Het geheugen van de vakbeweging

In 1991 kwam de FNV in verzet tegen plannen van het kabinet-Lubbers om de WAO te versoberen

Onder Dak! – FNV Bouw 1982-2017

SOCIALE ZEKERHEID VOORTDUREND
ONDER DRUK

BOND BIJ UITVOERING OP AFSTAND GEZET

 Sociale zekerheid is voor FNV Bouw en zijn voorlopers altijd een belangrijk aandachtsgebied geweest. Zeker voor de bouw- en houtnijverheid met de vele arbeidsrisico’s is behoud en versterking van een stelsel van sociale zekerheid van levensbelang. Daarom heeft FNV Bouw daar altijd een hoge prioriteit aan toegekend.  

Werknemers in de bouw- en houtnijverheid lopen door de aard van hun werkzaamheden, in vergelijking met werknemers uit andere sectoren, per definitie een groter risico om gebruik te moeten maken van het stelsel van sociale zekerheid. Werkgevers bieden vaak niet meer dan een tijdelijk arbeidscontract, waardoor ze buiten hun schuld vaak een beroep moeten doen op de Werkloosheidswet (WW). En het werk is zwaar waardoor de kans op arbeidsongeschiktheid relatief hoog is. FNV Bouw heeft zich altijd hard gemaakt voor een goed stelsel van sociale zekerheid. Omdat werknemers die daar recht op hebben makkelijk toegang moeten hebben tot het stelsel, stelde de bond zich op het standpunt dat de uitvoering van de sociale verzekeringswetten dicht bij de werknemers in hun eigen woonomgeving moest plaatsvinden.

PLAATSELIJK VERTEGENWOORDIGER

De betrokkenheid van de bond bij de uitvoering van de sociale zekerheid kent een lange geschiedenis. Die begint in 1952 toen de Werkloosheidswet (WW) in werking trad. Vanaf dat moment speelden de afdelingen van de bond een belangrijke rol bij de uitvoering van deze wet. In iedere afdeling nam een kaderlid de rol op zich van plaatselijk vertegenwoordiger van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB). De plaatselijk vertegenwoordiger zorgde voor de intake van werkloos geworden bouwvakkers en verzorgde de uitbetaling van de uitkering.

Hans van den Wijngaard

In de decennia daarna breidde het takenpakket van de plaatselijk vertegenwoordiger zich uit, want ook bij de uitvoering van bedrijfstakeigen regelingen in de bouwnijverheid werd hen een rol toebedeeld. Een bekend voorbeeld daarvan is de uitvoering van de vakantieregeling: werknemers konden in de afdeling terecht voor het verzilveren van de zogenaamde vakantiebonnen. De plaatselijk vertegenwoordigers werden daarmee het gezicht van de uitvoering van onderdelen van de sociale wetgeving. De plaatselijk vertegenwoordigers zijn erg belangrijk geweest voor het goed functioneren van het stelsel van sociale zekerheid, zeker op de momenten dat de automatisering van het SFB in gebreke bleef. Maar na de parlementaire enquête naar de sociale zekerheid in 1993 werd kritisch gekeken naar de rol van de sociale partners bij de uitvoering van de regelingen. Dat leidde er uiteindelijk toe dat de functie van plaatselijke vertegenwoordiger werd opgeheven.

ARBEIDSONGESCHIKTHEID

Het stelsel van sociale zekerheid is in de twintigste eeuw flink uitgebouwd. Maar toen in het begin van de jaren tachtig het aantal werklozen explosief steeg, kwam het stelsel onder druk te staan.  Ook in de bouw- en houtnijverheid nam de werkloosheid sterk toe. Om het tij te keren voert de bond meerdere acties richting politiek Den Haag. Daarmee probeert de vakbeweging de politiek te bewegen om maatregelen te nemen tegen de grote omvang van de werkloosheid. Tegelijk met de werkloosheid stijgt ook de arbeidsongeschiktheid. Het beroep op de WAO neemt onrustbarende vormen aan.  Dat doet premier Lubbers in september 1990 verzuchten: ‘Nederland is ziek’.

Politiek Den Haag vindt dat veel te veel mensen gebruik maken van het stelsel van sociale zekerheid. Daarom wordt er sterk op aangedrongen maatregelen te nemen om dit terug te dringen. Die maatregelen betreffen de hoogte en duur van de verschillende uitkeringen, maar ook de zogenaamde polisvoorwaarden. Dat betekent dat men minder makkelijk aanspraak kan maken op een uitkering.

Meer dan andere sectoren is de bouwnijverheid afhankelijk van een solide stelsel van sociale zekerheid. Werken in de bouw is zwaar en langdurig verzuim als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid ligt voortdurend op de loer. En het is een conjunctuurgevoelige sector. Wanneer de economie goed draait plukt de bouw daar relatief snel de vruchten van. Maar het omgekeerde is ook waar: kent de economie een dip dan is de weerslag daarvan in de bouw snel te merken. Het is dan ook vanzelfsprekend dat de Bouw- en Houtbond FNV zich altijd sterk heeft gemaakt om de verslechteringen die de kabinetten vanaf het begin van de jaren tachtig in de sociale zekerheid wilden doorvoeren, tegen te houden. Daarbij werd zoveel mogelijk met de vakcentrale en de andere FNV-bonden opgetrokken.

MASSAAL VERZET

In 1991 staan het kabinet en de FNV lijnrecht tegenover elkaar. Aanleiding is het voornemen van het kabinet-Lubbers om de hoogte en duur van de WAO flink te beperken.  De bouw loopt voorop in het protest tegen deze verslechteringsvoorstellen. Het verzet tegen de kabinetsplannen vindt zijn hoogtepunt op 5 oktober wanneer de gezamenlijke vakbeweging op het Haagse Malieveld een landelijke manifestatie organiseert. Meer dan een kwart miljoen leden nemen deel aan de manifestatie en protesteren op niet mis te verstane wijze tegen de kabinetsplannen.  Maar ondanks het massale verzet zet de regering de voornemens in 1992 in wetsvoorstellen om.

Binnen de FNV nam de Bouw- en Houtbond FNV meerdere keren zelf het initiatief om wijzigingen in het stelsel van sociale zekerheid ter discussie te stellen. Het besef dat er iets moest gebeuren was daar debet aan.  Niets doen zou alleen maar leiden tot een verder afkalvend draagvlak voor het sociale stelsel.  Het initiatief van de bond leidde er in de jaren negentig toe dat binnen de FNV meerdere nota’s over de sociale zekerheid werden vastgesteld.  De Bouw- en Houtbond FNV pleitte er in de discussies vooral voor dat er recht moet worden gedaan aan het zogenaamde bedrijfstakeigene karakter van de bouw- en houtnijverheid. ’Iemand met een kantoorbaan kent nu eenmaal andere beroepsrisico’s dan een steigerbouwer’, werd daarbij steevast als argument ingebracht.  De discussienota’s handelden niet alleen over de inhoud van de sociale verzekeringswetten, maar ook over de wijze waarop ze het beste uitgevoerd konden worden. De FNV koos mede op instigatie van de bond voor een regionale en bedrijfstakgerichte structuur van uitvoering. De specifieke bedrijfstak zou dus in de uitvoering zichtbaar moeten blijven. De afstand tussen de uitvoeringsorganisatie enerzijds en de individuele werknemer en werkgever anderzijds zou daarbij zo gering mogelijk moeten zijn. Het was vooral de Bouw- en Houtbond FNV die zich sterk maakte voor een duidelijk herkenbare invloed van de vakbeweging in de uitvoeringsorganisatie.

PARLEMENTAIRE ENQUÊTE

In 1992 besloot de Tweede Kamer om een parlementaire enquête in te stellen naar het functioneren van de organen die belast waren met de uitvoering van sociale verzekeringswetten. Dit zou leiden tot een keerpunt in de uitvoering van het stelsel van sociale zekerheid. De parlementaire onderzoekscommissie richtte zich in eerste instantie op de vraag hoe uitvoering is gegeven aan de wijzigingen in de WW, Ziektewet, WAO en AAW. Daarbij zou worden onderzocht in hoeverre de uitvoeringsorganen hebben getracht om de doelstellingen van die wetswijzigingen daadwerkelijk te realiseren. Tevens zou worden bekeken of de wetswijzigingen op doelmatige wijze zijn doorgevoerd. In mei en juni 1993 vonden de openbare verhoren door de commissie plaats onder leiding van het PvdA- kamerlid Flip Buurmeijer. Van de Bouw- en Houtbond FNV werd bondsbestuurder Jaap van de Linden in zijn hoedanigheid als werknemersvoorzitter van de Federatie van Bedrijfsverenigingen door de commissie gehoord. De commissie kwam in de eerste week van september met haar eindrapport. Het rapport bestond uit twee delen: een zeer uitgebreide analyse en een klein hoofdstuk met aanbevelingen. Tijdens de parlementaire behandeling van het rapport bleek dat verschillende politieke partijen er aanleiding in zagen om de rol van sociale partners in de uitvoering van sociale verzekeringen verder terug te dringen. De uitvoering van de werknemersverzekeringen zou op regionale leest geschoeid moeten worden, analoog aan de arbeidsvoorziening en de regionale arbeidsbureaus. Daarbij nam de Tweede Kamer een motie aan waarin werd uitgesproken dat de uitvoering van de werknemersverzekeringen niet langer per bedrijfstak georganiseerd zou moeten worden.  Een uitspraak met grote gevolgen voor de bouwnijverheid en haar sociale partners.

PROFESSIONALISERING

Er zijn in de eerste helft van de jaren negentig nog ongeveer 1600 kaderleden van de vakbonden als plaatselijk vertegenwoordiger werkzaam.  Werknemers moeten bij hen melding maken van hun werkloosheid en de plaatselijk vertegenwoordiger neemt daarbij de inkomstenverklaring van de werkloze werknemer in ontvangst. Hoe essentieel de rol van de plaatselijk vertegenwoordiger ook is, in het begin van de jaren negentig komen het SFB en de vakbonden gezamenlijk tot de conclusie dat hij zijn langste tijd heeft gehad en waarschijnlijk het jaar 2000 niet zal halen. In 1994 wordt het besluit genomen om over te gaan tot een volledige professionalisering van de plaatselijk vertegenwoordiger in het kader (van de uitvoering) van de WW. Tussen 1994 en 1996 wordt het werk van de 1600 plaatselijk vertegenwoordigers overgenomen door ongeveer 175 professionele administrateur/ plaatselijk vertegenwoordigers. Zij hebben ongeveer hetzelfde takenpakket, het belangrijkste verschil is dat het werk niet meer wordt gedaan door kaderleden, maar door professionals die in dienst komen van de vakbonden. Zij zullen hun taken dus ook op professioneel niveau moeten uitvoeren. Hier staat een belangrijk nadeel tegenover: omdat het aantal functionarissen drastisch is gedaald – van 1600 naar 175 – vindt de dienstverlening niet meer ‘op elke hoek’ plaats en moet de werknemer in de bouw langer reizen om van die dienst gebruik te kunnen maken. Ondertussen waren er proefprojecten gestart om te onderzoeken hoe de WW en de andere regelingen zo optimaal mogelijk kunnen worden uitgevoerd. Afhankelijk van de ervaringen met een proefproject werd de administrateur/plaatselijk vertegenwoordiger gehuisvest op een kantoor van het SFB of op een arbeidsbureau. Dat maakte het voor de werknemer niet altijd overzichtelijker.

VAKBONDSCONSULENT

In 1996 besluit het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV) dat sociale partners zich niet langer bezig mogen houden met de uitvoering van publieke regelingen. Daarmee komt een eind aan de rechtstreekse betrokkenheid van de bond bij het stelsel van sociale zekerheid. Het CTSV wil daarmee een mogelijke belangenverstrengeling voorkomen. Administrateurs/plaatselijk vertegenwoordigers van de bonden en de werkgeversconsulenten verrichten immers niet alleen taken die samenhangen met de uitvoering van wettelijke regelingen, ze zijn tegelijkertijd werkzaam voor hun eigen organisaties.

De vakbonden, de werkgeversorganisaties en het SFB pogen deze opvatting van het CTSV te weerleggen. Ter onderbouwing daarvan laten ze een adviesbureau onderzoek doen naar de precieze werkzaamheden van administrateur/plaatselijk vertegenwoordigers en werkgeversconsulenten. Het adviesbureau concludeert dat er voor een ongewenste verstrengeling van belangen niet gevreesd hoeft te worden. Het onderzoek stelt wel dat de vakbonden een voordeel behalen uit het werk van de administrateur/plaatselijk vertegenwoordigers. Door hun werk komen de bonden immers makkelijk in contact met de werknemers in de bouw, zowel met leden als niet-leden. Maar, zo voegen de onderzoekers daaraan toe, iedereen in de bouwnijverheid is al sinds jaar en dag bekend met die situatie. De kans dat er misverstanden bestaan over ieders verantwoordelijkheid is daardoor uiterst gering. Het werk van de administrateur/plaatselijk vertegenwoordigers in het kader van wettelijke regelingen, zoals de intake van werkloze werknemers en het geven van voorlichting en advies, is volgens de onderzoekers voldoende gescheiden van publieke uitvoeringstaken van het SFB, zoals de claimbeoordeling en de gevalsbehandeling. Maar het onderzoek brengt het CTSV niet op andere gedachten. Ze blijft van mening dat het vereenvoudigen van de uitvoeringsorganisatie impliceert dat de uitvoering van de WW weer bij het SFB zelf komt te liggen. Het besluit van het CTSV ligt duidelijk in het verlengde van het rapport van de parlementaire enquêtecommissie uit 1993 waarin de rol van sociale partners bij de uitvoering van wettelijke regels al onder vuur kwam te liggen. De betrokkenheid van vakbonden en werkgeversorganisaties bij de uitvoering van de WW werd op 1 juli 1997 beëindigd. De sociale partners bleven wel betrokken bij de uitvoering van de bedrijfseigen regelingen in de bouw. De functie van vakbondsconsulent werd hiervoor speciaal in het leven geroepen.

 

Hans van den Wijngaard (Dorst, 1965) studeerde Rechtsgeleerdheid aan de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg. Kort na zijn afstuderen ging hij in 1990 bij de Bouw- en Houtbond FNV aan de slag als beleidsmedewerker Sociale zekerheid, pensioen en arbeidsmarkt.  Na tien jaar werd hij benoemd tot districtsbestuurder voor de regio Noord-Holland. In 2009 maakte hij de overstap naar Abvakabo FNV. Momenteel is hij bestuurder bij de FNV voor de sector Zorg & Welzijn.