Het geheugen van de vakbeweging

Dik Nas: ‘Het bal der debutanten’ (3)

Gerhard: een man van de overgang

Deze aflevering is gewijd aan Hendrik Gerhard, een van de pioniers van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland.
Hendrik Gerhard (1829-1886) [1] verbindt twee tijdperken. Hij personifieert als het ware de overgang van een ambachtelijke naar een geïndustrialiseerde samenleving. Stammend uit een geslacht van ambachtslieden behoort hij tot de laatsten in zijn soort. Zo maakt hij als één van de laatste de traditionele ‘Wanderschaft’, de leerreis van de gezel om zijn vakmanschap te verhogen. Bevindt hij zich daarmee nog in de traditie van het ambacht, juist door het rondtrekken als gezel komt hij in aanraking met nieuwe denkbeelden die dan, vooral onder zijn vakgenoten sterk opgeld doen. Het lijkt een tegenspraak, maar hier is sprake van traditie die vernieuwing in de hand werkt. Het ambacht van kleermaker waarin Gerhard opgroeit en aanvankelijk behoorlijk zijn brood kan verdienen, verandert gedurende zijn leven sterk van aanzien, om uiteindelijk zo goed als te verdwijnen. Na het midden van de negentiende eeuw doet de mechanisatie ook in de kleermakerij haar intreden en verliest het vak van maatkleermaker steeds meer terrein aan de opkomende confectieateliers.

Klik hier voor introductie op en andere afleveringen van ‘Het bal der debutanten’ 

Koeriers van de beweging

Hendrik Gerhard (1829-1886)

Hendrik Gerhard is te juister tijd op de juiste plaats en beschikt over de nodige intelligentie en vaardigheden om nieuwe kennis op te doen en deze verder uit te dragen. Het kan geen toeval zijn dat zoveel ambachtslieden, onder wie opvallend veel kleermakers, een bijdrage leveren aan de verspreiding van socialistische ideeën. Dankzij een betere opleiding, een grotere zelfstandigheid en een grote mate van zelfbewustheid – erfenissen uit de gildetijd – zijn zij het die het best zijn uitgerust om de nieuwe sociale en politieke ideeën te verspreiden over Europa. Onbewust zijn zij daarmee de ‘koeriers’ van een nieuwe tijd. Het voertuig van het koerierschap is de eeuwenoude Wanderschaft. Dit rondtrekken als aankomend ambachtsman wordt nog versterkt door de reactie in met name Duitsland. Vervolging, gevangenneming, uitzetting en broodroof zorgen ervoor dat nog meer ambachtslieden, en met hen artiesten en intellectuelen, op drift raken en met hun zojuist verworven ideeën en idealen ook elders in Europa werklieden aansporen tot organisatie. Het spoor van ideevorming en verspreiding voert zo terug op de Franse Revolutie en de politieke idealen die daaraan ten grondslag liggen. Gerhard vormt voor Nederland een deel van de ‘keten’, zoals eerder de leden van de Amsterdamse Arbeiterbildungsverein: C. Hanke en C. Gödecke dat waren, en na hem Ferdinand Domela Nieuwenhuis.

Pionier

In de ontwikkeling van het socialisme is Gerhard eveneens min of meer een overgangsfiguur. Hij is eerder bij de utopistisch socialisten te plaatsen dan bij de Marxisten, al deelt hij met Marx het belang dat hij hecht aan een goede scholing van de werklieden ter voorbereiding op hun taak in de ‘nieuwe wereld’. In zowat elke activiteit behoort Gerhard tot de eersten. Hij wordt als een van de eerste werklieden lid van een vrijdenkersorganisatie. Hij behoort tot de eerste vijf leden van de Internationale in Nederland. Hij is initiatiefnemer bij de oprichting van een vakorganisatie voor kleermakers in Amsterdam. Deze kleermakersvereniging is niet alleen een tamelijk vroege vakorganisatie in Nederland, maar ook de eerste in dat vak. Hij komt al vroeg, zij het voor hem nogal teleurstellend, in aanraking met de coöperatieve beweging. De positie van pionier heeft hem persoonlijk maar weinig resultaten opgeleverd. Hij kreeg wel de lasten, maar niet de lusten. De Internationale gaat ter ziele, de kleermakersvereniging teniet. De coöperatie mislukt en ook de kiesrechtbeweging waarin hij actief is loopt op dood spoor.

Gerhard is één van de vroegste ijveraars voor het algemeen kiesrecht. In zijn beleving is het de hoeksteen in het beleid om de positie van de werknemers duurzaam te verbeteren. Met de erkenning van hun politieke rechten wordt aan werknemers de plek gegeven die ze verdienen: een volwaardige plaats in de samenleving als een maatschappelijk en politiek verantwoordelijk individu. Hij is actief voor het algemeen kiesrecht, zowel in woord als geschrift. Hij maakt de eerste golf van acties in de kiesrechtbeweging in de eerste helft van de jaren tachtig nog mee, maar de resultaten van zijn ijveren zien we pas vele jaren na zijn dood. Die resultaten zijn de grondwetswijziging van 1887 en de kieswet van 1896. Het aantal burgers met kiesrecht neemt daarmee aanzienlijk toe. Het algemeen kiesrecht wordt echter pas bereikt in 1919 als ook aan vrouwen het algemeen kiesrecht wordt toegekend. Twee jaar eerder is reeds het algemeen kiesrecht voor mannen tot stand gekomen.

Koerier

De tragiek van Gerhard is dat hij ‘slechts’ koerier kon zijn. Eerst later, soms vele jaren na zijn dood, kunnen resultaten worden geboekt door de arbeidersbeweging. Opvallend is de diepe indruk die Gerhard op allen achterliet die hem eens hebben ont­moet. Uiteen­lopende figuren als de smid Willem Ansing, de sociaaldemocraat Willem Vliegen, de schrijver Joan Nieuwenhuis, de volksfiguur Klaas Ris en ‘us verlosser’ Ferdi­nand Domela Nieuwenhuis hebben hun grote eer­bied voor ‘de oude Gerhard’ onder woorden ge­bracht. Allen zagen in hem een belangrijke, eerlijke en trouwe aan­hanger van het socialis­me, die een ereplaats ver­dient onder de groten van de Nederlandse arbei­dersbewe­ging. Gerhard heeft de invloed die hem wordt toegeschreven vooral gehad op­ een kleine kring van bewuste arbeiders die er aanvankelijk niet in slagen de inerte, trage massa in beweging te krij­gen.

S.M.N. Calisch, een Nederlands journalist die Gerhard kent van enkele congressen, schrijft na het Haags congres van de Internationale, een inte­ressant portret. Hij noemt Gerhard “het hoofd, de leiden­de gedachte van de neder­land­sche fractie der Internationale.” En over Ger­hards invloed op de Nederlandse arbeidersbewe­ging deelt hij mee: “De Amsterdamsche geaffi­lieerde der Internationale niet alleen, vele werklieden daarbuiten zien met eerbied tegen Gerhard op: hij is de ziel van vele arbeiders­vereenigingen en een werkzaam ijverig werkman”. In zijn uiterlijk is Gerhard weinig opval­lend, hoewel te gedistingeerd voor een doorsnee werkman. De verslaggever deelt mee: “Hij is mager en slank, bedaard en afgemeten, zalvend van toon zonder huichelarij, voorkomend en beleefd. Gerhard gaat goed gekleed, zonder luxe of overdaad en heeft een zekere air van berekende onverschilligheid over zich”.

Spreker met humor

Gerhard is een buitengewoon mens. Enkele uiterst markante trekken kenmerken zijn figuur: be­dachtzaamheid, een sterk zede­lijk besef, een diepgeworteld vertrouwen en een warm gevoel voor humor. Gerhard is ontegenzeggelijk de eerste in Nederland die onder de vage socia­listische begrippen een grondslag weet te leg­gen. Nog vóór enige Nederlands auteur hem daarvoor het materi­aal kan leveren en ook vóórdat Domela Nieuwenhuis met zijn ‘Sociale Brieven’ in De Werkmansbode de be­grippen over het socialisme sterk verduidelijkt. Als spreker is er onder Gerhards tijdgenoten niemand die hem kan evenaren. Hij is in elk opzicht een goed spreker, heeft een aangename krachtige stem, een brede woor­denschat en een gezonde, soms ietwat pikan­te humor. Als hij bijvoorbeeld in Ziel en Onsterflijkheid het hierna­maals bespreekt, wijst hij erop, dat er vrij uitvoerige beschrijvingen zijn van de straffen die de zondaar wacht in de hel: “De gloeiende hitte, die onuitstaan­bare dorst, dat hevig gefolterde li­chaam, dat snakken naar een enkelen druppel water om de verschroeide tong te koelen, dat alles doet ons de hel als een plaats van grenzeloze wanhoop kennen.” Daar staat tegenover, stelt Gerhard, dat er zo weinig geschreven is over de geneugten, die ons in de hemel wach­ten: “Lazarus zit in Abrahams schoot. Maar nu vraag ik: welke zaligheid kan hierin gelegen zijn? Wanneer ik dan van twee kwaden het minste moest kiezen, zou ik nog liever in Sara’s schoot zitten.” Vooral in het debat kan Gerhards humor lastig zijn voor zijn tegenstander. Hoewel hij twintig jaar ouder is dan B.H. Heldt, is hij deze in de vele debatten die ze met elkaar uitvechten, meestal de baas. Hij is de heldere, pittige redenaar die in openbare vergaderingen niet alleen de lachers, maar ook de denkers op zijn hand heeft.

Denker en theoreticus

Als denker en theoreticus is Hendrik Gerhard de voor­naamste figuur die de Nederlandse Inter­nationale heeft voortgebracht. Hij wordt niet ten onrechte wel de vader van het socialisme in Nederland genoemd. Zijn invloed op de Neder­landse arbeidersbewe­ging is onmiskenbaar; zowel in de Internatio­nale als in de sociaaldemocratische beweging heeft hij een leidende rol ge­speeld. Pas door de alles en iedereen dominerende figuur van Domela Nieu­wenhuis zal hij in de loop van de jaren tachtig overschaduwd worden. Domela Nieuwenhuis zelf is diep getroffen door de rijp­heid en helder­heid van Gerhards ideeën en getuigt nog op oudere leeftijd van zijn grote eerbied en bewon­dering. In menig opzicht is Gerhard de voorloper van Domela Nieuwenhuis, maar vaak ook zijn opponent. Zijn grote verdiensten liggen evenzeer op het ter­rein van de ideeën en de theorie als op dat van organi­satie en actie. Een man van wie Domela Nieuwenhuis zal schrijven, in het voorwoord van Gerhards Verzamelde en nagelaten Opstellen die door Gerhards weduwe kort na zijn dood wordt uitgegeven: “Gerhard was zoo niet de knapste, dan toch één der knapste en meest ontwikkelde loonsla­ven, die op de wereld geleefd hebben.”

Vaandel van ‘De Stem des Volks’

Op 5 juli 1911 valt op de anders zo stille Westerbegraafplaats te Amsterdam koorzang te beluisteren. De Stem des Volks zingt socialistische strijdliederen ter afwisseling van een drietal sprekers. Op initiatief van het bestuur van De Dageraad wordt de 25e sterfdag van Hendrik Gerhard herdacht. Aan het graf staat naast het bestuur de familie Gerhard. Susanna Stehli, de vrouw van Gerhard, 77 jaar oud maar nog vitaal, overleeft haar man ruim 33 jaar. Eerst op 85 jarige leeftijd, op 30 oktober 1919, overlijdt zij. Naast haar aan het graf zijn de kinderen Gerhard verzameld, onder wie de bekende A.H., in de wandeling de ‘jonge Gerhard’ genoemd. De familie is op kosten van De Dageraad met een rijtuig van huis gehaald. De eerste spreker is de oude Piet Schröder, inmiddels 75 jaar, die herinneringen ophaalt over zijn oude vriend en aangeeft hoe belangrijk het leven van zijn strijdmakker en vakbroeder is geweest voor de arbeiders. Ook Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Jan Fortuyn geven blijk van het diepe respect dat zij hebben voor Hendrik Gerhard. Beiden zijn in zijn voetsporen getreden. Na Schröder zingt de Stem des Volks: Aan den Strijders en na Domela Nieuwenhuis en Fortuyn: Morgenrood. Het opmerkelijkst van al is het zingen van de Internationale als openingszang. Er kan nauwelijks een toepasselijker lied gezongen worden ter ere van leven en werk van Gerhard, ondanks het feit dat Gerhard zelf de Internationale nooit heeft gehoord. Een tekstregel in de Internationale, die door Gerhard zeker gewaardeerd zou zijn is “en d’ Internationale zal morgen heers’ op aard”, doordrongen als hij is van de noodzaak van internationale solidariteit. Het is natuurlijk sowieso een opmerkelijk feit, zelfs al hebben we hier te maken met een kleine elite onder de arbeiders, dat er een internationale beweging is onder ambachtslieden. Ze lopen daarmee ver vooruit op de samenleving, die vooral nationaal is gericht en die qua politieke sturing periodiek zelfs voeding geeft aan nationalistische gevoelens. Het doet zelfs nu nog wonderlijk aan – gezien in het licht van het huidige ‘Euroscepticisme’ – dat de Engelse arbeidersbeweging de overheid onder druk weet te zetten ten voordele van de Poolse vrijheidsstrijd en de Duitse arbeidersbeweging het lef heeft tegen de oorlogsbegroting te stemmen in reactie op de Frans-Duitse oorlog. Natuurlijk was de Internationale te zwak om de Frans-Duitse oorlog te beëindigen of te bekorten, laat staan te voorkomen. Maar wie zou dat wel gekund hebben? De houding van de Internationale tegen deze oorlog is enig en uniek, alle naïviteit waarmee dat gebeurde ten spijt. Het zou de Europese beweging van vandaag sieren om deze vroege internationale beweging vanuit de werknemers te eren. De binnengrenzen van de Europese Gemeenschap vormen nu geen belemmering meer. Er is vrij verkeer van goederen en mensen. Dat past in het streven dat Gerhard voor ogen stond. Veel van de ‘utopieën’ van Gerhard zijn inmiddels van utopisch gewoon geworden. Waaruit mag blijken dat hij die het onmogelijke wenst, wel degelijk een realist kan zijn.

En de stroom rijst al meer en meer…

Pierre de Geyter

In 1888 componeert de Gentse werkman Pieter de Geyter de Internationale met de tekstregel ‘en de stroom rijst al meer en meer’ en dat kan geen toeval zijn. Wie de organisaties van werknemers uit die tijd op een rijtje zet komt niet alleen een bonte stoet tegen van allerhande organisaties, maar zal zien dat tegen het einde van de negentiende eeuw sprake is van een aanzienlijke groei zowel in aantal als naar omvang. Aan het einde van de achttiende eeuw zien we het type van de beroepsorganisatie (onderwijzers, typografen) ontstaan. De beroepsorganisatie houdt zich (onderwijzers) bezig met verbetering van het vak of met onderlinge samenhorigheid en cultuur (typografen) naast fondsvorming ter ondersteuning van vakgenoten.

Terzelfder tijd zien we een eerste ontwikkeling van maatschappelijke organisatie op het gebied van de arbeidsverhoudingen later wel de ‘sociale kwestie’ genoemd. De Maatschappij tot Nut van het Algemeen werpt zich op voor beter onderwijs, spaarzaamheid, verzekering en hier en daar werkgelegenheid. In de eerste helft van de negentiende eeuw spelen vraagstukken als slavenhandel en oorlog (vredesbeweging) een maatschappelijke rol. Het beperkt zich waarschijnlijk tot discussie in de ‘betere kringen’, maar dat neemt niet weg dat het in de Nederlandse verhoudingen vroege uitingen zijn van emancipatiebewegingen. Nog vóór het midden van de negentiende eeuw ontstaat er maatschappelijk de nodige onvrede die een aantal zogenoemde radicalen voor het voetlicht doet treden. Het is niet onder de noemer van een beweging te brengen, daarvoor zijn de representanten van een te diverse pluimage en maatschappelijke status.

Vakbonden van ambachtslieden

Eerst in de zestiger jaren van de negentiende eeuw zien we – overwegend in Amsterdam – dat er vakbonden van ambachtslieden worden opgericht. Tegen het einde van diezelfde jaren zestig speelt de z.g. Eerste Internationale kortstondig een opmerkelijke rol. Vanaf 1871 zien we het oprichten van werkliedenverenigingen veelal gestimuleerd door het zojuist opgerichte Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond (ANWV). Veel van deze vroege organisaties lijden een kwijnend bestaan en verdwijnen na enige tijd weer van het toneel. Eerst in de tachtiger jaren zien we een ontwikkeling, gestimuleerd door de Sociaal-Democratische Bond (SDB), van het oprichten van (plaatselijke) vakverenigingen. Er komt meer onderscheid tussen politieke ‘agitatie’ en vakbeweging al blijven ze nog lange tijd gebonden aan elkaar vooral door personele unies.

De voorstanders van een meer materiële vorm van belangenbehartiging worstelen (achteraf gezien?) met de strategische vraag welke actie of organisatievorm het meeste effect sorteert. Moet je het zoeken in coöperatie, landnationalisatie of het algemeen kiesrecht? De zoektocht naar de meest effectieve organisatievorm vindt plaats tussen pakweg 1860 en 1900. Afwisselend zien we organisatietypes (beroepsorganisatie-werkliedenvereniging-vakorganisaties-coöperaties-vakbonden-agitatie-kiesrechtbeweging-politiekepartijen-vakcentrales) ontstaan en scheiden zich de wegen van politieke- en vakbeweging. Eerst in de tweede helft van de negentiende eeuw zien we organisaties opkomen die we, naar onze huidige maatstaven, vakorganisaties kunnen noemen. Onder meubelmakers, timmerlieden, sigarenmakers en typografen treffen we daar de voorbeelden van aan. Aanvankelijk zien we een opkomst van vakorganisaties, gestimuleerd door de Eerste Internationale (1869), maar deze worden al spoedig gevolgd door werkliedenverenigingen – met name door de stimulans van het ANWV (1871), die zich veelal beperken tot fondsorganisatie, maar soms ook de vakactie niet schuwen zoals het Arnhemse Hoop op Gerechtigheid.

Reactie op reactie

‘De Werkmansbode’, blad van het ANWV

Is de ANWV een reactie op de Eerste Internationale, die te radicaal wordt gevonden, de Sociaal Democratische Bond (SDB) (1882) is weer een reactie op het ANWV en de gematigde koers die deze vaart. De SDB stimuleert op haar beurt het oprichten van vakorganisaties en neemt het initiatief tot het oprichten van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) (1893) wat beschouwd kan worden als een vakcentrale om de vakactie tussen de verschillende bonden te coördineren. Het is de eerste stap in de scheiding tussen politieke en vakactie. Met de oprichting van de SDAP wordt de scheiding, althans onder de voorstanders van de parlementaire richting, manifest.

De fabrieksarbeiders organiseren zich in het algemeen later dan de ambachtslieden. De eerste organisatie van fabrieksarbeiders is die van de suikerwerkers in Amsterdam in 1871. Deze vereniging met de naam Eendracht maakt macht zal het tot 1880 uithouden. Dan gaat ze teniet. Het is lange tijd het enige voorbeeld van organisatie van fabrieksarbeiders. Eerst in de negentiger jaren – en dan nog maar op enkele plaatsen – zien we organisaties van fabrieksarbeiders ontstaan. Landelijke organiseren de fabrieksarbeiders zich als één van de laatste – in 1907 – met de oprichting van de Nederlandse Vereniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA). Organisaties die een belangrijk stempel zullen gaan drukken op de Nederlandse arbeidsverhoudingen ontstaan omstreeks of kort na 1888. Te noemen zijn de metaalbewerkers (ANMB, 1886), de sigarenmakers (NSTB, 1887), timmerlieden (ANTB, 1892) en de diamantbewerkers (ANDB, 1894).

Met als opmaat de spoorwegstakingen in 1903 is de oprichting van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) (1905) weer een reactie op het NAS, die met zijn ‘staak-maar-raak tactiek’ niet alleen als te radicaal, maar vooral ook als te ‘on-organisatorisch’ wordt bevonden. Met de vorming van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) (1909) en het Rooms-katholiek Werkliedenverbond (RKWV), later KAB, respectievelijk NKV, (1909) is de opbouw van de Nederlandse arbeidersbeweging in hoofdtrekken voltooid. Decennia lang zal deze opbouw beeldbepalend zijn. Eerst in de jaren zeventig van de twintigste eeuw zien we veranderingen optreden door grote fusies (bijvoorbeeld de Industriebonden) en federatie en fusie van de vakcentrales NVV en NKV tot FNV.

Dik Nas
Geplaatst januari 2023


[1] Zie op deze website ook het boek dat de auteur in 2001 publiceerde over Gerhard: ‘Koerier van een nieuwe tijd’