer steeds minder populair werden, lijdzaam aan. Er is bij de wijziging van de WOR in 1998 wel discussie geweest om ook voor alle OR-en één grote Landelijke OR-verkiezingsdag te organiseren, maar de vakbonden zagen daar geen heil in.

Donkere wolken

Toch trokken er weer donkere wolken boven deze samenwerking, maar dan van geheel andere aard.

1985…

Langzaam werd de ondersteuning van de OR-en minder en minder. Het GBIO (Gemeenschappelijk Begeleidingsinstituut Ondernemingsraden) werd in 2013 onder sterke druk van de werkgevers opgeheven. Het GBIO had als voornaamste taak de kwaliteit van de scholing van OR-en te controleren. Als een instituut aan de voorwaarden voldeed, kregen de OR-cursussen van het OR-scholingsinstituut een aanzienlijk korting. Dit geld kwam uit een fonds dat gevuld werd door de GBIO-bijdrage die elke werkgever vanaf vijftig werknemers moest betalen, zo’n 0,03% van de bruto loonsom. Dat kwam bij elkaar neer op circa 35 miljoen euro per jaar. Verder hield het GBIO – met in het bestuur een gelijk aantal vakbonds- en werkgeversleden – regelmatig onderzoeken over de gang van zaken in OR-land. Maar die GBIO-bijdrage was de werkgevers een doorn in het oog (‘het is rondpompen van geld’) en ze wilden er van af. Na jaren discussie ging de vakbeweging uiteindelijk akkoord met het afschaffen van de werkgeversbijdrage en daarmee met het opheffen van het GBIO. Gevolg was dat in de loop der jaren de kwaliteit van de OR-scholing achteruit holde, de werkgevers nu het hele bedrag van de OR-cursussen moesten betalen en daar moeilijk over gingen doen. Dus niet meer naar een ‘duur’ hotel op de hei, maar liever in de kantine van het bedrijf. Ook het regelmatig onderzoeken van problemen bij het functioneren van de OR of het uitgeven van handige OR-boekjes waren nu van de baan.

…2023

Ook bleken de diverse fusies van FNV een andere fnuikende ontwikkeling voor de kwaliteit van de OR: toen vier bonden in 1998 samen FNV Bondgenoten vormden, betekende dat minder OR-training en minder OR-advies. Toen in 2015 de fusie van een aantal bonden tot één grote ‘ongedeelde’ FNV eenmaal een feit was, volgden er enkele jaren daarna stevige reorganisaties. Uiteraard moest voorkomen worden dat er dingen dubbel of driedubbel werden gedaan. Maar wat na 2018 zo goed als volledig sneuvelde, waren beleid en ondersteuning van de OR. Hadden al die bonden voor de fusie samen zo’n 15 tot 20 medewerkers die zich met medezeggenschapsondersteuning bezighielden, nadat het fusiestof was opgetrokken, bleef er vrijwel niemand meer over. Anno 2023 is er bij de FNV, met zijn circa 950.00 leden en ruim 1600 medewerkers in de werkorganisatie, amper één FTE over die zich beleidsmatig bezig houdt met de OR. Verdere ondersteuning is teruggebracht tot (telefonisch) advies via een beperkt aantal juridisch geschoolde mensen op het OR-adviespunt.

Tot slot…

…mijn persoonlijke mening. Ik vind het een grof schandaal dat de grootste vakbond van Nederland zich zo weinig bekommert om het wel en wee van de Ondernemingsraad. Na de strijd tegen de OR via de bedrijfsledengroepen, de samenwerking in de jaren negentig en nul, heeft anno 2023 de FNV de OR blijkbaar helemaal opgegeven. Medezeggenschap van werknemers op de werkvloer is niet meer belangrijk. Het daarmee verbeteren van de positie van de werknemers is voor de FNV geen issue meer. De FNV heeft de OR de afgelopen jaren laten vallen als een baksteen. Dat het aantal vakbondsleden in de OR gestaag terugloopt, is wellicht dezelfde ontwikkeling als het gestaag dalende aantal leden van de FNV (ondanks de recente lichte opleving). FNV, word wakker, voordat het echt te laat is!

Jos Everaers

28 augustus 2023


Reageren? Stuur ons een mail via deze link