Het geheugen van de vakbeweging

Trouw, 30 mei 2021


Ongewenste situatie van ‘dubbele cao’ duurt voort

Hoe de ‘gele bond’ doordrong in de uitzendsector  

In mei 2021 besteedden Nederlandse media uitgebreid aandacht aan een conflict tussen de cao-partijen in de uitzendsector.[i] Aanleiding was een akkoord tussen de NBBU, ABU en LBV om de huidige uitzend-cao’s met enkele maanden te verlengen. Door een overeenkomst te sluiten met de relatief kleine bond Landelijke Belangen Vereniging (LBV), passeerden de werkgeversorganisaties de grootste bonden in de sector: FNV Flex, CNV Vakmensen en De Unie. In vakbondskringen staat de LBV te boek als een ‘gele bond’ omdat zij te afhankelijk zou zijn van werkgevers en daarom ongeschikt als contractpartij van werknemerskant. Ondanks de controverse rond de LBV speelt de bond al lange tijd een prominente rol in de uitzendsector. De betrokkenheid van de vakbond is sterk verweven met de oprichting van de NBBU.

Oprichting NBBU

Ad Melkert, minister van Sociale Zaken van 1994-1998

De Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU) kwam in 1994 tot stand als werkgeversvereniging in de uitzendsector naast de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU). Bert van Drongelen, die vorig jaar overleed, was de initiatiefnemer van de nieuwe organisatie. Gebaseerd op zijn eigen ervaring als eigenaar van een uitzendbureau, beweerde Van Drongelen dat de ABU te weinig oog had voor de kleinere partijen in de uitzendbranche. De NBBU presenteerde hij dan ook als het alternatief voor kleine en middelgrote uitzendbureaus.

Strijd om toegang collectief overleg

De vereniging trad toe tot een sector met twee algemeen verbindend verklaarde uitzend-cao’s: een cao voor vaste medewerkers van uitzendbureaus en een voor (tijdelijke) uitzendkrachten. Bij deze overeenkomsten functioneerde de ABU als werkgeversvertegenwoordiger en waren de FNV Dienstenbond, Dienstenbond CNV en Unie BLHP de contractpartijen namens werknemers. Kort na de oprichting, vroeg de NBBU deze partijen toelating tot het cao-overleg. De cao-partijen waren echter niet bereid de NBBU toegang te verlenen. Als redenen voerden zij aan dat de NBBU zich niet richtte op het bereiken van cao’s, niet representatief was voor de uitzendsector en geen ervaring had met belangenbehartiging van werkgevers op het gebied van arbeidsvoorwaarden. De NBBU reageerde verontwaardigd. Uitgesloten van het cao-overleg, besloot de organisatie het algemeen verbindend verklaren van de cao’s (avv-en) van de ABU met de grootste drie vakbonden aan te vechten. Het bezwaar had succes: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Ad Melkert besloot het avv-instrument toch toe te passen, maar hier enkele onderdelen van de cao van uit te zonderen.

Opzetten van alternatieve cao

OVB zette zich nadrukkelijk af tegen de erkende vakbonden in het Nederlandse bestel. Zo ook op deze poster uit 1984 (IISG, Poster OVB, 1984).

In 1995 besloten de cao-partijen de NBBU wel voor het collectieve overleg uit te nodigen. De NBBU nam aanvankelijk deel, maar werd uiteindelijk toch geen contractpartij bij de uitzend-cao. In plaats daarvan koos NBBU voor een andere strategie: een alternatieve cao met een kleine bond. In de maanden voor de overeenkomst tussen ABU en de drie grootste vakbonden in de dienstensector wist de NBBU zelf collectieve arbeidsovereenkomsten voor vaste medewerkers en uitzendkrachten in de uitzendsector te sluiten met de Landelijke Bedrijfsorganisatie Dienstensector. De laatstgenoemde bond was onderdeel van het Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties (OVB) waar de LBV zich later van zou afsplitsen. De rol van OVB als contractpartij in de uitzendsector was niet uniek voor deze tijd. In dezelfde periode komen ook vergelijkbare akkoorden met bedrijfsorganisaties van OVB in andere sectoren tot stand. Met name in de havensector was de bond relatief goed vertegenwoordigd.

Toen de ABU-cao’s rond waren, vroeg NBBU dispensatie aan bij de betrokken cao-partijen om ruimte te laten voor de eigen cao’s. In de brief dreigde NBBU het algemeen verbindend verklaren van de ABU-cao’s wederom te zullen dwarsbomen met een bezwaarschrift bij de minister. Omdat de cao-partijen niet reageerden op dit verzoek, diende NBBU vervolgens ook daadwerkelijk dit verzoek in. In dezelfde periode brachten de overkoepelende organisaties van de cao-partijen via de Stichting van de Arbeid een advies uit waarin zij aangaven de ontwikkeling van dubbele cao’s in dezelfde bedrijfstak als onwenselijk te beschouwen. Hoewel Melkert zich achter deze opvatting schaarde, besloot de minister toch ruimte voor de NBBU-cao’s te creëren. De minister verklaarde de ABU-cao’s algemeen verbindend, maar met uitzondering van de NBBU-leden. Als belangrijkste argumenten voor deze keuze voerde hij aan dat de NBBU-cao’s volgens de correcte juridische procedure tot stand waren gekomen en het gebruikelijk was in soortgelijke situaties dispensatie toe te kennen. De NBBU zag de verkregen dispensatie als een grote overwinning. Melkert gaf echter wel te kennen dat de beslissing vooral op de korte termijn was gericht. Door de collectieve arbeidsovereenkomst algemeen verbindend te verklaren en tegelijkertijd dispensatie te verlenen aan de NBBU-leden, wilde de minister de betrokken partijen de tijd geven tot een structurele oplossing te komen.

Voortbestaan dubbele cao

Jeroen van Veldhoven onderzoekt de recente geschiedenis van flexwerk in Nederland

Deze structurele oplossing bleef echter uit. Met zijn beslissing legde de minister onbedoeld de basis voor een langdurig systeem van dubbele cao’s in de Nederlandse uitzendsector. Hoewel de cao’s inmiddels in verre mate zijn geharmoniseerd, is deze formele structuur vandaag de dag nog altijd intact. Ook functioneert de LBV nog altijd als de enige vertegenwoordiger van werknemers bij de NBBU-cao. Opmerkelijk aan het recente conflict is dat de LBV nu ook een grote rol speelt in de totstandkoming van de ABU-cao.

Jeroen van Veldhoven
Augustus 2021

 

[i] Zie bijvoorbeeld: Lukas van der Storm, ‘Uitzendsector sluit cao met eenzame minibond; FNV en CNV willen dat minister ingrijpt’, Trouw, 30 mei 2021