Het geheugen van de vakbeweging

Dik Nas: ‘Bal der debutanten’- deel 9 

Het keezending in de Blijdorppolder

Het Rotterdam waarin op 1 april 1698 Steven Hoogendijk wordt geboren is een bloeiende handelsstad, met een cultureel en intellectueel leven van enige internationale allure, vanwege de vele buitenlanders die de stad bezoeken. Hoogendijk, de tweede zoon van Adriaan Hoogendijk en Elisabeth Tracey, kan in het welvarende en intellectuele klimaat van de stad goed gedijen. Feitelijk treedt hij in de voetsporen van de uit Yarmouth afkomstige horloge- en instrumentmaker Steven Tracey, zijn grootvader van moederskant.

Klik hier voor introductie op en andere afleveringen van ‘Het bal der debutanten’ 

Steven Hoogendijk omstreeks 1775. Gravure van Reinier Vinkeles, naar een tekening van Pieter Stolker.

Tracey maakt rond 1670 voor burgemeester Vroesen van Rotterdam een planetarium voor het lieve sommetje van 70.000 gulden. Het manshoge instrument kan nog steeds worden bewonderd in Museum Boerhaave in Leiden.

In 1702 overlijdt vader Hoogendijk en een jaar later grootvader Tracey. Elisabeth Tracey houdt de horloge en klokkenwinkel aan en Hoogendijk groeit met broer en zus op te midden van de fijnmechanische instrumenten. De eerste beginselen van het horlogemaken zijn Hoogendijk waarschijnlijk bijgebracht door zijn moeder, waarna hij tot zijn zeventiende in de leer gaat bij een Engelse klokkenmaker te Overschie. Zijn belangstelling is breder dan alleen de praktische uitvoering van zijn vak en hij stelt zich terdege op de hoogte van de wetenschappelijke principes van tijdmeting, maar meer algemeen ook van astronomie en natuur- en scheikunde. In 1723 is zijn reputatie als vakman zo groot dat hij wordt aangesteld tot opzichter van stadsuurwerk en klokken. In 1745 krijgt hij er nog een baan bij, die van toezichthouder op de molen bij de Oostpoort, het huidige Oostplein, die het waterbeheer in de stad moet regelen.[1]

Een droge polder

In de achttiende eeuw is er eerst na 1750 in Nederland weer sprake van enige bevolkingsgroei. Er hoeven dan ook nauwelijks meer monden te worden gevoed of meer handen aan werk te worden geholpen dan in de anderhalve eeuw daaraan voorafgaand. Er is derhalve geen urgentie voor innovatie en ook voor economische groei bestaat geen dringende noodzaak. De capaciteit van de landbouw is voldoende en aan uitbreiding van transportfaciliteiten is geen behoefte. Nederland beschikt over een aanzienlijk net aan waterwegen. De enige sector waar wat belangstelling bestaat voor nieuwigheden is de waterhuishouding. Hoe houden we de polder droog is al eeuwenlang een prangend vraagstuk. Bestuurlijk en technisch hebben we daar met waterschappen, dijken en windmolens al vroeg een antwoord op weten te geven. De molens zijn daarin de zwakste schakel, omdat er nu eenmaal geen garantie op continuïteit van bemaling is, noch bij te weinig, noch bij te veel wind. Het is dan ook in de polder dat we de eerste aanwendingen van stoomenergie zien.

Het stoomgemaal aan de Oostpoort. Naar een aquarel van Gerard van Nijmegen uit 1785. Goed te zien zijn de acht pompen (drie boven en vijf beneden), die Hoogendijk heeft laten aansluiten op slechts één atmosferische stoomketel die werkt volgens het principe van Newcomen. Links is nog juist de stellingmolen te zien die in de volksmond ‘kostverloren’ wordt genoemd.

Steven Hoogendijk is een vermogend man als hij in 1769 het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte opricht. Dit gezelschap dat de natuurwetenschappen praktisch wil toepassen is zeer geïnteresseerd in de mogelijkheden van de stoommachine. De windmolen bij de Oostpoort, gebouwd in 1741, heeft als bijnaam ‘Kostverloren’, omdat hij maar gebrekkig aan zijn doel beantwoordt.

Het eerste stoomgemaal

In 1757 gaat de waterbouwkundige Maarten Waltman op aandringen van Hoogendijk naar Engeland om de werking van de stoommachine, die het water van de Thames door Londen pompt te bestuderen. Zijn oordeel is negatief, waarschijnlijk vanwege de hoge kosten en het vele onderhoud dat de machine vereist. Het ondermijnt het geloof van Hoogendijk in stoom niet en op zijn initiatief vraagt het Bataafsch Genootschap in 1771 aan het stadsbestuur van Rotterdam een vergunning voor het oprichten van een vuurmachine aan de Oostpoort. Tussen 1774 en 1775 verrijst in een oude toren van de stadsmuur het eerste door stoomkracht gedreven stoomgemaal van Nederland. De machine werkt volgens het principe van Newcomen. De meeste onderdelen van het gemaal zijn in Engeland gemaakt, de ketel van aan elkaar geklonken platen en de gietijzeren cilinder worden geleverd door het bedrijf van John ‘iron mad’ Wilkinson in New Willey in Shropshire. De onderdelen worden ter plaatse gemonteerd door een Engelse ingenieur. In 1776 wordt het gemaal in werking gesteld. De stoommachine levert weinig problemen op maar het pompmechanisme is overbelast en gaat voortdurend kapot. Hoogendijk heeft in zijn ontwerp wel acht pompen aan een en dezelfde hefboom gekoppeld, en dat is te veel van het goede. Met het in 1781 in werking gekomen stoomgemaal in Heemstede gaat het beter omdat ze slechts één pomp aan de hefboom bevestigen. Heemstede heeft dus de primeur van het eerste goedwerkende stoomgemaal en wat meer is, deze kleine vuurmachine en pomp zijn geheel in Nederland gefabriceerd. Opmerkelijk is dat beide machines zijn gemaakt volgens een principe dat al vijftig jaar oud is en feitelijk verouderd.

James Watt bezit sinds 1776 een octrooi voor een verbeterde stoommachine. In 1784 stelt Hoogendijk opnieuw geld ter beschikking voor het bouwen van een stoomgemaal, nu naar het principe van Watt. Gekozen wordt voor de polder Blijdorp als locatie, waar in 1786 met de bouw wordt gestart. In 1787 wordt de machine, geheel van Engelse makelij, in elkaar gezet. Nog datzelfde jaar wordt het gemaal in werking gesteld en maakt zonder problemen veertien tot zestien slagen per minuut waarbij drieduizend liter water 2.20 m wordt opgepompt vanuit de polder naar de Schie.

Het gemaal voldoet volledig. Het maalt de Blijdorppolder droog en als surprise brengt het de naburige Coolpolder op zomerpeil. Het bemalen van de Coolpolder, waarvoor een verbinding tussen de beide polders moet worden aangebracht, is noodhulp vanwege het afbranden van de poldermolen.

Het ‘keezending’ in de Blijdorppolder ca. 1790. Naar een anonieme aquarel (detail).

Ondanks het succes van het gemaal, gaat de stoommachine na 1791 roemloos ten onder vanwege het conservatisme van de boeren (angst dat de koeien geen melk meer zouden geven) en de tegenstellingen tussen patriotten (keezen) en prinsgezinden.

Ondanks het succes wordt het gemaal na enige maanden nog slechts ingezet voor demonstraties. In 1791 is het verkocht, maar de nieuwe eigenaar neemt de machine niet opnieuw in gebruik en die is daarna vermoedelijk verschroot. Een roemloos einde voor de eerste stoommachine van James Watt buiten Groot-Brittannië en het eerste stoompoldergemaal ter wereld.

Nog voor het einde van de achttiende eeuw leveren Boulton en Watt twee andere stoommachines aan Nederland. In 1793 wordt in Mijdrecht een stoomgemaal in werking gesteld dat vrijwel overeenkomt met dat te Blijdorp. De andere treffen we aan in Hellevoetsluis, waar kort na 1800 het droogdok is gegraven met behulp van een balansstoommachine.[2]

Een Nederlandse specialiteit

De vraag hoe we onze voeten drooghouden blijft urgent en de polderbemaling wordt in zekere zin een Nederlandse specialiteit. In november 1836 breekt bij een zware storm de noordoostelijke dijk van het Haarlemmermeer op meerdere plaatsen door. 4000 hectare land komt onder water en Amsterdam wordt door de ‘waterwolf’ bedreigd. Ook de twee en een halve meter lager dan d

Een van de elf zware gietijzeren balansen van de Cruquius gegoten bij Van Vlissingen en Dudok van Heel te Amsterdam. De balansen verbinden de zuigerstang van de stoommachine met de plunjerpompen buiten het gebouw. (foto: Baronas)

e omringende polders gelegen Sloterdijkermeerpolder stroomt vol. De bewoners moeten met schuiten worden geëvacueerd. Hooibergen spoelen weg en de gewassen op het veld gaan verloren. In december herhaalt zich de overstroming en zet nu een gebied van 7500 hectare onder water: Leiden wordt bedreigd. Opnieuw worden er plannen gemaakt voor droogmaking. Al in 1629 stelt Leeghwater voor het Haarlemmermeer droog te malen met behulp van 160 windmolens. Regelmatig komt er daarna iemand met een plan, maar zonder succes en het meer wordt almaar groter.[3] De overstromingen van eind 1839 geven het sein om nu eindelijk de waterwolf te temmen.

De grote vraag is: wordt er getemd met wind of met stoomkracht. Zoals het betaamt wordt er een commissie ingesteld die het probleem moet bestuderen. Het rapport dat in 1840 verschijnt kiest voor stoom. Hoewel de wind gratis is zijn er 114 windmolens nodig waarvan de bouwkosten circa drie miljoen gulden bedragen en waarvoor ook 114 molenaars nodig zijn. Zes grote stoommachines kosten voor de drooghouding aan kolen ƒ 26.000, maar de aanschafprijs bedraagt ongeveer één miljoen en er zijn slechts 33 mensen voor de bediening nodig. Stoom is het voordeligst. Het ontwerp wordt daarna nog aangepast door te kiezen voor slechts drie machines van elk 360 pk in plaats van zes van elk 200.

Nog nooit zijn er, waar dan ook ter wereld, machines van deze grootte gebouwd en het is dus de vraag wie het risico aandurft ze te ontwerpen en te bouwen. Dat het mis kan gaan, getuigt de bouw van een stoomgemaal te Spaarndam. De 180 pk zware machine is in 1842 aanbesteed bij ‘De Atlas’ in Amsterdam. De opleveringsdatum wordt met een jaar overschreden en het duurt daarna nog twee jaar om de machine naar tevredenheid te laten werken.

Dik Nas
(Deel 9 geplaatst in juli 2023)


[1] R. Daalder e.a. Het Keezending in de polder Blijdorp (Rotterdam 2010) p. 13-15, 18.

[2] R. Daalder e.a., Het Keezending … p. 24-27.

[3] H. Lintsen, ‘’De Cruquius’ op het breukvlak’ in: Met “De Cruquius” kwam Jan Salie op stoom (Cruquius 2004) p. 7-9, 16-18.