Het geheugen van de vakbeweging

 

Even gevreesd als gerespecteerd feministe

Wilhelmina Drucker (1847 – 1925)

Wilhelmina Drucker, radicaal-feministe, is geboren te Amsterdam op 30 september 1847 en aldaar overleden op 5 december 1925.

Al snel werd Wilhelmina Drucker een geregeld bezoekster van de vergaderingen van de Sociaal-Democratische Bond (SDB), de staatkundige vereniging De Unie, de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht en de vrijdenkersvereniging De Dageraad, waar socialisten, radicalen, democraten en vrijdenkers elkaar in die tijd in wisselende samenstelling troffen. Deze toenadering werd een actieve deelname, toen zij in 1887 vast medewerkster werd van het Groninger Weekblad van Joan Nieuwenhuis.

in 1891 nam Drucker deel aan het congres van de Tweede Internationale in Brussel. Op dit congres werd, mede door haar toedoen, de verenigbaarheid van feminisme en socialisme zelfs bevestigd. Samen met de afgevaardigden Emma Ihrer en Ottilie Baader uit Duitsland, Louise Kautsky uit Oostenrijk en Anna Kuliscioff uit Italië, diende Drucker namelijk een resolutie in, waarin de socialistische partijen uit alle landen opgeroepen werden het streven naar volledige juridische en politieke gelijkheid van mannen en vrouwen in hun programma’s op te nemen. Het congres aanvaardde deze resolutie. In 1892 was zij betrokken bij de oprichting van een Comité ter Verkrijging van Stedelijke Stoomwasscherijen, waarin zij zich met vertegenwoordigers van de SDB en een groot aantal vakverenigingen sterk maakte voor de collectivering van de huishoudelijke arbeid. En als Drucker bij dit alles vrijwel elke gelegenheid aangreep om in discussie te gaan over het goed recht van vrouwen om voor hun eigen belangen op te komen, dan bleek daarin toch steeds opnieuw dat de socialistische beweging in deze jaren haar belangrijkste referentiepunt was. Daarbij verschilde zij over twee kwesties steeds beslister met de socialisten van mening. Waar deze arbeidsbescherming voor vrouwen voorstonden, bepleitte Drucker gelijke arbeidsvoorwaarden voor beide seksen, en waar deze uitsluitend voor uitbreiding van het mannenkiesrecht ijverden, verlangde Drucker kiesrecht voor vrouwen op dezelfde voorwaarden als voor mannen. In 1893 moet Drucker uiteindelijk besloten hebben dat de vrouwenzaak een zaak van vrouwen was en dat zij definitief haar eigen weg moest gaan.

Economische zelfstandigheid van vrouwen

Pas toen Drucker uit de kring van socialisten was getreden waartoe ook de niet-socialistische feministen haar al die jaren hadden gerekend, ontstond de ruimte voor coalities met vrouwen uit andere kring. Deze ruimte benutte zij individueel en in organisatorisch verband ten volle. Nog in 1893 riep de VVV gelijkgestemden van alle gezindten op tot het vormen van een vereniging, die zich uitsluitend op het verkrijgen van vrouwenkiesrecht zou richten. Die vereniging kwam met de oprichting van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VVK) in 1894 daadwerkelijk tot stand. Naast vrouwenkiesrecht was de economische zelfstandigheid van vrouwen, ongeacht de vraag of zij gehuwd of ongehuwd, moeder of geen moeder waren, een tweede strijdpunt op Druckers program. Vrouwen moesten onbelemmerd toegang hebben tot de arbeidsmarkt en daar onder dezelfde voorwaarden kunnen werken als mannen. Maar omdat naar haar overtuiging daadwerkelijke verandering ook hier van zelfstandige vrouwenorganisaties zou moeten komen, werd in 1897 de Naaistersvereeniging ‘Allen Eén’ opgericht, waarbij Drucker ook enige tijd persoonlijk betrokken was. Vervolgens riepen de Naaistersvereeniging samen met de Roosjessnijdstersvereeniging een Comité voor Vrouwen-Vakvereenigingen in het leven, waaruit in 1899 een vakvereniging van wasvrouwen en strijksters en een van dienstboden voortkwam. En al bleef geen van deze vrouwenvakverenigingen lang zelfstandig bestaan, ze mobiliseerden vrouwen uit de verschillende beroepen wel.
Een produktief initiatief op het terrein van vrouwen en arbeid was het Nationaal Comité inzake Wettelijke Regeling van Vrouwenarbeid (Wettencomité), dat zij in 1903 oprichtte. Dit Comité, waarin acht vrouwenorganisaties vertegenwoordigd waren, volgde de overheid op de voet en kwam in actie zodra een wetsvoorstel of overheidsmaatregel de economische zelfstandigheid van vrouwen bedreigde of het principe van gelijke arbeidsvoorwaarden voor beide seksen schond. Zo keerde het Wettencomité zich tegen ieder voornemen tot ontslag van huwende ambtenaressen, waarbij vooral de actie tegen het wetsontwerp van minister Th. Heemskerk (1910) breed en succesvol was. En in het debat over aparte arbeidsbescherming voor vrouwen gaf Drucker die vrouwen een stem, die door de dreigende arbeidsverboden brodeloos zouden raken.

Huwelijk en seksualiteit vormden het derde terrein waarop volgens Drucker de strijd voor gelijkheid tussen de seksen moest worden uitgevochten. Zij deed dit allereerst in Evolutie, waarin zij de vele misstanden op dit terrein aan de kaak stelde, zoals onder meer de vernederende ondergeschiktheid van de gehuwde vrouw aan haar echtgenoot. Deze misstanden beschouwde zij als het gevolg van de economische afhankelijkheid van vrouwen, van de valse opvattingen over de vrouwelijke seksualiteit, en van de systematische onrechtvaardigheden in het huwelijks- en afstammingsrecht.

Drucker leefde lang genoeg om met de grondwetsherziening van 1917 en de wijziging van de kieswet in 1919 de verwezenlijking mee te maken van de meest gezichtsbepalende feministische eis: vrouwenkiesrecht. Ook in deze nieuwe situatie onthield zij zich echter van een openlijke partijpolitieke keuze en nam zij afstand van het geharrewar over afzonderlijke vrouwenlijsten of vrouwenpartijen. Zij stelde dat de strijd voor gelijke rechten zowel binnen als buiten het parlement moest worden voortgezet. Zelf voegde zij, zoals altijd, de daad bij het woord. In 1920 werd zij lid van het Comité tegen Gezinsloon, en vanaf 1923 tot aan haar dood participeerde zij in de verschillende actiecomités tegen het ontslag van gehuwde ambtenaressen. Haar strikt volgehouden gelijkheidsdenken en haar polemische stijl van optreden brachten Drucker gedurende haar lange politiek-actieve leven in een minderheidspositie, die door tijdgenoten met niet altijd even positief geconnoteerde trefwoorden als ‘radicaal’ en ‘ultra’ werd gekenschetst. Niettemin ontwikkelde zij zich meer en meer tot een even gevreesd als gerespecteerd instituut, waaraan de meest uiteenlopende feministen hun opvattingen ijkten. Op 10 december 1925, bij de crematieplechtigheid op Westerveld, gaven dan ook alle groeperingen uit de vrouwenbeweging acte de présence.

Ontleend aan het BWSA,