Het geheugen van de vakbeweging


Onder Dak! FNV Bouw 1982-2015

Nawoord

Werk aan de winkel

Mocht er ooit twijfel hebben bestaan over de conjunctuurgevoeligheid van het vakbondswerk, in het bijzonder in de bouwnijverheid en aanverwante sectoren, dan is die twijfel sinds een jaar of tien wel verdwenen. De krimp in de bouw is vanaf 2009 sterker geweest dan in andere sectoren. Dat heeft gevolgen gehad voor de ontwikkeling van het ledental en de resultaten van de vakbondsinspanningen, gericht tegen de markt, de harde en opportunistische opstelling van werkgevers en de wispelturige politiek. Vanaf 2016 tekent zich een zeker herstel af. Dat biedt perspectief voor de inspanningen van leden, kaderleden en bestuurders van de bond. De verhalen in deze bundel geven daaraan enige richting en wellicht nieuwe impulsen.

ROBUUSTE GROEI

Begin jaren tachtig, vlak na de fusie van de bouwbonden tot Bouw- en Houtbond FNV, verkeerde de bouwnijverheid in een diepe crisis. Het duurde een jaar of vijf voordat de opwaartse lijn weer kon worden ingezet. Vanaf de millenniumwisseling tot aan de jongste crisis nam de omvang van de bouwproductie toe met gemiddeld 4,4 procent per jaar. Vanaf 2008 is er sprake van een jaarlijkse krimp van circa 4 procent. Toen de economie in het algemeen in 2014 begon op te krabbelen naar het niveau van vóór de crisis, bleef de bouw nog achter. Het aandeel van de bouw in de totale economie bleef dalen, van 5,4 procent in 2009 naar 4,1 procent in 2014. Maar sindsdien wordt er in de periode tot 2020 een robuuste groei verwacht van ongeveer 3,5 procent per jaar voor de totale bouwsector. De woningbouw is daarvan de motor. Naar verwachting zal die jaarlijks met zo’n 10 procent toenemen. Daar komt nog bij dat op langere termijn de bestaande voorraad woningen en gebouwen moet worden aangepast aan klimaat- en duurzaamheidseisen. Die ontwikkeling heeft een positieve invloed op de aan de bouw verwante sectoren. Volop perspectief dus voor de bouwnijverheid en in de slipstream daarvan voor tal van andere verwante bedrijfstakken. Perspectief voor bedrijven en voor werknemers. Maar oude tijden komen niet weerom. De nieuwe bouwnijverheid is een andere bedrijfstak dan die van vóór 2008. Veranderingen zijn er doorlopend geweest en het was de kracht van de vakbond en de werknemers in de bouw dat die veranderingen hen niet ‘overkwamen’. Dat zal ze nu dus ook niet gebeuren.

KRACHTEN BUNDELEN

De nieuwe bedrijfstak heeft niet alleen meer mensen nodig, maar ook ‘nieuwe’ mensen die met elkaar werken in een uitdagende omgeving aan het verfraaien van stedelijk landschap en dorpsgezicht, aan de aanpassing ervan aan de eisen van de tijd. De groeiende vraag naar arbeidskrachten versterkt de mogelijkheden met elkaar de krachten te bundelen om volwaardige arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden in de breedste zin van het woord af te dwingen. Niet als een vorm van payback time om terug te halen van wat in de crisistijd verloren is gegaan, maar als een inspanning om samen met iedereen op de bouwplaats, binnen de FNV, met ondernemers in de bouw en met de politiek een bedrijfstak te ontwikkelen voor een ieder die daarin – veilig en gezond, inhoudelijk uitgedaagd – een toekomst wil opbouwen.

GELIJK LOON

Er is volop werk aan de winkel. Er moet stevig aan de weg worden getimmerd. Niet alleen op de steiger, maar op de bouwplaats in zijn volle omvang. Daar werken Nederlandse en Oost-Europese werknemers, mensen vallend onder de bouw- of een andere cao, payrollers en zzp’ers met een tijdelijk contract allemaal samen. De mix is niet zozeer het probleem, wel het feit dat er in een groot aantal gevallen geen sprake is van ‘gelijk loon voor gelijk werk’. Bovendien zijn de voorzieningen voor huisvesting en verzorging ten behoeve van arbeidskrachten uit de Oost-Europese EU-landen nogal eens ondermaats. Bond en (kader)leden vinden hierin een uitdaging. Door allereerst te signaleren, maar vervolgens ook verbeteringen af te dwingen en door het probleem in de ondernemingsraad en aan de overlegtafel aan de orde te stellen om herhaling te voorkomen. Door er in het sociale overleg op landelijk niveau – in de Stichting van de Arbeid en de Sociaal-Economische Raad – een punt van te maken. Door zo nodig op Europees niveau een sociaal aanvaardbare toepassing van bijvoorbeeld de detacheringsrichtlijn af te dwingen. Vakbondsactie en sociaal overleg gaan zo hand in hand en kunnen elkaar met succes ondersteunen.

TALENTVOLLE JONGEREN

Er is volop werk aan de winkel. De bouwnijverheid heeft in de afgelopen jaren veel mensen teleurgesteld zien vertrekken. Willen die mensen terug, nu de vraag naar werknemers weer groeit? Ook hier ligt een uitdaging. Groter is nog de vraag naar talentvolle jongeren die kunnen en willen meewerken aan het aanzien van de bedrijfstak. Een bedrijfstak die zichzelf door de bouwfraude, door verminderde aandacht voor naleving van de cao en voor de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften, door de opheffing van het vakopleidingsinstituut, enigszins in diskrediet heeft gebracht. Een omvangrijke inspanning van werkgevers- en werknemersorganisaties gezamenlijk is noodzakelijk om wantrouwen en twijfel weg te nemen, om in plaats daarvan werk te maken van de aantrekkingskracht van de bedrijfstak. Daarbij moet allereerst de sluipweg om goedkope arbeidskrachten uit Oost-Europa te importeren worden afgesneden. De bouwnijverheid heeft vaker in het verdomhoekje gezeten. Steeds weer is zij daar uitgekomen. Dat is niet zo vreemd. De bouwproductie mag dan conjunctuurgevoelig zijn en afhankelijk zijn van overheidsinvesteringen, bestedingen van woningcorporaties en koopkracht van gewone burgers, de behoefte blijft. Oude bouwproducten behoeven onderhoud of vervanging. Nieuwe ontwikkelingen in samenleving en economie vragen om nieuwe producten die daaraan tegemoetkomen. De aanpak daarvan kan niet eindeloos worden uitgesteld.

FLEXIBILITEIT

De crisis in de bouw heeft te lang aangehouden. Menig bedrijf heeft het hoofd niet of nauwelijks boven water kunnen houden. Doordat herstel te lang is uitgebleven, hebben bedrijfstakvoorzieningen die gezamenlijk met de vakbeweging zijn opgezet, uiteindelijk het loodje gelegd. Een beroep op een betere toekomst, en met het oog daarop op de noodzaak van continuïteit ervan, heeft gefaald. Maar nu zijn de vooruitzichten beter. Aan de bouwbehoeften kan vanaf 2016 beter worden voldaan. Daarvoor zijn mensen nodig. Op de kantoren van architecten, op de kantoren van bouwondernemingen en uiteindelijk ook op de bouwplaatsen. Het is aan de huidige werknemers om erop toe te zien dat de groeiende vraag niet in belangrijke mate wordt vervuld door detachering vanuit het buitenland. Met hun vakbeweging. Samen moeten ze duidelijk maken aan ondernemers en politiek dat een grote bedrijfstak als de bouw, een bedrijfstak die zo belangrijk is voor het aanzien van het land, ook een groot aandeel neemt in de werkgelegenheid van de eigen werknemers.

De aantrekkingskracht van de bouwnijverheid op de arbeidsmarkt ondervindt nogal wat concurrentie van andere bedrijfstakken. De conjunctuurgevoeligheid speelt een rol. Het zal even duren voordat de goede vooruitzichten van nu de schroom om voor een baan in de bouw te kiezen overwinnen. De flexibiliteit die wordt gevraagd is van alle tijden, maar groter dan elders. De honorering voor de gevraagde flexibele inzet staat echter fors onder druk. Voorzieningen voor hygiëne, veiligheid en gezondheid op die veranderende bouwplaatsen zijn veelal minder dan in kantoren en fabrieken. ‘Schoon naar huis’ is meer uitzondering dan regel.

ONDERDAK

Een bedrijfstak is niet van ondernemers alleen. Ook al zijn er onder hen die zich als zodanig gedragen. Het is nu tijd om hen te dwingen het vizier op de toekomst te richten. Op een toekomst van een bedrijfstak van ondernemers en werknemers samen, die zich gezamenlijk inspannen om in sociaal opzicht een bedrijfstak in te richten die velen een toekomst biedt. Die op de arbeidsmarkt de concurrentie met andere bedrijfstakken glansrijk kan doorstaan.

De toekomst overkomt je niet, is de stelregel van de vakbeweging in de bouw. Dat blijft ook de stelregel in de vernieuwde FNV. Werknemers uit de bouw- en houtsector hebben samen met collega’s uit andere bedrijfstakken onderdak gevonden in een modern FNV-gebouw. De nieuwe organisatie biedt een betere structuur voor de aanpak van problemen op de bouwplaats en betere mogelijkheden voor actieve vakbondsleden op andere plaatsen dan de bouw om hun invloed te laten gelden. De toekomst overkomt je niet, die maak je zelf. Met elkaar binnen de FNV, met elkaar binnen de bouw- en houtnijverheid. Wat er ook mag veranderen, dat niet.

 

Harry Peer

Harry Peer (Zevenaar, 1951) heeft na de Sociale Academie Sociologie en Geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Hoewel hij nooit bij een van de vakbonden heeft gewerkt is hij zijn arbeidzame leven altijd betrokken geweest bij de vakbeweging. Zo heeft hij jarenlang lesgegeven aan de kaderopleidingen van de Abvakabo en de Vervoersbond FNV. Peer heeft een groot aantal publicaties over de vakbeweging op zijn naam staan, waaronder ‘Kunstbroeders of meubelslaven. Uit de geschiedenis van de vakbeweging in de meubel- en houtsector’ uit 2002.

Jeroen Sprenger (Amsterdam, 1950) heeft enkele jaren Politicologie gestudeerd in zijn geboortestad.
In 1976 werd hij scholingsmedewerker bij de Federatie Bouw- en Houtbonden. Zestien jaar later verliet hij de Bouw- en Houtbond FNV als voorlichter en hoofd van de afdeling In- en Externe Betrekkingen en maakte hij de overstap naar de vakcentrale FNV waar hij Eerste voorlichter werd. In 1999 werd hij benoemd tot directeur Communicatie bij het Ministerie van Financiën. Aan het eind van zijn loopbaan bij de rijksoverheid publiceerde Sprenger ‘De moeizame slag om het publiek vertrouwen’ over zijn ervaringen met overheidscommunicatie.