Het geheugen van de vakbeweging

Bouw-cao’s komen meestal niet zonder slag of stoot rond, actievoeren is noodzakelijk


Een man een man, een woord een woord

 Roel de Vries, voorzitter én onderhandelaar

Roel de Vries was een hele goede onderhandelaar. Onder zijn leiding kwamen bouw-cao’s tot stand in de periode 1985 – 1993.

Begin jaren ‘80 was het crisis, ook in de bouw. Meer dan 100.000 bouwvakkers waren werkloos. Herverdeling van werk was het antwoord dat de vakbeweging daartegen wilde inbrengen. Een gemiddeld 36-urige werkweek. En vervroegd uittreden (VUT) om ruimte te maken voor werkloze jongeren.

De FNV en aangesloten bonden wilden in 1985 die 36-utrige werkweek realiseren. Aan eerste onderhandelaar Roel de Vries de taak dat in de bouw tot stand te brengen. Het was een forse stap: van 12 naar 24 roostervrije dagen. Bij de Stukadoors en in het Schildersbedrijf kwamen dat voorjaar principeakkoorden tot stand waarin afspraken waren gemaakt over die gemiddeld 36-urige werkweek.

In de bouw liep het overleg vast: de werkgevers wilden niets weten van verdergaande arbeidstijdverkorting. Een staking, terwijl de werkloosheid nog hoog was. Het leek onbegonnen werk. Tot overmaat van ramp was het bondsbestuur van de Hout- en Bouwbond CNV bereid een cao zonder verdere arbeidstijdverkorting af te sluiten. Zelfs met een kort geding trachtte die bond dat te realiseren, maar de rechter ging daarin niet mee. Ook de werkgevers bleken er niets voor te voelen alleen met de HBB CNV een cao af te sluiten.

Het actiecentrum tijdens een van de stakingen voor een bouw-cao, vln Rinus Dalhuizen, Fred Copier, Loekie Hendriks, Roel de Vries, Gijs Wildeman, Jeroen Sprenger en Jan Schuller

Het was voor het eerst dat Roel eerste onderhandelaar was en Jan Schuller was net voorzitter. Roel moest niet alleen onderhandelen met de werkgevers, hij moest ook de lijntjes naar het bondsbestuur goed houden, de contacten met de onafhankelijk voorzitter van de onderhandelingsbijeenkomsten (een rol die werd vervuld door Henk Eijsink, de burgemeester van Zeist) onderhouden, bedenken hoe het verder moest met de andere bonden en natuurlijk ook met de bondsraad, het landelijk actiecentrum, de stakers en uiteindelijk ook het Congres (dat juist in die tijd was gepland in de RAI). Hij kwam er dankzij de steun van de stakers uit. Met een cao waarin een nieuwe stap naar de gemiddeld 36 uur werd gezet, waarvan de introductie van het recht op twee scholingsdagen onderdeel was en bovendien een verlaging van de VUT-leeftijd van 61 naar 60 jaar. En met behoud van de automatische prijscompensatie.

In de onderhandelingen voor de bouw-cao van 1987 werd geen voortgang geboekt met arbeidstijdverkorting. Wel werd bij die cao afgesproken dat werknemers die 40 jaar hadden gewerkt, waarvan minimaal 30 jaar in de bouw, op hun 57ste met VUT konden. Dat was voor heel veel oudere werknemers een godsgeschenk: eindelijk stoppen met werken. De VUT werd beschouwd als een eervolle afronding van het werkzame leven, en veel hoger gewaardeerd als bijvoorbeeld de WAO.

De laatste stap naar de gemiddeld 36 uur in de bouw werd gezet 1990. Roel was nog steeds eerste onderhandelaar. Opnieuw was er een staking voor nodig. En ook toen was het bereikte onderhandelingsresultaat ook op andere punten mooi: prestatieloon werd vast overeengekomen loon, en daarmee basis voor pensioenopbouw, vorstverlet en vakantierechten.

Roel de Vries onderhandelde met de kaarten stevig tegen de borst. Wat hij zei tijdens het overleg, was weloverwogen en goed doordacht. Maar nooit wist je zeker of het ook zijn laatste kaarten waren. Hij stond voor wat hij afsprak en verdedigde dat naar alle kanten: in de publiciteit, naar de kaderleden, in de bouwkeet, in het bondsbestuur en binnen de vakcentrale. En hij verwachtte dat ook van de werkgevers: een man een man, een woord een woord.

Vanaf 1986 zat ik met Roel in de onderhandelingsdelegatie van de Bouw- en Houtbond FNV voor de bouw-cao. Eerst als beleidsmedewerker en adviseur, later was ik zelf eerste onderhandelaar. Daarnaast werkten we nauw met elkaar samen in de besturen van belangrijke fondsen van de sector: het pensioenfonds, het vakantie- en risicofonds (dat vakantiegeld en vorstverlet uitbetaalde), het VUT-fonds en het O&O-fonds (dat onder meer de vakopleidingen financierde). In die fondsen werden de cao-afspraken uitgevoerd en ook daar was het vaak onderhandelen.

In 2002 liepen de cao-onderhandelingen opnieuw uit in een staking. Ditmaal was ik zelf eerste onderhandelaar. Als eerste onderhandelaar is het je verantwoordelijkheid het overleg uiteindelijk ook weer vlot te trekken en af te ronden, zodat de staking kan worden beëindigd. Dat is een delicaat proces, waarbij publiciteit vermeden moet worden en vertrouwen tussen de eerste onderhandelaars van beide zijden essentieel is. En waarbij je ook bereid moet zijn wat water in de wijn te doen. Dat vond ik toen bepaald geen makkie. Roel als voorzitter van de bond, heeft mij daarin onvoorwaardelijk gesteund, maar bood ook daadwerkelijk steun en heeft destijds een belangrijke rol vervuld bij het in geheim overleg voorbereiden van het principeakkoord van 2 mei. En zo kwam uiteindelijk ook de cao van 2002 tot stand. Het was mijn laatste, want het jaar daarop volgde ik Roel op als bondsvoorzitter.

Niet alleen aan de cao-tafel of in bestuursvergaderingen, ook als het om de leiding van de vereniging ging die de bond was, bereikte hij met overleg en vasthoudendheid wat hij voor goed hield. FNV Bouw en de werknemers in de bouw hebben daarvan de vruchten geplukt.

Dick van Haaster

Amsterdam, augustus 2021

Zie ook: