Het geheugen van de vakbeweging

De verschillende beroepsgroepen en sectoren die met elkaar FNV Bouw vormen

Onder Dak! FNV Bouw 1982-2015

INLEIDING

De toekomst overkomt ons niet, die maken we zelf wel. Die zelfbewuste opvatting is kenmerkend voor de vakbeweging. Zij trekt in de geschiedenis – tussen alle maatschappelijke verhoudingen door – haar eigen lijn. En is daarmee een instituut om terdege rekening mee te houden.

Binnen de Nederlandse vakbeweging is de FNV veruit de grootste organisatie. Tot voor kort was de vakcentrale FNV de overkoepeling van ruim twintig zelfstandige bonden, waaronder FNV Bouw. Sinds de fusie op 1 januari 2015 van de vakcentrale, FNV Bondgenoten, Abvakabo FNV, FNV Bouw en FNV Sport is een nieuwe, ongedeelde FNV ontstaan, waarbij nog enkele zelfstandig gebleven kleinere bonden zijn aangesloten. FNV Bouw – nu als ‘Sector Bouwen & Wonen’ onderdeel van de nieuwe FNV – was bijna honderd jaar lang een zelfstandige bond. Bijna… want het eeuwfeest werd – op twee jaar en vijf maanden na – net niet gehaald. Toch wordt daar in het voorjaar van 2017 aandacht aan geschonken omdat die op een haar na bereikte mijlpaal daarvoor markant genoeg is. Ter gelegenheid daarvan wordt onder meer dit boek uitgegeven, waarmee de geschiedschrijving van de bond wordt voltooid. Die geschiedenis was al tot 1982 geboekstaafd; deze uitgave bestrijkt de laatste ruim dertig jaar. Aan de hand van een tiental beleidsterreinen wordt teruggeblikt en vooruitgekeken. Wat waren kenmerkende ontwikkelingen, wat is er bereikt, welke verworvenheden beklijven, welke strijdpunten hebben hun actualiteit verloren en welke lijnen moeten worden  doorgetrokken naar de toekomst?

WERKNEMERS MAKEN EEN VUIST

Maar eerst: hoe komen we aan die honderd jaar? Want het echte begin van vakorganisatie in de bouw- en houtsector ligt verder terug in de tijd. Ooit is als ijkpunt voor de geschiedschrijving gekozen voor het eerste moment dat een aantal beroepsverenigingen

Harry Peer, mede-auteur van de inleiding van Onder Dak!

fuseerden tot een brede bouwvakarbeidersbond. Dat was op 17 mei 1917 – niet toevallig Hemelvaartsdag – toen de katholieke bonden van timmerlieden, kalk- en steenbewerkers en schildersgezellen zich verenigden in de Nederlandsche R.K. Bouwvakarbeidersbond St.-Joseph. Twee en een half jaar later, op 1 januari 1920, kwam op vergelijkbare wijze de Algemeene Nederlandsche Bouwarbeidersbond (ANB) tot stand. Beide zijn de voorlopers van FNV Bouw.

Al lang voor 1917 echter kende de bouw- en houtnijverheid werknemers die een vuist maakten om verbetering aan te brengen in hun arbeidsvoorwaarden en

Jeroen Sprenger, mede-auteur van de inleiding van Onder Dak!

arbeidsomstandigheden. In 1864 kwam in Amsterdam de meubelmakersvereniging Amstels Eendracht tot stand. Een jaar later volgde – ook in Amsterdam – de timmerliedenvereniging Concordia Inter Nos. Vanuit beide organisaties werden initiatieven ontplooid voor landelijke bundeling, waardoor beroepsverenigingen ontstonden die uitgroeiden tot de Nederlandsche Meubelmakersbond (1871) en de Algemene Nederlandse Timmerlieden Bond (ANTB, 1892). Dat waren belangrijke ontwikkelingen maar ze deden zich voor vóór het ontstaan van die eerste brede bouwvakarbeidersbond.

We maken een grote sprong in de tijd. In 1971 fuseerde de ANB met de algemene meubel- en houtbond; een soortgelijke samensmelting in katholieke kring volgde een jaar later. Daarna kwam een proces van toenadering op gang tussen de algemene en de katholieke vakbeweging. De voorlopersrol van de bouw- en houtbonden hierin werd gemarkeerd door de gezamenlijke huisvesting in 1973 in het kantoor te Woerden. Op 1 januari 1982 fuseerden beide bonden tot de Bouw- en Houtbond FNV. Rond dezelfde periode fuseerden ook de andere bonden en de vakcentrale.

GESCHIEDENIS GEBOEKSTAAFD

De geschiedenis van de bouw- en houtbonden is in etappes beschreven. Het eerste boek, Op hechte fundamenten van Andries Leusink, verscheen in 1950. Het spitste zich toe op de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond (ANB), waarin de ANTB in 1920 was opgegaan en waarvan Leusink jarenlang bestuurder was. Een vergelijkbaar boek over de katholieke bouwbond is wel geschreven, maar nooit gepubliceerd. Aan Volkskrant-journalist Ad Bevers werd halverwege de jaren zestig, met het oog op de viering van het vijftigjarig bestaan, opdracht gegeven de geschiedenis van St.-Joseph te boek te stellen. Het manuscript, getiteld Samen Sterker, kon de goedkeuring van het bondsbestuur echter niet wegdragen. Bij de vorming van de Bouw- en Houtbond FNV in 1982 werd aan de historici Hans Righart en Jan Ramaker opdracht verleend de naoorlogse geschiedenis van de bouw- en houtbonden te schrijven. Het resultaat van hun studie verscheen onder de titel Steigers weg! Twintig jaar later publiceerde vakbondshistoricus Harry Peer over honderd jaar landelijke vakorganisatie in de meubel- en houtsector (1871-1971) het boek Kunstbroeders of meubelslaven.

In al die gevallen ging het om één, chronologisch verhaal. Voor dit boek, dat de periode tussen 1982 en 2015 omvat, is een andere benadering gekozen. Aan (oud-)medewerkers van de bond is gevraagd ieder op hun eigen werkterrein de maatschappelijke ontwikkelingen te schetsen en de invloed daarop van de bond. Aan elk van die thema’s is een interview toegevoegd met een kaderlid dat vanuit de eigen praktijk en de eigen beleving over dat thema vertelt. Een meer algemeen beeld van de bond in de beschreven periode komt naar voren in de schetsen van de vijf bondsvoorzitters. Zo is een boek ontstaan waarin de diversiteit van de bond tot zijn recht komt De periode die in dit boek wordt beschreven begint en eindigt met een markante gebeurtenis in de organisatie van de vakbeweging. Op 1 januari 1982 fuseerden de Bouwbond NVV en de Bouw- en Houtbond NKV. In de bijna 65 jaar daarvoor kenden beide organisaties een eigen ontwikkeling, speelden ze een eigen rol in de Nederlandse arbeidsverhoudingen en drukten ze hun eigen stempel op de sectoren waarin ze werkzaam waren. Na de fusie werden die lijnen in FNV-verband doorgetrokken.

Per 1 januari 2015 is de FNV opnieuw organisatorisch ingrijpend veranderd. De vakcentrale met bijna twintig zelfstandige vakbonden is één grote bond geworden, waarin de krachten van de vakcentrale en vier bonden, waaronder FNV Bouw, zijn gebundeld. Daarnaast zijn enkele verwante vakorganisaties toegetreden die de voorkeur geven aan een zelfstandige toekomst.

VERSTERKING VAN DE VAKBEWEGING

In de jaren tussen 1982 en 2015 mengde FNV Bouw zich bij herhaling krachtig in discussies over versterking van de vakbeweging. Niet alleen in de vergaderzalen van de FNV, maar ook op de bouwplaatsen. Daar werden in de loop der jaren steeds meer mensen actief die niet vielen onder een door FNV Bouw afgesloten cao. Daarom besloten de betrokken FNV-bonden vanaf 2008 te gaan samenwerken in FNV Bouwplaats. Een ontwikkeling die vooruitliep op de latere fusie van 2015 en die aansloot bij de toenemende flexibiliteit op de arbeidsmarkt. Mensen werken niet meer hun hele arbeidzame leven op één plek voor één werkgever. Sectorale bondsstructuren zijn daardoor een belemmering voor effectieve behartiging van werknemersbelangen. FNV Bouwplaats was daar een antwoord op, zoals de nieuwe FNV dat antwoord moet gaan geven over alle bedrijfstakken heen.

Een vakcentrale ontleent zijn kracht aan sterke bonden. FNV Bouw was zo’n sterke bond. Karakteristiek was zijn fijnmazige afdelingsstructuur. Bij de fusie op 1 januari 1982 telde de bond bijna 1070 plaatselijke afdelingen, die naast hun vakbondsrol ook een belangrijke functie hadden bij de uitvoering van werknemersverzekeringen en bedrijfstakeigen regelingen. Omdat werknemers veelvuldig wisselden van werkgever moest het systeem van vakantierechten, pensioen en sociale verzekeringen daarop worden afgestemd. Dat gebeurde door afdracht van premies aan een paritair bestuurde uitvoeringsorganisatie, die ook de uitkeringen verzorgde. Omdat de bondsafdelingen daarbij een rol speelden, moesten ook niet georganiseerde werknemers bij de bond aankloppen voor hun WW-uitkering en het verzilveren van hun vakantiebonnen. Die contacten waren goud waard en de organisatiegraad in de bouw behoorde dan ook tot de hoogste van Nederland. Aan de sectorale uitvoering van de sociale verzekeringen kwam in de jaren negentig door nieuwe wetgeving een eind. De plaatselijke afdelingen bleven bestaan als belangrijk contactpunt voor de individuele belangenbehartiging. Daarnaast ging de bond meer werk maken van het ondersteunen van kaderleden in de bedrijven. In het arbeidsvoorwaardenbeleid moest FNV Bouw het opnemen tegen krachtig georganiseerde werkgevers. Dat leidde vaak tot moeizame cao-onderhandelingen. Als die in een impasse raakten, werd er actie gevoerd. FNV Bouw moest met regelmaat bouwstakingen uitroepen, tot tien weken aan toe.

ARBEIDSMARKT IN CRISIS

De bouwsector geldt nog steeds als een grote bedrijfstak. Tienduizenden vinden hierin hun werk. Maar de schommelingen zijn enorm. Toen FNV Bouw in 1982 van start ging, verkeerde de bedrijfstak in crisis. De houtsector, een belangrijke toeleverancier voor de bouw, ondervond daar evenzeer de gevolgen van. De bond vocht voor meer werkgelegenheid, onder meer door het bepleiten van gerichte bestedingen door het rijk en de lagere overheden. Geleidelijk aan kwam in de tweede helft van de jaren tachtig de bouwproductie weer op gang. Daarna richtten de inspanningen van de bond zich op het laten terugkeren van de werknemers die eerder werkloos waren geworden. Bouw-Vak-Werk was daarvan het resultaat, een instelling van werkgevers en werknemers, die vanaf 1987 alle werkloze werknemers opzocht en hen desgewenst behulpzaam was bij een terugkeer in de bouw.

De crisis die de bouw vanaf 2008 trof, was steviger en langduriger. In feite duurde die nog voort toen in 2015 de fusie in FNV-verband tot stand kwam. Op de grens van 2016 en 2017 was het herstel ingezet. Niet alleen het volume, ook de inrichting van de arbeidsmarkt baart FNV Bouw grote zorgen. De laatste jaren heeft de bond in toenemende mate te kampen met doorgeschoten flexibiliteit. De bouw maakt op grote schaal gebruik van zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel), die het werk van vaste krachten overnemen. De bond organiseert tegenwoordig bonafide zzp’ers om ook hun belangen te kunnen behartigen. Daarnaast maken veel werkgevers gebruik van zzp’ers die in feite schijnzelfstandigen zijn. Zij zijn ontslagen als vaste kracht en mogen dan als zzp’er hetzelfde werk komen doen zonder de rechten die horen bij een dienstverband.

Op de arbeidsmarkt doet zich nog een ingrijpende ontwikkeling voor. De Europese Unie werd na de val van de Berlijnse Muur uitgebreid met een aantal Oost-Europese lidstaten. Het vrij verkeer van personen binnen de EU biedt werknemers uit de nieuw toegetreden landen de kans in West-Europa aan de slag te gaan. Voor werkgevers is het aantrekkelijk hen in te zetten omdat ze goedkoper zijn, hetgeen de druk op de werkgelegenheid en de lonen van de traditionele werknemers vergroot.

HET WERK IS NOOIT AF

De bouw staat bekend als een onveilige bedrijfstak. Bij FNV Bouw heeft de zorg voor veilig en gezond werk altijd hoge prioriteit gehad. De bond moest daarbij opboksen tegen de gemakzuchtige houding van werkgevers en – soms ook – van werknemers, die vonden dat het nu eenmaal niet anders kan in de bouw. Door inspanningen van de bond zijn de cementzakken lichter geworden, is het gebruik van asbest en van oplosmiddelhoudende verf aan banden gelegd en zijn tal van andere verbeteringen van de arbeidsomstandigheden doorgevoerd. De naleving daarvan is een punt van aanhoudende zorg. Tussen 1982 en 2015 bekommerde FNV Bouw zich ook om de vakopleiding. De schommelingen in de werkgelegenheid en de zware arbeidsomstandigheden maken de bouw niet aantrekkelijk voor nieuwe instromers. Ze belemmeren het zicht op de uitdagingen en andere mooie aspecten van het werk in de bedrijfstak. Daardoor is het lastig talentvolle jongeren voor de bouw te interesseren. Zoals het ook lastig is om werkgevers, gegeven het wisselende werkaanbod, blijvend te laten investeren in vakopleiding.

De bouw is een verzamelbegrip voor een brede bedrijfstak waarin werknemers in uiteenlopende beroepen werken. FNV Bouw sloot cao’s af voor de afbouw, bouw & infra, dakdekkers, jachtbouw, houthandel, houtverwerkende industrie, meubelindustrie, mortel, natuursteen, orgelbouw, parket, railinfra, schilders, tentoonstellingsbedrijven, timmerindustrie en woondiensten. In de nieuwe constellatie van de FNV zijn deze cao’s – op die voor de railinfra na – ondergebracht bij de sector Bouwen en Wonen. Nieuw voor de sector zijn de cao’s voor architectenbureaus en hibin (handel in bouwmaterialen).

De toekomst overkomt ons niet, die maken we zelf wel. Dat geldt ook voor de werknemers in de bouw- en houtnijverheid. Zij hebben daar met hun bond werk van gemaakt, nu al honderd jaar. Maar dat werk is nooit af. Het is aan de huidige en komende generaties vakbondsleden om ermee door te gaan in de voetsporen van hun collega’s bij St.-Joseph, de ANB, de Bouwbond NVV, de Bouw- en Houtbond NKV en FNV Bouw. Dit boek wil hen daarbij inspireren.

 Amsterdam, februari 2017

Harry Peer (Zevenaar, 1951) heeft na de Sociale Academie Sociologie en Geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Hoewel hij nooit bij een van de vakbonden heeft gewerkt is hij zijn arbeidzame leven altijd betrokken geweest bij de vakbeweging. Zo heeft hij jarenlang lesgegeven aan de kaderopleidingen van de Abvakabo en de Vervoersbond FNV. Peer heeft een groot aantal publicaties over de vakbeweging op zijn naam staan, waaronder ‘Kunstbroeders of meubelslaven. Uit de geschiedenis van de vakbeweging in de meubel- en houtsector’ uit 2002.

 Jeroen Sprenger (Amsterdam, 1950) heeft enkele jaren Politicologie gestudeerd in zijn geboortestad. In 1976 werd hij scholingsmedewerker bij de Federatie Bouw- en Houtbonden. Zestien jaar later verliet hij de Bouw- en Houtbond FNV als voorlichter en hoofd van de afdeling In- en Externe Communicatie en maakte hij de overstap naar de vakcentrale FNV waar hij Eerste voorlichter werd. In 1999 werd hij benoemd tot directeur Voorlichting bij het ministerie van Financiën. Aan het eind van zijn loopbaan bij de rijksoverheid publiceerde hij ‘De moeizame slag om het publiek vertrouwen’ over zijn ervaringen met overheidscommunicatie.