Het geheugen van de vakbeweging

Bericht in het CNV-orgaan De Gids, 15 maart 1945

Heroprichting CNV na bevrijding van zuidelijk Nederland

De Banier opnieuw geheven

Op 25 juli 1941 besluit het CNV-bestuur de vereniging op te heffen. De Duitse bezetter wil de christelijke vakbeweging dwingen om onderdeel van één algemene vakcentrale te worden. Maar de bestuurders kiezen voor opheffing boven het opgeven van de christelijke beginselen. De leden verlaten massaal hun bonden, de bezoldigde bestuurders nemen ontslag. Maar ondanks dat blijven bestuurders elkaar in het verborgene ontmoeten in de Binnen Contactgroep. Daar wordt nagedacht over wat er na de oorlog moet gebeuren in Nederland, van daaruit worden contacten onderhouden met bestuurders van andere vakcentrales en met werkgevers. Zo wordt vanaf het midden van 1943 overlegd over het oprichten van de Stichting van de Arbeid en over de toekomstige samenwerking tussen de vakcentrales in de Raad van Vakcentralen.

In 1943 keren ook de krijgskansen. De Duitsers worden bij El Alamein en bij Stalingrad teruggeslagen. Op 6 juni 1944 bestormen de geallieerde troepen met succes de kust van Normandië en trekken – na een bitter gevecht in Normandië – Frankrijk binnen. België wordt in de eerste septemberdagen bevrijd en op 17 september begint de operatie Market Garden. Het doel van de operatie – het oversteken van de Rijn – mislukt, maar Nederland beneden de grote rivieren wordt – mede dankzij de gewonnen Strijd om Walcheren – bevrijd. Het gebied boven de rivieren gaat een barre hongerwinter tegemoet.

Maatschappelijke organisaties pakken de draad weer op

Het openbaar bestuur in het bevrijde landsdeel valt toe aan het Militair Gezag en tal van maatschappelijke organisaties maken gebruik van de verworven vrijheid. In de Limburgse kolenmijnen wordt een nieuwe vakorganisatie opgericht – de Eenheidsvakcentrale (EVC) – die actief inspeelt op de tijdgeest. Een tijdgeest die roept om eenheid en vernieuwing. De klassieke bonden aarzelen in eerste instantie over hun heroprichting, maar de een na de ander besluit daartoe.

Daarbij heeft het CNV een probleem, want er zijn geen CNV-bestuurders in het Zuiden. Ruppert, die in de buurt van Eindhoven was ondergedoken, keert begin september op een fiets met houten banden terug naar Utrecht in de hoop dat het hele land spoedig zal zijn bevrijd. Vanuit Utrecht kan hij dan betrokken zijn bij de landelijke ontwikkelingen. Maar hij misrekent zich en had bij nader inzien beter kunnen blijven waar hij was. De eerste CNV-er, die naar het zuiden kan uitwijken is Roel Hagoort, de vroegere hoofdredacteur van het Christelijk Sociaal Dagblad. In Eindhoven komt hij in contact met twee kaderleden, die het christelijk-sociale vakbondswerk hebben opgepakt. En op 24 november 1944 proclameert Hagoort de heroprichting van het CNV in het zuiden.

Blijkbaar bereiken de berichten over de vakbondssamenwerking ook CNV-voorzitter Stapelkamp, die in het nog bezette Utrecht woont. Via berichten van radio Herrijzend Nederland hoort hij waarschijnlijk ook over pogingen een eenheidsvakcentrale op te richten onder communistische invloed. Een schrikbeeld voor Stapelkamp en de zijnen. Hij vindt dat er een daadkrachtige bestuurder naar het zuiden moet en daarom vraagt hij de nog jonge voorzitter van de christelijke landarbeiders (NCLB), Marinus Ruppert, om de grote rivieren over te steken. Ruppert wil dat, waarschijnlijk ook omdat zijn zwangere vrouw zich in Bergeijk bevindt, waar het gezin was ondergedoken.

Marinus Ruppert, voorzitter van het CNV ‘in bevrijd gebied’

Marinus Ruppert, ‘CNV-voorzitter in bevrijd gebied’

Ruppert vertrekt op 14 december uit Utrecht. Zijn gevaarlijke reis verloopt meer dan moeizaam. Hij ‘crosst’ de rivier de Waal zonder problemen, maar de nacht voordat hij door de Biesbosch Noord-Brabant zal bereiken, wordt door crossers een Duitse soldaat doodgeschoten. Het wemelde al van de Duitsers in en rond de Biesbosch, waar ook een V1-installatie moet worden beschermd. Ruppert verblijft gedwongen twee maanden in het Land van Heusden en Altena. Pas op 10 februari komt hij in Eindhoven aan.

Stapelkamp en met hem Ruppert willen wel samenwerken met andere vakcentrales, maar zijn van oordeel dat de opheffing van het CNV in 1941 uit beginsel niet rechtvaardigt dat het CNV opgaat in een algemene of eenheidsvakcentrale. Ruppert gaat dan ook ogenblikkelijk aan de slag om de positie van het Verbond in de naoorlogse verhoudingen te garanderen. Al snel treedt hij op als voorzitter van het CNV in Bevrijd Gebied en gaat hij op zoek naar bestuurders, die hun werk weer kunnen oppakken. De ledenaanwas vordert traag – arbeiders zijn meer bezig met hun dagelijkse problemen dan met maatschappelijke organisatie. Rupperts belangrijkste taak is ervoor te zorgen dat het CNV als zelfstandige organisatie wordt erkend. Zo dringt hij aan op een herstart van De Gids en neemt hij afstand van de Herrijzing, het gezamenlijke blad van de drie vakcentrales. En hij legt contacten met het Militair Gezag en met topambtenaren, die uit Londen zijn gekomen om het openbaar bestuur vorm te geven na de bevrijding van het hele land. Hij zoekt overleg met mr. A.A. Van Rhijn, een topambtenaar van Christelijk-Historische huize, die voor de oorlog duidelijk sympathiek stond tegenover de christelijke arbeidersbeweging. Een contact dat tegenvalt en dat Ruppert confronteert met het door sommigen – ook door Van Rhijn – uitgedragen idee van de Doorbraak[1]. De kern daarvan is dat mensen zich niet langer organiseren op religieuze gronden, maar op basis van maatschappelijke keuzes. Een benadering die Ruppert op geen enkele wijze deelt en waartegen hij zich de komende jaren ook krachtig zal verzetten.

Ruppert maakt zijn positie duidelijk in de eerste uitgave van De Gids, die op 15 maart in een oplage van 5000 exemplaren verschijnt. Het CNV “ging onder, omdat zij van oordeel was, dat alleen het Evangelie het richtsnoer voor ons optreden in de maatschappij behoort te zijn. En zij herrees, omdat zij nog van oordeel is, dat het Christelijke geloof er niet alleen is voor zondag en voor de binnenkamer, doch ook en vooral voor de werkdagen en voor de maatschappij. … De Christelijke vakbeweging is zelfstandig, of zij is er niet.”

Op 19 en 20 april 1945 vindt de eerste Buitengewone Algemene Vergadering van het CNV plaats in Roosendaal. Die vergadering moet duidelijk maken dat het CNV er weer is en neemt een reeks besluiten om de organisatie ook weer te laten functioneren. Ruppert beklemtoont dat de vakbeweging meer is dan een materiële belangenbehartiger en hij verzet zich nadrukkelijk tegen de doorbraakgedachte. Het gaat er niet om – zo redeneert hij – dat christenen christelijk georganiseerd zijn als teken van hun geloof, maar ‘dat wij in ons persoonlijk leven getuigen van Christus behoorden te zijn, ook in het bedrijf.’ Ruppert doet daarmee een klemmend beroep op de persoonlijke verantwoordelijkheid van de leden. Hij maakt ook gebruik van de gelegenheid om een aantal discussies, die tijdens de oorlog in CNV-kring speelde, tot een eind te brengen. Tijdens die vergadering markeert Ruppert nogmaals de positie van het CNV en waarschuwt hij voor de EVC, die hij beschouwt als een communistische mantelorganisatie.

Eind april vindt een ontmoeting plaats tussen de minister van Sociale Zaken, F.C.M. Wijffels, en de vakbeweging. Na afloop wordt een gemeenschappelijk communiqué uitgegeven en daarmee erkent het ‘Londense’ kabinet de drie oude vakcentrales.

Zondagsrust

CNV-voorzitter Anton Stapelkamp: … eerbiediging zondagsrust…

Op 5 mei capituleren de Duitsers. Op 7 mei komen CNV-bestuurders bij elkaar op de draad weer op te pakken. Maar het gaat moeizaam. Stapelkamp schrijft later: “Toen beseften wij eerst recht, hoe hulpeloos wij waren. Wij hadden geen kantoorgebouw meer, geen kantoormeubelen, geen papier, geen pennen, geen inkt.” Ondanks die gebreken wordt er toch hard gewerkt om het CNV weer tot leven te wekken.

Ruppert wil zo spoedig mogelijk naar Utrecht, maar vrij reizen is nauwelijks mogelijk. Als militair zou hij wel kunnen reizen, maar dat weigert Ruppert en hij steekt (opnieuw illegaal) de rivieren over. Toch kan hij het net bevrijde Utrecht niet bereiken en daarom reist hij door het al wat eerder bevrijde noorden en oosten van het land om op lokaal niveau de heroprichting van het CNV te stimuleren. Daarbij speelt zijn vrees voor de invloed van de communisten zeker een rol.

Op zaterdag 12 mei besluit hij naar Utrecht te reizen. Dat blijkt niet eenvoudig, want reizen is slechts beperkt en onder voorwaarden mogelijk. Hij bereikt Veenendaal. Met behulp van de burgemeester, die hem tot hulpagent van politie aanstelt, wordt het mogelijk de volgende dag (zondag) op een fiets naar Utrecht af te reizen. Daar haast hij zich naar voorzitter Stapelkamp, die hem ternauwernood wil ontvangen, want hij wil ter kerke!

De bonden worden in snel tempo heropgericht en de leden keren in grote getalen terug. Op 25 juli 1945, op de dag af vier jaar na de opheffing, wordt de eerste landelijke algemene vergadering gehouden, ook als symbool van het heropgerichte CNV. De Banier is opnieuw geheven!

 

Piet Hazenbosch

April 2021

 

Noot:

[1] Als gevolg van de oorlog is in bepaalde kringen de gedachte ontstaan dat christenen niet noodzakelijkerwijs ophoeven te gaan in christelijke organisaties. De samenleving is beter af als de vooroorlogse verzuiling wordt doorbroken. Met name in de Nederlands Hervormde Kerk vond deze gedachte ingang.

Geraadpleegde literatuur:

  • A. Stapelkamp en J. Schipper: De Banier opnieuw geheven – geschiedenis van het Christelijk Nationaal Vakverbond in Nederland in de jaren van de tweede wereldoorlog, Utrecht, 1950.
  • Jan Jacob van Dijk en Paul. E. Werkman: Door geweld gedwongen – het CNV in oorlogstijd, Utrecht, 1995.
  • J. de Bruijn en P.E. Werkman, Van tuindersknecht tot onderkoning – biografie van Marinus Ruppert, Deel 1: de jaren 1911-1947, Hilversum, 2001.
  • Piet Hazenbosch, Voor het Volk om Christus’ Wil, een geschiedenis van het CNV, Hilversum, 2009.